TT‑verslag 2014-TT38
"WESERBERGLAND"

Logboekje oom Jan

Hoewel ik alle hoop liet varen of ik na 2012 ooit nog mee zou gaan met de traditionele trektocht stel ik tot mijn vreugde vast dat mijn rugzak gepakt is, mijn vrouw tevreden voor een logeerpartij bij Jan en Brigitte naar Overveen is vertrokken, het huis opgeruimd en de avondlucht nagenoeg onbewolkt wacht op de komst van een volle maan. Straks komt dochter Georgine uit Breda. Zij slaapt hier vannacht, zodat het Dassen-equipe morgenochtend in de auto van Ron op tijd en compleet de tocht naar het Weserbergland kan aanvaarden. Ook in de andere TT‑huizen bereiden familieleden zich al of niet gestrest voor op de dag van morgen.

Er zijn twaalf deelnemers, wat een wonder mag heten, want tot voor kort was ieders deelname onzeker. Geharrewar over welke week en daarin ook nog: welke dagen dan? De ene kon zus het beste en de ander zo. We kozen voor de “eerste” week en voor een vertrek op vrijdag in plaats van op zaterdag. En - nog belangrijker - voor een vervroegde terugtocht op zondagavond van een deel van de groep. Met deze keuze verlaten wij de traditionele dagen zaterdag t/m woensdag. Maar zij redde deze familieonderneming wél van een roemloze annulering.

Op de voorbespreking bij Aleid en Frans (gaan helaas niet mee; ook Herman en Joyce zijn niet van de partij) stond JW plechtig op en bracht de Weserberglandweg als een dwingend advies ter tafel. Tijdens een vakantietocht had een onbekende medekampeerder, horend van zijn trektochtpassie, hem op deze route geattendeerd. Geen mooiere route dan die. Zuidelijk van de Harz, ergens achter Kassel. Dichtbij het voormalige IJzeren Gordijn. Omdat niemand iets anders had voorbereid werd hiertoe gelaten zonder verdere discussie besloten.

Els pompte een paar dagen later ons enthousiasme aanzienlijk op met een full-coloured paklijst. Daarin prees zij, na grondig onderzoek, het Weserbergland aan als een idyllisch rivierenlandschap met schilderachtige heuvels en dalen, rijkelijk gevuld met romantische kastelen, stadjes en dorpjes. Ik voelde mij ook aangesproken door de ondertitel: het Alzheimerwald. En dat het gebied het decor is geweest van de wereldberoemde sprookjes van de Gebroeders Grimm.

De route blijkt gecompliceerd als je kijkt naar onze vertrouwde ijkpunten. Waar zijn bushaltes, terrasjes en supermarkten? Bovendien gaat zondagavond een deel van de groep naar huis, de rest loopt nog twee dagen door. Waar zetten we dan de auto’s neer? En hoe bereiken we die parkeerplekken zonder teveel tijdverlies? Els en JW communiceren dagenlang over ingewikkelde routeconstructies. De Wanderweg loopt van zuid naar noord, zoveel is zeker. Al kan andersom ook. Stel: de route loopt van A via B naar C, waarbij B de locatie is die we zondagmiddag moeten bereiken. Dus daar zet je de drie auto’s, waarna je per bus naar startpunt A moet komen. Dat blijkt door gebrekkige busverbindingen zaterdagmiddag niet mogelijk. Dan maar bij B starten, drie dagen zuidwaarts lopen naar A en van daar zondagmiddag proberen terug bij B te komen. B blijkt het rivierstadje Bad Karlshafen te zijn, gelegen in het midden van de Weserberglandroute. Daar gaan we samen eten en afscheid nemen van de afzwaaiers. Waarna de rest van de TT'ers van B doorloopt naar C, waar we dan wel een auto moeten neerzetten. Is alles nog te volgen?

Wie het voorgaande aandachtig gelezen heeft weet nu dat we in ieder geval morgen naar Bad Karlshafen rijden, zo’n 400 km van hier. Daar verzamelen we op de parkeerplaats van Aldi, naast een riviercamping en in de buurt van restaurants. We zien wel hoe het verder loopt. Iedereen zal nu wel druk zijn met het volstouwen van de rugzak. We hebben er zin in!

Omdat JW en Jolanda in Maarssen afspraken te wachten op de met hen meerijdende Paul en Anita, die Olivier nog naar school brengen, is de tijdsdruk van een vroege start er ineens af. De drie auto’s rijden op eigen gelegenheid naar Bad Karlshafen. De weerberichten daar vermelden stijgende temperaturen, droog maar bewolkt. Intussen geeft mijn Apple aan dat er een nachtelijk berichtje van JW is. Aha! Gaan we elkaar ergens onderweg toch nog ontmoeten? Maar nee… Meneer biedt een oude Miele wasmachine aan, want de Prinsen verhuizen binnenkort.

Pas om kwart voor negen staan Ron en Irene voor de deur, in de wetenschap dat de anderen ook rond deze tijd vertrekken. Het is zonnig. Heldere ochtendluchten verruimen de geest. Files in de buurt van Zeist vertragen de start. Eenmaal op de A12 spurten we oostwaarts, Duitsland in. Na 150 km arriveren we bij wegrestaurant Hünxe. Tijd voor benen strekken en een kopje koffie.

