TT‑verslag 2013-TT37
"Edersee-Kellerwald"
Trektocht in midden Duitsland van 19-23 oktober 2013 - rond de Edersee: een deel van de Kellerwaldsteig - met 9 deelnemers: Jan Willem&Jolanda, Ron&Irene, Evelien&Peter, Herman&Joyce en Els
Peter Pi - thesaurierTT‑route 2013
Joyce - mannequin
Irene - core business
Herman - hoogtepunten
Jan Willem - lijfarts
Jolanda - diëtiste
Ron - promillageprof
Evelien - meesterbrander
Els - geoplanning
zaterdag - 11,9 kmTT37-stats
zondag - 13,6 km lopen + 6,0 km varen + 0,6 km kabelbaan
maandag - 13,8 km
dinsdag - 16,8 km
woensdag - 10,6 km
Utrecht - Kellerwald 360 km (5 uur)
Kellerwaldsteig: 73,3 km (4 wandeldagen)
2 restaurants (* en ***)
temp: 8℃ - 22℃ - zwaar bewolkt - zon - regen op laatste dag
Peter en ik worden op zaterdagochtend vroeg opgepikt in Driebergen, in het huis dat we net betrokken hebben. Het huis moet natuurlijk wel even bekeken worden, voordat Herman, Joyce en Els met ons in de auto stappen om op weg te gaan naar Hünxe voor een pitstop met koffie. Voor degenen die die koffie te ver weg vinden hebben Herman en Joyce een tas ingepakt met thermoskannen, bekertjes en koeken. De reis gaat voorspoedig en we kletsen lekker een beetje bij. Bij Dortmund is er even verwarring: moeten we doen wat de Tomtom zegt of wat Peter zegt die met de kaart op schoot achterin zit? Herman besluit de Tomtom te volgen die waarschijnlijk een shortcut geeft via een tweebaansweg. Na een paar kilometer verschijnen er borden met Umleitung en worden we gedwongen een afslag te nemen en borden te volgen die het meest lijken op de Japanse vlag. Dat levert wat spanning op in de auto; gaat dit wel goed?? Ondergetekende is vol vertrouwen, ook als de Japanse vlag en de Tomtom elkaar tegenspreken maar anderen twijfelen bij ieder kruispunt: Japanse vlag volgen of ons richtingsgevoel? Ik herken het: het is een typisch TT‑gevoel om je daar gezamenlijk druk om te maken! Verder geen noemenswaardigheden, behalve misschien de curieuze uitroep van Els: Zit ik nou in mijn eigen gat?? Maar waarschijnlijk had het te maken met de worsteling met haar veiligheidsriem waar ze op dat moment middenin zat.
Aankomst op het startpunt. Het voelt vertrouwd. Beetje rommelen met rugzakken, schoenen aan, laatste lekkernijen die niemand in zijn rugzak wil stoppen worden uitgedeeld; hierbij komt ook een zakje met chocolaatjes voorbij waar de naam van Oom Jan rond omheen zoemt. Dank OJ!
De rugzakken worden gewogen, met een supersonisch apparaatje van Herman (unster 2013) en daar kwam het volgende uit:
Herman 17.4 - Jan Willem 20.7 - Jolanda 17.5 - Evelien 17.2 - Els 11 - Joyce 14 - Ron 20.7 - Irene 19.3 - Peter 14.5
Hierbij moet wel opgemerkt worden dat Ron en Irene de maaltijd voor de eerste avond in hun rugzak hadden en Jan Willem en Jolanda de maaltijd voor de tweede. Hun lijden werd in de loop van de tijd dus iets verlicht.
Om 13.30 bij een temperatuurtje van 20.5 graden wordt het sein OMHANGEN gegeven. Over de brug gaan we naar Herzhausen aan de andere kant van de rivier.
We lopen over de 'boulevard' stroomopwaarts als voorspel voor een lange klim. Die hakt er meteen aardig in. Het zweet stroomt over verschillende delen van onze lichamen (is het jullie wel eens opgevallen dat iedereen zo zijn eigen favoriete zweetplekjes heeft? Jan Willem bv altijd op de overgang van rug en kont en Irene viel mij op had een mooie plek boven tussen haar schouderbladen). Bovenop bij een kruispunt worden de rugzakken even afgezet bij een picknicktafel. Een deel van de groep maakt hiervan gebruik door even te gaan zitten, een ander deel kiest voor een ander genoegen, namelijk dat van de zon op onze bezwete ruggen. Een briesje steekt op en als vanzelf spreiden onze bovenarmen als vleugels naar een horizontalere positie waarin het briesje de geuren onder onze armen zachtjes kan verwaaien. Nog even iets lekkers erin en we kunnen weer verder.