We zitten nog maar net, of we zien de auto van Peter, Evelien en Albert de parkeerplaats opdraaien. Een substantieel deel van de groep is dus aanwezig. Veel pauzetijd nemen we niet. We lunchen tijdens het rijden. Zo’n 30 km voor het eindpunt verlaten we de Autobahn. Over binnenweggetjes gaat het richting Bad Karlshafen, het Kurort aan de Weser.

We komen helemaal in de stemming door het prachtige landschap. Groene dalen met glooiende weilanden en eenzaam grazende koeien. Hessense dorpjes tussen oude bomen. Witte huisjes met oranje en grijze daken, gehuld in kleurig klimop, badend in een herfstzonnetje. Hier en daar een oud kerkje. Ongeveer gelijktijdig arriveren de drie auto’s op de parkeerplaats van Aldi. Hoe hartelijk is ook dit jaar weer de ontmoeting van deze ervaren doordouwers met hun na jarenlange trektochten gegroefde en verweerde koppen. Beproefde familieleden, die elkaar niets meer hoeven wijs te maken.

We zien opzij van de parkeerplaats de camping. Zondagavond komen wij hier na drie dagen zuidwaarts lopen weer terug, waarna Anita, Albert, Evelien en Peter naar huis gaan en de rest na een campingnachtje de route twee dagen noordwaarts vervolgen. Althans, dat zijn de plannen.

Wij trekken de bergschoenen aan, sluiten de auto’s af, nemen nog een slok water en hangen de rugzakken om. Els deelt haar traditionele kunsteikels uit waarop zij TT 38 heeft gekalligrafeerd. We hangen ze met enige trots aan rugzak en jack. Daarmee is de toon gezet voor deze 38e tocht.
We kunnen nu alles vergeten wat achter ons ligt.

De kaartlezers leiden ons resoluut over de Weserbrücke, waarna we even langs de rivier lopen en daarna op de Weserbergland Wanderweg belanden. De route loopt eerst door het pittoreske witte stadje Bad Karlshofen. De bevolking aanschouwt op deze vrijdagmorgen twaalf rugzakkers, waarbij de laatste, Paul Reintjes genaamd, zijn rugzak op een kunstig geconstrueerd eenwielig voertuig achter zich aan sleept. Bejaarde Duitse toeristen, altijd technisch geïnteresseerd, kijken er vol verbazing naar. “Ach! wie praktisch sind doch die verrückte Holländer!”

Het is van oudsher een Hugenotenplaats. Gevluchte Franse Hugenoten kwamen in de 16e eeuw op verzoek van vorst Karl naar deze plek om er een nieuw bestaan op te bouwen. Straatnamen verwijzen naar dit stukje reformatorische geschiedenis. We lopen door de Lutherstrasse, zien een bordje Calvin Melanie, een pijl verwijst naar het Hugenotten Museum en er staan borden van de Johanniter Jugend. Het carillon van het Rathaus speelt Luthers Ein feste Burg ist unser Gott, al ontgaat dat vrijwel ieder van dit seculiere gezelschap. Dat geldt zeker niet voor de vrijzinnige neef Paul, maar die heeft even andere zorgen.

Zijn rijdbare rugzak wil niet wat hij wil. Volgens Overveense inside-information stond hij gisteren nog tot laat in de avond aan de constructie te lassen. De rugzak is vermoedelijk te zwaar. Dat dringt pas ‘s avond tot ons door. Paul en Anita zouden het avondeten verzorgen. Paul tovert dan onder vele andere zaken twee containers met totaal zes liter rode wijn tevoorschijn. Dat zit dus nu allemaal nog in zijn rugzak. Het wiel waarop alles rust zwikt naar links en naar rechts. En het ingenieuze scharnierenstelsel op de rug verzet zich tegen het gewicht. Herschikking van de lading en technische bijstellingen brengen op dit moment geen soelaas. Daarom hangt hij zijn kiloknaller voorlopig op zijn rug om van het gezeur af te zijn. Het blijkt mogelijk het vehikel om te draaien naar een rugzakversie.

Mensen, zo’n eerste middag is weer even wennen! Houd de hartslag in toom, klim rustig, kijk om je heen. Geniet van de ondoordringbare bossen links omhoog. En huiver van het bij het klimmen steeds dieper liggende geheimzinnige dal rechts beneden. Zwijgend zwoegen we voort. Op de aflopende helling springen ineens twee reeën verschrikt weg. Als oplichtende schimmen tussen de donkere dennenbomen. Zij verdwijnen in de diepe duisternis.

JW voorspelt dat we vanmiddag slechts zo’n tien kilometer moeten lopen. Willen we dat halen? Dat is de vraag die we ons stellen, als we na een uurtje klimmen bezweet pauzeren op een bankje tussen twee modderige meertjes bedekt met roerloos kroost. Ons pad leidt, dat zie je zo, vandaar steil omhoog. Het lijkt of we bovenop links een mooie open vlakte ontwaren. Nu al een kampeerplek? Nog even niet aan denken. Op de helling verderop staat een bordje dat de naam Französischen Wiesen vermeldt. Een verwijzing naar het Hugenotenverleden. We talen er niet naar. Het is nog te vroeg en we moeten verder. Al onze aandacht gaat nu naar het steeds modderiger pad. Die modder voorspelt weinig goeds.