Naar beneden, door een dorpje en langs een riviertje weer omhoog. Daar ontdekt Peter de eerste Kläranlage, een waterzuiveringetje waar hij foto's van maakt om zijn collega's blij te maken. We horen kraanvogels overvliegen en terwijl we wachten op JW in de zon eten we Tony Chocolony. We kunnen het wel gebruiken, want het is een pittige eerste dag en het is al half vijf terwijl we eerst nog naar Basdorf moeten om water te halen en daarna nog een plekje moeten zoeken in het bos.
Om 17.00 uur komen we in Basdorf aan. Er is gelukkig nog een café/restaurant open. We moeten buiten op het terras zitten, want binnen is al gedekt voor het diner. We zitten net niet meer in de zon, maar ook in de schaduw is het nog best aangenaam. We bestellen 3 kruidenthee en 6 Hefeweissen (3x raden wie wat bestelde …) en als we geweten hadden dat dit de laatste Hefeweissen zou zijn tot het afscheidsdiner, hadden we er vast nog één genomen! Herman vertelt dat door de jaren heen het katoen van zijn beroemde houthakkersshirt steeds een beetje verder krimpt. We laten hem maar in die waan. Aan de overkant van de weg staat een heel oude lindeboom uit 1527: de Gerichtslinde. Er staat een houten constructie omheen en de stam is een natuurlijk kunstwerk van deelstammen die om elkaar heen groeien. Basdorf is al meer dan 800 jaar oud en er is vast veel gebeurd unter den Linde.
Maar we moeten snel weer verder. De schemering begint al voorbodes vooruit te sturen. Er is een Schutzhütte net buiten het dorp, maar hij ligt in de wind en in het zicht van het dorp, dus dat is geen geschikte plek voor ons. Even verderop is er nog een hut bij de parkeerplaats van de sportvelden, maar er staan 4 auto's op de parkeerplaat, dus ook deze plek valt af. Het bos ziet er weinig belovend uit: jong loofbos en lariksen. Ron vindt toch een plekje. Beetje bubbelig, beetje donker, maar redelijk uit de wind. Het schemert al. Snel tentjes opzetten en hout zoeken voor het helemaal donker is. Herman krijgt een vuurtje op gang, JW en Evelien sprokkelen hout. Het is alsof we nooit zijn weggeweest. Ron presenteert de eerste gang: plakje vijgenbrood met kaas en een goede 10-year old port erbij. Het hoofdgerecht bestaat uit Algerijnse Foezel. Volgens Ollie B. Bommel een gerecht van discutabele kwaliteit vanwege de onduidelijkheid van de ingrediënten, maar er zit in ieder geval courgette in vertrouwt Irene ons toe, dus wij doen verder niet moeilijk. Beetje citroen erdoor en olijfjes met knoflook en koriander erbij; we laten het ons goed smaken. De Turkse broden zien er na een dag rugzak uit als 2 vliegende schotels die een vreselijk ongeluk hebben gehad, maar ook dat mag de pret niet drukken. Heerlijk!
Jan Willem tovert 2 dingetjes uit zijn zak bij het kampvuur. Ze komen uit de studeerkamer van mijn vader. De eerste is een echte sigarenkoker. Van dun hout. Hij mag het vuur in om dat te helpen om op gang te komen. Het andere is een houten lepel. Zo een die eigenlijk hoort bij een nap. Mijn vader heeft deze in een ver verleden eigenhandig, en hem kennende met veel geduld, gemaakt voor Hermien, zijn grote liefde. De steel is een beetje krom (per ongeluk of expres). Het uiteinde eindigt in een hartje. Het weer zit er een beetje in. De lepel gaat van hand tot hand. Allemaal even voelen hoe glad hij voelt en ieder deelt nog een herinnering aan deze bijzondere man die mijn vader was. Verhalen over zijn ongeëvenaarde talent om te slapen, zijn manier om zijn gezag te laten gelden met een enkele blik, zijn liefde voor hout en vuur, over de zeldzame momenten dat er iets misging en men bijna niet durfde lachen (alleen Oom Wim ging gewoon voluit), verhalen over kamperen, de kampeerkist, de botlijn op het wad en de gebakken visjes bij de tent. We zijn het niet vergeten. De lepel mag van Jan Willem het vuur in. Voorbij is voorbij.
Dan hebben we nog Joyce op de catwalk. Zij showt ons, begeleid door de tonen van de Pink Panter, haar laatste TT‑creatie. Geheel in stijl toont zij een tweedelig multifunctioneel setje van het aller-lichtste dons. Een jasje met bijbehorend aanklik onderrugwarmertje, tweezijdig wegritsbaar, zowel los als vast toe te passen en om te ritsen tot, naar smaak een lange jas of een benenwarmer over de slaapzak. En dit alles met als basismateriaal slechts 2 donzen jackjes van 12.50 euro per stuk bij de macro en enige drukknoopjes. Wij zijn allen diep onder de indruk en stinkend jaloers. Want wie van ons denkt bij de voorbereiding van de TT verder nog aan slimme oplossingen voor de koude onderrug en billen die ook bij een mooi kampvuurtje toch onvermijdelijk zijn?
Het is 20.00 uur. Ik ben moe en het bed lokt. Ik begin een beetje rozig te worden. Ik luister naar verhalen van mensen die nachtmerries hebben van de campingmargarine uit onze jeugd. Een deel van mij geeft zich over aan een slaperige roes. Jan Willem naast mij laat ineens het woord 'pekeltje' uit zijn mond vallen. Vervolgens ontstaat er bij het kampvuur een soort zachte rondzang als een eeuwenoud ritueel, waarin de woorden pekeltje, bekertje en juttertje de hoofdtoon voeren. 5 Minuten later zit iedereen met een klein bekertje in zijn hand en tevredenheid daalt op ons neer. Verdere herinneringen aan die avond zijn niet in mijn geest opgeslagen.
Het was een warme nacht. En ja, zoals meestal de eerste nacht van de TT slaap ik niet best. Lang wakker liggen en dan een periode van licht slapen, weer wakker zijn, toch weer even geslapen en tussendoor even naar het tentdoek kijken of het al licht wordt. Als ik eindelijk het gevoel heb dat ik ‘lekker lig’ gaat Herman al aankleden en slaapzak met matje opruimen. Die zal wel alvast lekker in het bos wassen e.d. Nou, ik zie je later wel en trek de slaapzak nog over mijn oren.
“Hebben jullie nog brood!.... HEBBEN JULLIE NOG BROOD?”
Met een schok word ik wakker en kan nog net beschaafd mompelen tegen Evelien dat wij dat niet hebben.
Jezus, wat mis ik Oom Jan op dit moment. Als geen ander kan hij zo goed ‘in de verte’ aanwezig zijn ’s ochtends vroeg. Vaak samen met Els al zacht pratend en kirrend van plezier de TT ochtenden opluisteren met achtergrond geluiden. Als een zachte wekker die mij altijd het signaal gaf: “O ja, ik sta in het bos, TT, mijn tent uitkomen, zorgen dat mijn beker bij de pan met heet water komt voor de thee/koffie.”
Met de koffie beker in de hand klaart langzaam de mist op uit mijn hoofd. Er zijn meerdere slechte slapers maar ook zijn er bij wie je een kanon kan afschieten naast de tent zonder dat ze ook maar iets van een ooglid optrekken.
De pen voor het verslag wordt overhandigd van Evelien naar mij. Met een geruststellende opmerking van Ron dat ik niet alles hoef te onthouden en dat ze me accepteren zoals ik ben zal ik tocht trachten zoveel mogelijk een TT‑waardig verslag te maken.
Rond 10.00 uur is er nog uitgebreide discussie over de route. Varen of lopen? Met een boot over de Edersee en een stuk afsnijden van de route. Wat is de invloed hiervan op de geplande kampeerplek en de hoeveelheid kilometers die we dan nog moeten lopen. Wat zal het zijn, de blauwe of de rode route. De meeste zien het varen wel zitten.
Ongeveer 10.30 uur vertrekken we en gaan door een mooi bos met veel losliggend blad.