Het wordt een ware zwoegtocht door een moerassig gebied. Eenmaal op hoogte leidt de route ons zonder erbarmen door een hobbelig, zompig en vooral vochtig hoogveengebied. Lebendige Hochmoore, zoals ze dat hier noemen. Hoge pluimgrassen, pijpestrootjes, snavelbiezen, russen met hun smalle kale stengels, waaruit halverwege bruine tabakachtige bloeiwijzen stulpen. En dat alles op een tapijt van sappige veenmossen. Een enkele knalgele boerenwormkruid geeft wat fleur. We hebben er weinig oog voor en strompelen ertussendoor. Onderweg rusten we even uit op de balken van een brandtoren.

Eenmaal aan de bosrand is menige bergschoen zeiknat. En dat blijft zo, want ook de bospaden blijken drassig. Onze stemming komt wat aan de sombere kant. Natte rottende glibberige boomstammen liggen kriskras over de weg. We bewonderen Jolanda, die met beperkt zicht toch maar weer zonder morren een topprestatie levert.

Wij soppen voort tot aan een verharde weg. Verderop is een driesprong met een stapel stammen. Een mooi moment om te stoppen en te zoeken naar een overnachtingsplaats. Eerst worden de kaarten uitgebreid bestudeerd. Albert, Ron, Jan Willem en Evelien verdwijnen daarna in alle windrichtingen, terwijl de rest uitpuft op de stapel. Volgens de kaart zijn we in de buurt van het Benzer Holz. Evelien (wie anders?) vindt een mooi kampeerplekje in een beukenbos. Ook daar vocht alom, maar dat is inmiddels all-in the game. Opvallend veel natte stammetjes, anders ideaal droog stookhout, liggen her en der verspreid. We moeten het er mee doen. Terwijl ieder een stekkie zoekt voor de tent zakt de zon achter de donkere bomen in een diep-oranje gloed.

De tenten staan snel. Anita en Paul zoeken hun ideale plek in een ander deel van het bos in een welbegrepen hunkering naar enige afzondering. Laat nou net Albert, op deze tocht de meesterstoker, dichtbij hun tent een kampvuurplek inrichten! Hij werkt naar de beste TT‑tradities. Nu echter met natte stammen die hij als onderlaag gebruikt, wat spaarzame droge takken erop en daarop weer natte stammen in een piramide gestapeld. Ik zie daarin de vaderlijke hand van oubaas Prins. Ook de anderen zijn druk bezig. Het inruimen van de eigen tent, het verzamelen van de kook- en eetspullen bij de kampvuurplek en het sprokkelen van voldoende hout voor een hele avond stoken.

JW, Ron en Evelien zijn de waterhalers. Zij verdwijnen in de schemer met rugzakken vol lege waterflessen naar een dorp, een paar kilometer verderop. Zij volgen de oude Weserbergland Pelgrimsweg uit lang vervlogen tijden. Daar in de buurt speelde zich in de 19e eeuw het sprookje af van Sneeuwwitje en de zeven dwergen. Niet ver hier vandaan, in het dorpje Gieselwerder aan de Weser, verbleven in hun vrije dagen de gebroeders Jacob en Wilhelm Grimm om hun beroemde sprookjes te schrijven. Later op deze tocht zullen we hier ongetwijfeld meer van merken. De waterhalers bellen in het dorp aan bij een vrouw. Zij vult stomverbaasd de tientallen flesjes. Ze begrijpt de situatie niet helemaal. De waterhalers laten haar in die waan en bewonderen ondertussen complimenteus de uit hout gesneden zwijnenkoppen opzij van het huis.

Ondertussen proberen de achterblijvers tevergeefs de drie primussen aan de praat te krijgen. Maar niemand weet hoe, behalve uitgerekend de waterhalers. Als die toch nog gauw terug zijn kan Paul, terzijde gestaan door Anita, de bereiding van de hun toegewezen avondmaaltijd beginnen. Voor de geschiedschrijving van de TT volgt hier het recept van de heerlijke huisgemaakte saus die over de macaroni gaat. Het is volgens Paul een Sauce Bolognaise, bestaande uit uien, veel gehakt, fijn gesneden wortels, blokjes spek, knoflook, gepelde tomaten en dat alles lang gesudderd in witte wijn.

Inmiddels brandt het vuur. Dat mag met dat natte hout een godswonder heten. Al komt vooral neef Albert de lof toe. Hoe flikt-ie hem dat? De borrels gaan rond. Elsjes en schelvispekel natuurlijk. Maar ook een specialiteit op deze tocht, de IJslandse Mosbitter, deze zomer door Irene en Ron meegebracht “from the unspoiled highlands of Iceland”. Een mysterieus drankje dat het bedwelmd gemoed dichtbij de vochtige bemoste grond brengt. De commentaren zijn niet van de lucht.

Ik duik even mijn tent in om als 81-jarige wat uit te rusten van de vermoeienissen. Els brengt mij een bijzonder glaasje met een borrel en een bakje nootjes. Het glaasje gaat met een drukbeweging in de bodem veelkleurig knipperen, waardoor er van rustig genieten weinig terecht komt. Zij heeft voor iedereen een exemplaar. Ik doezel snel weg. Tot “Oom Jan, we gaan eten!” van verre tot mij doordringt.

Iedereen zit inmiddels rond het knappende vuur met het eetbakje rijkelijk gevuld met de Bolognaiseprut. De stemming stijg als Paul en Anita twee eerder genoemde wijnzakken laten rondgaan met in elke zak drie liter rode wijn. Van een kille vochtige avond in een donker unheimisch bos is dan niet veel meer te merken. Een diepe tevredenheid daalt over deze beproefde kampeerders. Zij zijn in de loop der jaren aan vele trektochtontberingen gewend geraakt en leerden ze snel te vergeten als ze konden genieten van de ultieme momenten rond een kampvuur.