We lopen over een pad op hoogte, langs de begroeide rotshelling van het stuwmeer. Het geeft fantastische uitzichten op het landschap en we zien dennen die zich op wonderlijke wijze aan de rotsige grond vastklampen.
11.15 Het plaatsje Scheid. Hier hopen we mee te kunnen met een dubbeldeks schip dat volgens Els hier aanlegt. Els heeft thuis al aardig wat geGoogled op de route en deze voorbereiding werpt zijn vruchten af. Want zowaar de boot komt om de hoek aanvaren! Het is 11.25 uur. Het is niet duidelijk waar de boot gaat aanleggen. We kunnen het haast niet geloven. Op zondag en volgens het vaarschema van Els zien we hoe precies op tijd de neus van het schip de oever opschuift. Spuugt een 20tal mensen uit en stappen wij aan boord. Peter regelt bij de kassa de betaling van 9 x 4.50 euro. Voor 30 minuten varen tot Waldeck.
De boot vaart echt heel geruisloos. Door de koffie is het voor Ron nog net uit te houden om op de boot te zijn. Hij heeft last van 65+ stoffigheids gehalte van de mensen aan boord. Hij gaat liever 10 km lopen i.p.v. 30min. varen. Ik ben blij dat Ron zich zo ‘opoffert’ voor ons...
Ik vind de afwisseling leuk. Aan de ene kant een oever die lijkt op de kust bij Dover en aan de andere oever een zacht glooiende opgang van bruin naar groene kleuren waar je ook de lijnen herkent waar de verschillende water standen zijn geweest.
De Duitse degelijkheid op de boot inspireert sommige tot nieuwe woorden. Zoals PLEURARIA, kleine niet zinvolle objecten in je kamer waar je steeds naar moet kijken. Ik hoor de naam van tante Gerda een paar keer langs komen maar moet bekennen dat bij mijn ouders ook een aardige verzameling pleuraria te vinden is. Dus misschien is het toch een soort van generatiepleuraria. Hopelijk is dit niet overdraagbaar via de genen.
Wat dacht je van GADSIDARIS, dat is als je het riool gaat bekijken. (Bij Herman op kantoor) of STUWVAARIS, een stuwmeer bij advisaris. Evelien heeft nog een mooi woord dat stond bij de opstap plaats van de boot; BADEGASTE STROMPOLIZEILICHE VERORDNUNGEN. Ik denk dat je daar gewoon goed moet uitkijken.
12.30 uur Halverwege de stijging van de berg richting Kasteel Waldeck gaan we lunchen. (op een tafel geschonken door Hans Dieter Heun). Het heet hier Ratzenburg. Het is nog steeds droog en benauwd warm. De eet ‘quota’ wordt goed in de gaten gehouden. Het aantal sneetjes brood zijn op de voorbespreking bepaald en we willen eens en voor altijd achterhalen hoeveel brood er mee moet. Met als toetje een Haags Hopje van Ron en Irene worden de etensspullen ingepakt. Dan vertrekken we 13.15 uur richting Sloss Waldeck. Ook hotel en restaurant.
Als we het bos uitkomen is daar een station van een kabelbaantje. Ron moet het weer ontgelden. Door veel vrouwelijke manipulatie stapt hij toch met onrustige benen in de kleine cabine om zo in 6 minuten tijd vele kilometers te ‘ont-lopen’. Met deze Bergbahn Waldeck zijn we boven aangekomen bij het kasteel. Daar gaan er een aantal het Schloss bekijken. Bij de toiletten halverwege wordt nog water ingeslagen want we gaan nu richting kampeerplek.
14.45 uur omhangen. Geen idee of we nu rood of blauw lopen. In elk geval gaat de route via de Zeigenberg, waar soms hele smalle gedeeltes zijn. Spannend voor Jolanda want ze moet hier heel goed opletten. Bij de Hermannshöhe loopt Jo ook alvast door om in concentratie rustig een kleine voorsprong te creëren. De rest gaat het uitzichtpunt bekijken. We roepen allen ‘hoogtepunt’ op verzoek van Herman die de foto neemt.
Verder op de route gaan we linksaf de berg op. Volgens JW heeft Jo vast deze bordjes gezien. Bij het stijgen komen we twee wandelaars tegen die geen vrouw met rugzak hebben gezien. Dus JW gaat terug en Evelien belt Jolanda. Gelukkig belt die net naar Evelien. Ze stond bij een weg en kreeg al argwaan. (Volgens mij heeft Jolanda niet zomaar een 6e zintuig maar een extra TT‑zintuig. Deze treedt in werking als haar actieradius verder af gaat van de groep).
Stijgend en weer compleet vervolgen wij de route. Bij een V-splitsing wordt een groep splitsing voorgesteld. Rechtdoor de korte afstand en rechtsaf wat extra meters om later bij hetzelfde punt uit te komen. Herman, Jolanda en ik nemen rechtdoor, de andere de omweg en met wat te vroeg doorsteken van dat clubje zijn we 25 minuten later weer bij elkaar. Ik kan me niet herinneren dat ooit op een TT de groep gesplitst is om verschillende routes te lopen.
17.50 uur. Er wordt gekeken naar een kampeerplek. Het is mooi vlak en ver genoeg af van het boswachters hutje vinden we een goede open plek. Jolanda installeert zich achter een boomstronk en gaat het eten koken. De geheimzinnige folie pakjes moeten ingeleverd worden en Els heeft eigen gemaakte oranjebitter. In het laatste schemerlicht eten we een heerlijk maal van Jo (en JW). Rijst met boontjes met kerriesaus en het pakketje dat blijkt een stuk notenbrood te zijn. Gevuld met pruimen, noten, geitenkaas, ui, tamme kastanje, courgette, ei en pecannoten. Op de rijst nog gebakken uitjes gestrooid en cranberry’s. Heel voedzaam, lekker en verrassend.
De GPS teller staat aan het eind van de dag op 21,5 km. Varen, vliegen en lopen. Volgens mij ook een primeur op de TT.
In het donker valt niet veel meer te noteren. Het is gezellig bij het kampvuur, niet koud en een lekker borreltje erbij. Aan het eind plassen Herman en Peter het vuur uit. De wind gaat steeds harder waaien. Evelien ontdekt bij haar laatste plasronde een grote zwam met allemaal naakt slakken. Zo, nu hopelijk lekker slapen en morgen geef ik de pen door aan Herman.
Ik heb de pen gekregen van Joyce, of moet ik zeggen potlood……
De persoon die ooit de naam Hermannshöhe heeft gegeven aan de mooie berg van gisteren moest eens weten wat voor insinuaties er allemaal niet gemaakt zijn over deze toch wel vriendelijke en burgerlijke Duitse naam!
En dat allemaal omdat ik, op verzoek van de fotograaf, als grap ‘de vieze man’ nadeed onderaan de berg bij het wegwijsbordje Hermannshöhe met iets als spermatozoïde of zo eronder. Die Reintjes gaan soms te ver met hun fantasie, dat is wel duidelijk. Ik ben vervolgens nogal onheus bejegend: je laatste hoogte punt, potloodventer, opa’s laatste kunstje, fijn dat je dat nog een keer mee mag maken…….Ik had het kunnen weten….Oom Jan is er een keer niet bij en het hek is van de dam!
Ik word wakker en Joyce beticht mij er ook direct van dat ik ‘s nachts ‘ademhaal’ in mijn slaap, en dat vond ze niet fijn. Ik heb het gevoel dat het niet mijn dag gaat worden. Als je lieve vrouw een probleem heeft dat je ademhaalt, dan gaat er iets niet goed! Als ik verbaas doorvraag wat ze bedoeld, omdat ik het niet direct als een probleem ervaar, blijkt het een synoniem van Joyce te zijn voor snurken. Ik heb blijkbaar weer op mijn rug gelegen en als een brommer door het bos gereden. Joyce kon dus weer niet slapen vannacht en gisteren ook al niet dus blijft nu maar even iets langer liggen. Na deze vriendelijke woorden en lieftallige glimlach van mijn echtgenote wordt het denk ik toch maar tijd om rap de tent te verlaten. Stram van de kou probeer ik snel mijn tent uit te komen, tot zover geen hoogtepunten vandaag.
Het is 13 graden (gewogen en dus betrouwbaar gemiddelde van Zwerfkei en Bever thermometer) buiten. Ik probeer mijn voeten in mijn schoenen te wurmen en de veters vast te maken. Voor mijn rug de meest moeilijke handeling in de vroege ochtend.