Om tien uur zoek ik mijn slaapzak op. Op afstand hoor ik hoeveel kabaal zo’n vrolijke groep in een stil nachtelijk bos kan maken. Het is een schitterend gezicht, die hoog oplaaiende vlammen en de donkere silhouetten er omheen. Ik schrijf mijn notities van deze dag in mijn logboekje. Het was goed, ondanks het gesop vanmiddag door het natte hoogveengebied.

Twee uilen vliegen boven ons kampje heen en weer. Hun klagelijke roep echoot door het bos. Het moet volle maan zijn, maar daar is niets van te merken door het dikke wolkendek. Wilde zwijnen, overal aanwezig blijkens de omgewoelde grond, houden zich massaal afzijdig. Dat verandert midden in de nacht als ik, in diepe rust liggend aan de rand van onze tunneltent, ineens de zware poten van een wild zwijn op mijn slaapzak voel. Ik richt mij als in een reflex direct rechtop en sla verschrikt om mij heen. “Een beest! Een beest in de tent!!” Het blijkt Georgine, die over mij heen kroop om een plasje te doen…

Na het toiletteren betreed ik opgeruimd de kampvuurplek van gisterenavond. Vannacht waren er wat aarzelende buitjes op het tentdoek. Maar nu is het droog en windstil. Het is bewolkt en daarom nog lang schemer. De vroege ochtend sleept zich moeizaam naar het late licht. Half acht is er zicht genoeg voor iedereen om in de weer te komen. Het rugzakkarretje van Paul staat, ontdaan van zak en last, tegen een boom. Het is welbeschouwd een heel ingenieuze constructie. Paul besluit hem straks weer in gebruik te nemen. We ontbijten in alle rust zittend op een boomstam of op de grond. Gepraat en gelach klinken op. Dan is het tent afbreken, rugzak pakken, bergschoenen aan: het zijn de gewende daden van iedere TT‑dag.

Daarna gaat een lange rij van twaalf rugzakkers op pad. We vervolgen de Weserberglandweg verder in zuidelijke richting. Ongelofelijk hoe vochtig het ook hier overal is. Diepe tractorsporen vol regenwater buigen links en rechts het bos in. Overal grote stapels stammen van beuken en dennen, gereed voor de verkoop of al verkocht. Want er staan rode letters op de doorgezaagde stammen. Productiebos van het Staatsforst Karlshafen, onderdeel van het Reinhardswald.

We zijn hier in de buurt van het voormalige IJzeren Gordijn, tijdens de Koude Oorlog de scheidslijn tussen Oost- en West-Duitsland. We buffelen een tijdje over soppende boswegen tot we een open vlakte bereiken. Kale akkers met suikerbietenaanwas links en stoppelvelden van mais rechts. We houden voortstappend elkaar aan de praat. Het werk, de kinderen, de politiek, het passeert allemaal de revue. We naderen weer een bebost gedeelte. Jammer eigenlijk, want de zon breekt ineens door. We koesteren ons nog even zwetend in het warme licht voordat we ons in de schaduw begeven.

Eenmaal weer in het bos kronkelt het pad naar een dal, waar het Wahlfahrtsort Gottsbüren ligt. Het dorpje was in vroeger eeuwen een pelgrimsoord. We worden begroet door het zachte gehinnik van twee wonderlijke paarden met enorme neusgaten. Daarna door een koppel snaterende maar wat melancholieke ganzen. En vervolgens klinken de geluiden van onzichtbare kraaiende hanen met wat loeiende koeien op de voorgrond. Alsof we in het sprookje van de Bremer Stadsmuzikanten zijn beland. Middenin het dorp staat een luthers kerkje met de bedenkelijke architectuur van rond 1900. Maar nergens een café of restaurant. Laat staan een Konditorei, waar we zo langzamerhand toch wel recht op hebben. Dan maar water inslaan voor de lunch. Dat doen we bij de kraan van het Friedhof, een beproefde gewoonte nu al 38 jaar. Het zonnetje schijnt nog steeds. De rugzakken gaan af, jacks en truien uit, blote armen alom. Jolanda masseert de rug van Anita. Ondertussen is er uitgebreid telefonisch contact met het thuisfront.

De route loopt door een mooi dorp met opvallend veel vakwerkhuizen. De voorbije eeuwen zijn nog steeds aanwezig in de oud-Duitse teksten op de eikenhouten balken in de gevels. Jaartallen en spreuken over de bouw. Niet zelden met gelovige vermeldingen van de toenmalige dankbare bewoners. Mit Gotts Hilfe erbaut. Zoiets wist men vroeger zeker. An Gottes Segen ist alles gelegen. We passeren een boerderij met een oude ronde poort, omwingerd door wijnranken. In de geopende ruwhouten deuren kijkt een jonge vrouw nieuwsgierig naar ons. We roepen “Was wohnen sie schön!” “Ich bin auch glücklich!” antwoordt zij.