Buiten tref ik Ron aan die direct meld dat hij een teek op zijn been heeft, en op zoek is naar een tekenpen. Ik voel ook jeuk op mijn heup en ontdek tot mijn schrik een grote rode vlek met een klein zwart episch centrum. Kan er ook nog wel bij vanochtend!
Evelien en Jolanda zijn weer bezig met het ontbijt. Deze vroege vogels zijn vaak de ochtendploeg met broodsmeren. Fijn dat ze dat toch weer doen! Ik ga direct naar het kampvuur van gisteren en maak de vuurplaats weer netjes. Het is altijd een sport om hem zo achter te laten dat je niet meer kan zien dat er ooit een kampvuur heeft plaats gevonden.
JW heeft inmiddels zijn tekenscalp tevoorschijn gehaald. Als een volleerd chirurg zet hij zijn bril op en gaat aan het werk. JW haalt de teek deskundig uit de bilnaad van Ron voordat hij een ferme hap neemt in een boterham met pindakaas….
Nu ben ik aan de beurt. De bril van JW heeft toch te weinig sterkte en tot 4 keer toe prikt JW mis. De teek voelt nattigheid en duikt in de ondergrondse. Hij wurmt zich dieper en dieper in mijn vlees. Maar Els biedt redding met haar bril. Loepzuiver pakt JW nu in één keer de teek bij de kop en hij moet er aan geloven. JW inspecteert de teek op zijn tekenscalp, knijpt hem krakend kapot en sluit af met de woorden: ‘die zien we nooit meer terug!’
Evelien zoekt bij het opruimen van het kampement wanhopig naar een houten lepel, die gelukkig gevonden wordt tussen de bladen, met nog wat kerrie resten erop.
We vertrekken om 10.30 uur. De teken en buiken zijn goed gevuld.
We dalen af van de berg en Jolanda heeft moeite met het stenen pad vanwege haar verzwikte enkel. We hebben een blauwe stip gemist en moeten daardoor een doorsteek maken om weer op de route uit te komen. We eindigen beneden bij een saaie asfaltweg.
We lopen vervolgens een dorp binnen: Hemfurth en vinden een café en drinken koffie en cappuccino met Apfelstrudel. De cafébaas heeft een tweetal grappige honden. Een langwerpige teckel die je voor de achterdeur zou leggen als het tocht en een tweede hondje die een kruising lijkt tussen een Teckel en een Rottweiler. Deze tweede hond is direct mijn grote vriend en niet bij me weg te slaan, vooral omdat ik dicht bij de Apfelstudel zit.
We lopen weer het dorp uit en JW maant ons stil te zijn, want hij ziet twee herten in de verte. We kijken en geloven het direct. Na muisstil te hebben gestaan blijkt het een tweetal houtstronken te zijn. Iets zegt me dat onze aftakeling nu definitief is ingezet. Als je toch allemaal houtstronken voor herten aan ziet, dan wordt het langzamerhand tijd om onze wilsbeschikkingen te gaan opmaken.
We lopen naar een kerk en gaan in het gras zitten voor de lunch. Ik maak nog een mooie foto van een deel van de TT‑groep relaxend op een paar traptreden glimlachend in de zon en stuur hem direct met mijn iPhone door naar Oom Jan, ten teken dat we het goed hebben.
Peter en Evelien hebben boodschappen gekocht voor het ontbijt morgen en voor vanavond. Het avondmenu is pasta met zalmsnippers, kappertjes, bosui, room, courgette. Snel klaar te maken en blijkt later ook verrukkelijk!
We lopen het dorp uit, zien nog een bijzondere witte hippie ligfiets en heel veel zonnepanelen en belanden op een berg buiten het dorp waar nog net vier tentjes kunnen staan.
We naderen een voetbalveld in Angstberg een klein dorp en dus een mogelijk watertap punt. Deze voetbal praktijkervaring komt van Ron en Peter, en ze hebben gelijk! Ook Peter Pi moet er aan geloven. Hij is nummer drie vandaag met een teek.
Bij het kampvuur verteld Jolanda nog een verhaal van Oom Rutger, dat hij zo sterk was op bed na zijn tia dat ze een zuster moest roepen omdat ze het niet meer alleen af kon. We kijken allemaal nog even in het vuur en vallen even stil en hebben met respect onze gedachte hierbij.
‘Mensen, wat hebben we het toch weer fijn’, denk ik bij mezelf. Dat zou oom Jan nu op dit moment gezegd hebben! Dit jaar geen OJ dus ook geen mooie mythen en sagen, gekeutel en gerommel in de tent, geen salami met een toefje mayo en geen nootjes van de nootjesbar uit Bilthoven! Ik hoop dat OJ er volgend jaar weer bij kan zijn. Fysiek moet het nog kunnen want nog even en hij is fitter dan menig een hier van deze generatie….
Ik besef me tot mijn schrik dat ik altijd in mijn verslagen iets statistisch onderzoek, en de dag al bijna voorbij is en er nog geen statistisch veldonderzoek heeft plaats gevonden! Maar wat valt er nog te onderzoeken in deze groep?
Ik denk na en ben benieuwd hoeveel mensen van elke familie (en aanhang) er nu uniek zijn mee geweest op alle trektochten. Dat is snel te onderzoeken.
We gaan tellen en komen tot de volgende score: (tabel)
Pabon: 6 (Peter, Marijke, Gabrielle, Els, Marion, Aldert)
Prins: 6 (JW, Jolanda, Eveline, Peter, Albert, Bea)
Das: 8 (Jan sr, Jan jr, Brigitte, Irene, Ron, Georgine, Robert, Huib)
Reintjes USA: 1 (Darcy)
Reintjes ned/SA: 2 (Paul, Anita)
Hellemans: 9 (George, Karin, Frans, Jitka, Lies, Aleid, Herman, Joyce, Rob)
Totaal dus: 32 TT‑veteranen.
Ik denk, starend in het kampvuur, dat de mooiste tocht voor mij de Moezel taartentocht in 1987 was. Ik realiseer me ook dat als Joyce me niet had ‘gestimuleerd’ om in 1987 eens mee te gaan, ik waarschijnlijk nooit meegegaan zou zijn. Ik had toen mijn emigratie papieren voor Nieuw-Zeeland klaar liggen en een behoorlijk verwrongen beeld van de TT: niets voor mijn rug, zware rugzakken, slechte matjes, sterke familieverhalen, koud en nat weer, sterke drank (waar ik toen helemaal niets van moest hebben) en stinkende kleren, vuur/rook. Natuurlijk een verwrongen beeld en niets van dat alles bleek later waar te zijn... Zo zie je maar weer dat, ondanks het feit dat ik niet mag ademhalen van Joyce, ze toch wel het beste met me voorheeft en een goede invloed op me heeft, ik had het allemaal niet willen missen, dus eindigt deze dag toch nog met een hoogtepunt!
Punt (van een potlood-:))
"Ik krijg geen ruimte van je!!!" Daar begint voor Jan Willem de dinsdag mee. Ja, ik was me bewust dat Jolanda het de afgelopen nacht zwaar had. Een hoop gedraai en getrek aan de slaap- en lakenzak -waar wij wél met ons tweeën in liggen-, maar aangezien ik kompleet klem lag in mijn deel van de lakenzak stelde ik me uitermate passief op. Ik dacht: "Hier lig ik en ik kán niet verder..." en probeerde mijn eigen slaap maar te vatten. Helaas. Dat was dus niet genoeg voor mijn vrouw die na mijn wakker worden flink van leer trekt. Zucht...
Bij nadere beschouwing blijkt dat ik weliswaar klem lag in de lakenzak, maar álle ruimte had binnen mijn deel van de sláápzak en bij Jolanda was het dus precies andersom. In die situatie merk je dus níets van de aanwezige overdaad, maar álles van de aanwezige krapte. De oplossing is simpel: niet 'indraaien'!
Maar laten we deze beddeperikelen maar voor wat ze zijn en ons storten op de aanstaande práchtige dag, want wat wórdt het mooi vandaag, zo is ons voorspeld door een autochtoon! 22 graden! We hebben een warme nacht achter de rug, net als de afgelopen dagen. De warme slaapzak ligt inmiddels onder, de koele boven en dat gebeurt niet vaak.