We klimmen uit het dorp over een asfaltweg omhoog naar een door molshopen doorploegd sportveld met een open blokhut. Freizeitsgelände staat op de kaart. Dit was een comfortabele kampeerplek geweest. Hoewel... geef ons maar een obscuur bebladerd plekje diep in het bos. We betreden opnieuw een grote kale grasvlakte. Ik noteer Grosze Beckerseite, maar weet niet waar ik die wijsheid vandaan heb. Bij een houten schuur midden in het land pauzeren we even om te genieten van het mooie uitzicht. Wat is trouwens de functie van dit mysterieuze bouwwerk, dat voorzien is van een soort zendmast? We proberen naar binnen te gluren, JW neemt zelfs een foto door een gat in de deur, maar we komen er niet achter. Buiten staat een groene bank en er zijn zitplaatsen op een oud muurtje en op een houten hek. In de verte loopt een grote kudde schapen. Middenin de grasvlakte staat een prachtige eenzame boom, meteen geschikt voor een natuurkalender. Weldadige rust overal. Hèt moment voor een stuk arretjescake, een jaarlijkse traditie van Jolanda. Daar knap je van op. Waterflessen gaan rond voor droge kelen.

De lange open landweg eindigt in een kleine bossage. We komen een groepje gelukzalig kijkende vrouwen-in-de-overgang tegen. Zij dragen zitmatjes onder de arm en zijn ongetwijfeld onderweg naar een heksensessie van esoterische allure. Zij komen van een Gasthaus even verderop in het gehuchtje Sababurger Mühle. Het blijkt privé, dus geen plek om koffie te drinken. In een weiland opzij van het huis lopen een paar oerlelijke poelepetaten. Van achter een schuur horen we er meer. Op wat menselijk gegak van onze zijde antwoorden ze met opgewonden kakelen. Tot de eigenaar ons komt vertellen dat we daarmee de agressie van dit pluimvee opwekken en wel zodanig dat ze elkaar gaan aanvallen. Beschaamd lopen we door. JW fotografeert een dode rat, die langs de weg op zijn rug in de modder ligt. Ik hou niet van dit soort foto’s. Is er niets vrolijkers?

Dat is er inderdaad. Want lopend langs een bosrand ontwaren we op een heuvel in de verte een kasteel met twee torens. Het is het Donröschenschloss Sababurg, 675 jaar oud. Het stond model voor het sprookje van Doornroosje van de gebroeders Grimm. Aan de voet is er een dierentuin. Gedeeltelijk langs een oude bemoste muur leidt een voetpad omhoog naar het kasteel. Er blijkt een restaurant te zijn met een buitenterras dat op dit moment van de dag volop in het zonlicht staat. We betreden het kasteel via een oude poort. De rugzakken gaan af en we nestelen ons op het terras.

Achter en tussen de torens is een ruïne, die netjes gerestaureerd is. Een ordentelijke serveerster van middelbare leeftijd, opgestoken haar, witte schort, wollen sokken en zwarte schoenen brengt koffie, thee, chocolademelk en bier rond. Paul en ik nemen een Köstritzer Schwarzbier vom Fass, wat gezien de omstandigheden een goede keuze is. Op de voet van mijn glas staat in gulden letters “Das Original”. Vrijwel iedereen zit achter een stuk Stachelbeeretorte. Want bij Doornroosje horen kennelijk vooral stekelige kruisbessen.

Ondertussen bestuderen topografisch geïnteresseerden de stafkaart met het oog op een overnachtingsplaats. We vullen voor zover nodig onze waterflessen in de toiletten van het restaurant. Daarover hoeven we ons straks geen zorgen meer te maken. De hall staat vol met curiosa over de gebroeders Grimm. Die zijn in deze buurt een toeristische trekpleister van jewelste. Evelien, altijd alert op het groepsproces, constateert dat er vandaag niets van een lunch terecht is gekomen. Zij gaat onbekommerd met de broodplank op de grond wat voedzaam bruin brood aansnijden om hongerige magen te vullen. Want zo meteen moeten we weer verder.

Dat kan allemaal wel waar zijn, maar wat is het hier fantastisch! Kijk eens naar die eeuwenoude muur bedekt met klimop in de mooiste tinten! Voel eens de gezelligheid! Ruik eens aan de heerlijke dranken die men hier serveert! Wie weet wat voor ellende ons straks nog te wachten staat…
Kortom, we bestellen nòg een rondje, voornamelijk bier, met hier en daar zelfs een kom soep. JW loopt rond met zijn camera om buiten en binnen impressies op te doen. Die krijgen zeker een plaatsje in het TT‑boek van dit jaar.

Als we pas rond vier uur de rugzakken omhangen begrijpen de kaartlezers dat je deze groep niet te lang meer moet beproeven. Een dik half uur lopen, vrijwel horizontaal, brengt ons via wat weilanden naar de verderop gelegen wouden van het Staatsforst Veckerhagen in de buurt van de Papenköpfe (366 m). Ik noem die locatie maar even voor wie dat later nog eens wil opzoeken.

Op een brede bosweg pauzeren we bij een stapel bomen om, zoals gebruikelijk, in de omgeving een kampeerplek te zoeken. Er passeert ineens een jeep met een boswachter en daarna nog een personenauto. We weten: het is een zaterdag in oktober, dus dè dag voor fanatieke jagers. Al zijn ze gauw uit het zicht verdwenen, het is toch verontrustend. We duiken snel het bos in, strompelend over diepe karrensporen die ook hier vol water staan. We passeren een Hochsitz, van waaruit jagers hun prooi plegen neer te knallen. Ook niet iets om gelukkig van te worden. Verder lopen dus. Tenslotte vinden we, stappend over stronken en greppels, een hoog beukenbos, dat heel geschikt lijkt voor een overnachting. En dan gebeurt er iets dat het verloop van deze trektocht ingrijpend zal beïnvloeden.

Jolanda struikelt vlak voor de eindstreep van deze dag in een diep karrespoor en verzwikt haar linker enkel. Misschien is het nog erger, maar daar durven we op dat moment niet aan te denken. Ze blijft een tijdje liggen en heeft kennelijk behoorlijk pijn. Wat nu? Ze is wel zo verstandig om rustig te taxeren wat er aan de hand kan zijn. Het lijkt geen breuk. Gelukkig is onze kampeerplek zo’n 50 meter verder. Dus vermant zij zich en strompelt daarheen, ondersteund door anderen. Misschien dat een toevallig aanwezige zwachtel of steunkous wat helpt. Ze houdt zich verder kranig. Zien we morgen wel verder? Er zit niets anders op. Dat ze de tocht kan vervolgen lijkt nu al uitgesloten.

Het is eigenlijk vroeg in de avond en nog helder weer. We besluiten in verband met jagers en boswachters met het vuur te wachten tot de duisternis valt (alsof je een kampvuur in het donker niet kunt zien...). En we hebben een smoes klaar, voor als deze lieden komen opdagen: “Sehen sie doch diese beklagenswertige Frau. Leider hat sie ihren Fusz gebrochen. Deshalb könnten wir nicht weiter gehen!” Voor dit argument moet toch elke weldenkende jager gevoelig zijn.

Omdat we ook geen water hoeven te halen daalt er een weldadige rust over de groep. Tijd voor een uurtje gezellig borrelen, zittend op boomstammen. Ik trek mij even terug op mijn driepoot om dit logboek bij te werken. Evelien gaat ondertussen een macaroni met (thuisgemaakte) pesto brouwen. We eten dit keer, een unicum, bij daglicht! Zodat we ook eens kunnen zien wat de pot schaft. Die pesto is heerlijk. Ik probeer voor de TT‑historie ook dit recept te reproduceren: pureer 5 tenen knoflook, 2 ons stukjes Padanokaas (een droge kaassoort), wat zout en peper tot een net vloeibare wat korrelige massa. Voeg daarna al purerend 2 dl olijfolie, 1 ons pijnboompitten en de fijngesneden blaadjes van een pot verse basilicum toe tot een vloeibaar geheel. Simple comme bonjour.

Pas om kwart voor zeven, tijdens de afwas, kringelen de eerste rookwolken van het kampvuur omhoog en kunnen we weer van een avondje gezellige saamhorigheid genieten. Albert heeft een ideale kampvuurplek gekozen. Een ondiepe kuil dichtbij een lange omgevallen beukenboom, die nu dienst doet als zitplaats voor enkele hoogzitters. De rest schaart zich op zitmatjes rondom het vuur. Als de thee rondgaat klinken onze gesprekken in het beukenbos luid op, al merken we daar zelf niets van. Het is ineens donker. Welke jager waagt zich nog op dit tijdstip op deze zompige hoogvlakte met zijn verraderlijke sleuven en greppels? Met deze gedachte troosten we ons in stilte.

Rond half elf uur ga ik naar de tent. Els volgt mij na een tijdje. Veel later komen ook Georgine en Albert. Wij slapen dit jaar met z’n viertjes in de tunneltent, geleend van JW. Als ik omhoog kijk zie ik boven de boomkruinen sterren glinsteren in een vredige avondhemel. De maan is nog niet opgekomen. Die toont zich pas later in de nacht aan degene, die zich uit de tent waagt om een plasje te doen. Dan kraken de takken en klatert het water, waarna het weer doodstil is. In de verte hoor ik de eenzame roep van een uil. Als ik heel vroeg in de morgen lig te hanewaken klinken er een paar schoten. Hoe zit dat toch met die jagers? Dan zak ik weer weg in een laatste sluimer.

’s Morgens bij het opstaan ervaar je een kampeerplek anders dan de dag tevoren. In de namiddag zoek je een horizontaal plekje, liefst onder loofbomen en hoog gelegen en je richt je aandacht op het opbouwen van het kamp, de kampvuurplaats, de watervoorraad en de kookperikelen. Voordat je het weet valt de duisternis in, wordt de kring kleiner en ben je overgeleverd aan het vlammenspel en je zaklantaarn.

Hoe anders is de vroege morgen. Je ritst de tent open, kruipt eruit, richt je op en je kijkt om je heen.
En hoe bijzonder is de dageraad op deze zondag de 12e oktober. Om het hoge beukenbos waar wij kamperen is een tedere, bijna poëtische rand van jonge bomen die nu in een warme oranjegele gloed zijn gehuld. Een kleurrijk samenspel van opkomende zon en ochtendnevel. “Oh, what a beautiful morning.” Als de nevel opgetrokken is en de zonnestralen breed ons bos doordringen, dringt ook de werkelijkheid van deze laatste trektochtdag tot ons door. In ieder geval wordt het mooi weer. Maar wat is het plan?

Jan Willem heeft, ongetwijfeld na een nacht tobben en empatisch bevragen en betasten van zijn Jolanda, dat plan al getrokken, zodat een verwarrende discussie over alternatieven uitblijft. Jolanda kan, gezien de toestand van haar enkel, niet meer verder. Zoveel is zeker. We bevinden ons nu op een kleine dagafstand van Reinhardshagen aan de Weser. Daar staat volgens de oorspronkelijke opzet een van de auto’s. De andere twee lieten wij achter op het parkeerterrein van Bad Karlshafen.

We verdelen ons na het ontbijt in drie groepen. De verzwikte-enkelgroep van JW en Jolanda: die blijft met tent en rugzakken hier achter tot ze later met een van de auto’s worden opgehaald. De chauffeursgroep Ron, Evelien en Albert, toevallig ook vitale snelle lopers, gaat in hoog tempo naar Reinhardshagen, halen met de auto die daar staat de twee andere auto’s op, evacueren JW en Jolanda, rijden dan weer naar Reinhardshagen om de rest van de groep op te pikken.
Tenslotte loopt die restgroep, tot zeven personen uitgedund, in gewoon tempo naar Reinhardshagen en maken er nog een mooi TT‑dagje van. Als alles goed gaat treffen ze daar de drie auto’s aan en is het klusje geklaard.

Daarna sluiten we deze toch wel bijzondere, want korte TT af met een slotmaaltijd in Bad Karlshafen. Waar blijft trouwens de tijd dat we zes dagen onderweg waren? Toch is iedereen dankbaar dat het dit jaar in ieder geval gelukt is überhaupt een trektocht te ondernemen. En dat nog wel met twaalf personen! Inmiddels heeft Paul aangekondigd vanavond met zijn Anita naar huis te gaan. Hij ziet een vervolg zonder haar eigenlijk niet zo zitten. Ook Els haakt in bij de afzwaaiers. Bij beiden zal het autovervoer naar huis ook een rol spelen. Nu ook Jolanda en Jan Willem stoppen gaan twee van de drie auto’s terug. Het lijkt tragisch, want nu blijft alleen de groep Sierink/Das over. Maar die zijn vast van plan nog twee dagen te blijven, nu zij hier toch zijn. De kaarten zijn dus geschut.

De chauffeursgroep gaat op pad en is al snel uit het zicht verdwenen. De resterende groep neemt afscheid van Jolanda en JW en vertrekt in een kalm tempo eveneens in zuidelijke richting. Het duo J&JW blijft wat treurig achter, in afwachting van evacuatie. Jan Willem zou JW niet zijn als hij deze passieve uren niet zou benutten. Zijn enige speelgoed, nu ook zijn geliefde is uitgevallen, is zijn camera. Dus sjouwt hij urenlang rond het kampement op jacht naar mooie natuuropnamen. De meest wonderlijke paddenstoelen, simpele herfstbladeren, glanzende sparappels, kleine takjes, een enkel bloemetje, varens en mossen: alles fotografeert hij. Want deze neef heeft een artistiek oog voor prachtige details.

De overblijvende TT'ers volgen de Weserberglandweg verder zuidwaarts door het Reinhardswald. Ergens is hier volgens de kaart de Deutsche Märchenstrasse. Dat klinkt zo toeristisch dat het wel een asfaltweg moet zijn. Maar een sprookjesachtige sfeer hangt wel in de bossen om ons heen. We verlaten het hogere gedeelte van het bosgebied en dalen geleidelijk af naar het brede dal van de Weser. Op een bepaald moment moeten we over een beekje, de Mölmbach, dat helder en vrolijk kabbelt door een diep ingesneden dalletje. Glibberen naar beneden, dan over stenen stappen en weer steil omhoog. Het is eigenlijk de enige beekovergang op deze tocht. Ik blijf midden in de beek even staan en prevel het gedichtje uit mijn schooltijd: Ein Wiesel sasz auf einem Kiesel im mitten Bachgeriesel. Geen wezel te zien. Het is misschien de associatie met het woord Weser dat door het hoofd van deze 80-plusser spookt.

Rond de lunchtijd bereiken we het Weserdal. We bevinden ons aan de rand van een aflopende zonovergoten weide, vanwaar we uitzien op een arcadisch landschap, dat zich uitstrekt aan de westelijke oever van de rivier. Mooie plek voor een simpele picknick, liggend in het groene gras. We kijken uit op het dak van een mooi oud landhuis dat aan de weg ligt. We weten niet dat tijdens deze rustpauze over die weg daar beneden, Evelien, Ron en Albert met de auto passeren. Later horen we dat zij ons op de bergweide tegen de bosrand zagen zitten. We eten en drinken wat en nemen alle tijd om te luieren en te kletsen. Nog even genieten van de nazomer.

Na deze picknick lopen we in opgewekte stemming verder over een Höheweg, die parallel aan de rivier naar onze eindbestemming leidt. Het pad staat aan beide zijden vol van reuze springbalsemien. Soms wel twee meter hoog, met grote bloemen in verschillende kleuren roze. In deze tijd van het jaar hangen zij berstensvol dikke zaaddoosjes, die al met een klein kneepje open ploffen en hun zaadjes verspreiden.

Als we halverwege de middag in het rivierdorpje Reinhardshagen aankomen zijn de auto’s van Evelien, Ron en JW zojuist gearriveerd, zodat ons eindeloos wachten wordt bespaard. Rugzakken af en in de auto’s geladen. Het is nog steeds prachtig weer. We besluiten niet direct naar Bad Karlshafen te rijden, waar we traditiegetrouw met een maaltijd het einde van de tocht willen vieren. Beter is het onderweg nog ergens iets te gaan drinken. Iedereen is het daarmee van harte eens. De locatie was door de heren chauffeurs al uitgekozen. Zo parkeren we even later bij Gaststätte Onkel Palms Hütte met een terras aan de Weser. Dat zit helaas vol bezoekers. Maar vóór het etablissement is nog voldoende ruimte voor deze groep voldane trektochters, die het er nog even van willen nemen. We zitten er bovendien vrij ongestoord.

Dat is ook nodig. Want nadat iedereen voorzien is van een drankje - met bier als hoofdmoot - staat Jan Willem op en kondigt aan dat er dit jaar maar liefst vijf jubilarissen in ons midden zijn! Iedereen kijkt in lichte verwarring om zich heen: “Ben ik het, meneer?” Goed idee trouwens zo’n huldiging hier te doen en niet straks tijdens het diner, waar mogelijk meer publiek om ons heen is. Slechts een bejaard Duits echtpaar aan een tafeltje naast ons luistert mee met een half oor.

Els, die zelf ook jubileert, heeft voor iedere jubilaris een werkelijk schitterende legpenning gemaakt, die aan een lint om de hals wordt gedragen. Elke penning heeft een eigen in reliëf uitgevoerde ingekleurde TT‑afbeelding. Een veldflesje met een branderschermpje. Of een rugzak, een blauwe en een roodbruine, een bergschoen, een eenstokstentje. Prachtig gedetailleerd uitgevoerd. Ten overvloede ook nog één (met zelfs twee bergschoenen inclusief de veters) voor oom Jan. Die heeft er met zijn 34 tochten nog geen recht op. Maar stel dat dit zijn laatste tocht is, dan is het in ieder geval een lief gebaar.

Jan Willem, met zijn 37 van de 38 tochten onbetwist de nestor van onze groep, spreekt bij het uitreiken van de trofeeën iedereen hartelijk toe. Wie zijn de gelukkigen?

Jolanda: 20 jaar
Irene: 25 jaar
Els: 30 jaar
Evelien: 30 jaar
Georgine: 30 jaar

Behalve de penning krijgen de jubilarissen een door Els gemaakte witlinnen zak met een grote TT‑foto erop. Georgine ontvangt als extraatje nog een drinkbeker met daarop een TT‑foto. Die beker was eigenlijk al vorig jaar gemaakt, maar toen bleek zij te elfder ure verhinderd mee te gaan. Dus al met al een onverwachte overvloed aan originele kunstwerken. Zij geven aan deze trektocht een bijzondere betekenis. Oom Jan kan na die uitgebreide prijsuitreiking het niet nalaten ook aandacht te vragen voor een dubbel jubileum van zijn dochter Irene. In 1964 ondernamen zij beiden een rugzaktocht naar Luxemburg. Dus is zij nu - naast 25 jaar TT'er - al 50 jaar rugzakker!! Zij neemt met een big smile deze onverwachte hulde in ontvangst en krijgt van haar vader een houten hart omgehangen, beplakt met foto’s van toen en nu.

Na dit gezellige en historische intermezzo begeven wij ons naar Bad Karlshafen, begin- en eindpunt van deze trektocht. Terwijl daar de rest van de groep na het parkeren van de auto’s geduldig wacht op een bankje aan de rivier, zetten de Dassen op het grasveld van de camping aan de overkant hun tenten op. Want zij blijven, zoals vermeld, hier nog twee nachten.

Daarna lopen we tezamen naar het Gasthof Zum Landgraf Carl, gelegen in het midden van het dorp aan de centrale tijdelijk drooggelegde haven. Het carillon van het verderop gelegen Rathaus speelt het bekende kampvuurliedje Die Gedanken sind frei. Nou, laat dat maar aan deze vrijgevochten trektochters over. Die betreden welgemoed het restaurant en krijgen een aparte ruimte toegewezen. De tafel is gezellig en uitnodigend gedekt en opgefleurd met kunstig gevouwen herfstservetjes. Dat krijg je als je tevoren reserveert. De uitbaatster is een vriendelijke en zorgzame oudere dame, die kennelijk plezier heeft in dit onverwachte Hollandse gezelschap.

We bestellen voor elk wat wils uit een ruim aanbod aan schotels. We nemen de tijd om er een vrolijke familiehappening van te maken. Laten de foto’s voor zichzelf spreken, zoals alle foto’s die de afgelopen paar dagen genomen zijn door JW en Els. Ongetwijfeld vele honderden. Ik vraag mij af of een verslag zoals hierboven is opgetekend in onze moderne beeldcultuur dan nog wel nodig is.

Het is al donker als iedereen verzadigd is en de auto’s opzoekt. De chauffeurs gaan een lange tocht tegemoet van ruim 400 km door een donkere nacht. Ron, Irene, Georgine en oom Jan wandelen terug naar hun camping aan de overzijde van de rivier. Met misschien wat weemoed om het afscheid, maar vooral blij over het uitstel van het verblijf in het Weserbergland. Hen wacht morgen nog een forse wandeling in de bosrijke omgeving, afgerond met een etentje in restaurant Zum Fürstenkrug, eveneens aan de haven. En overmorgen een tocht naar de Rattenfängerstadt Hameln na wederom een wandeling, in de buurt van die stad. Ik ga die laatste ochtend nog even naar het Hugenotenmuseum, tegenover het Rathaus van Bad Karlshafen. Ik ben de enige bezoeker.

Als Ron mij een uurtje later oppikt voor de reis naar Hameln speelt het Rathauscarillon ten afscheid Beethovens "Alle Menschen werden Brüder". Met een mooiere gedachte kun je deze onbekommerde 38e trektocht temidden van de huidige turbulente wereldgebeurtenissen niet afronden!

Oom Jan