Mijn taak is, zoals altijd, het opruimen van het binnenwerk van de tent. Vouwen, vullen, proppen en persen; daarmee krijg je het meeste wel weg. Dan nog het vegen van de binnentent, die losmaken, ook vouwen en rollen en als laatste klus de decondensatie van de buitentent. Daarvoor gebruik ik een oranje lap, deze zomer langs een Noord-Franse weg gevonden en vanaf dat moment hoort hij bij het vaste kampeergerei.
Dan nog de schoenen aan, naar buiten toe, mijn eigen spullen naar buiten zwiepen, eindelijk, éindelijk mijn overtollig vocht lozen en ik kan meedoen. Ondertussen gebeurt er buiten van álles. Geritsel en gerammel voor dag en dauw duiden op het koken van water en het smeren van het dagelijks brood. Bij het eerste is volgens mij Ron vaak betrokken, bij het tweede Evelien en Els. Vaak kan ik het alleen maar vermoeden, maar vanochtend kan ik het vanuit mijn werkruimte goed aanschouwen; de smeerkezen zitten recht voor de ingang van onze tent. Zij zijn de hele week eerder klaar dan ik. Ik moet echt zorgen dat mijn beker op tijd wordt ingeleverd voor de thee, anders kan het zo misgaan. En ja, hoor, ik ben nog maar 10 seconden buiten of de pan met het water, valt van de brander... Gelukkig, het valt weliswaar om, maar ook mee, want we hebben genoeg water voor een tweede poging en mijn beker was al gevuld. Bovendien was dit water bedoeld voor de inmiddels vaste tweede ronde. Dat was vroeger wel anders. Toen kregen we na het ontwaken een vingerhoedje water van oom Jan, waar we de rest van de ochtend op moesten lopen... Heus!
De zon schijnt inmiddels volop, de ochtendbabbels lopen weer als vanouds. Dat gaat soms over iets, maar meestal over niets; het wordt vooral gebruikt om weer op stoom te komen.
Na het ontbijt worden de tenten naar beneden gehaald en alle zooi in razend tempo in een negental rugzakken weggewerkt. Ik wil een keer op video de pakscene in zijn geheel opnemen en daarna versneld afdraaien. Het moet er als een wonder uitzien: hoe een groep mensen in eendrachtige samenwerking in 20 minuten ongeveer 2372 losse dingen en dingetjes op compacte wijze in 9 rugzakken weet weg te proppen, van de locatie wegloopt en dat dan NIET meer te zien is dat er een half uur daarvoor nog een bewoonde nederzetting stond. Ach, de foto's spreken voor zich.
Kijk, ik ben al weer ouderwets aan het 'zwatelen' en vergeet gewoon mijn aantekeningen van deze dag. Niet onvermeld moet blijven dat Els vannacht van tante Gerda heeft gedroomd, hoewel het prettiger zou zijn als ze zich nog zou herinneren wat dat dan was. Daarnaast krijgt Peter ook deze ochtend op zijn mobiel weer de boodschap door dat hij vandaag vakantie heeft. Sommige mensen hebben dat nodig.
Kom, we gaan op pad. Bijna tenminste, er moeten nog diverse kledingstukken worden uitgetrokken en/of opgerold. Zo warm is het al.
Beukenbos en zon, zie ik in mijn aantekeningen. Wat is dat toch een práchtige combinatie. We zijn werkelijk gezegend. We volgen een brede bosweg, eerst naar boven, daarna langs de helling met het dal mee. Helaas wel in de schaduw. Aan de overkant van het dal liggen fel gekleurde beukenbossen te pronken in de zon. Ik tref Herman, eenzaam met twee zakken, waarschijnlijk wachtend op zijn waterende wijf en loop verder om met de groep niet zo heel veel later te belanden in het dorp Frebershausen, met aan het begin van het dorp op een vakwerkhuis de volgende pakkende tekst:
"Wenn dieses Haus solange steht,
bis aller Neid und Hass vergeht,
so bleibts fürwahr solange stehn
bis die Welt wird untergehn".
Ja, dan is de Duitse taal toch wel mooi. Het dorp trouwens ook. Joyce redt een rups van de asfaltweg met een 'liftblaadje', Evelien knuffelt nog even een kat en we kunnen weer verder. Hoewel, iets buiten en boven het dorpje staat het kerkje, met daarbij een echt eeuwenoud kerkhof waar inmiddels het zonlicht op een prachtige manier overheen schijnt. Niet alleen goed voor vers water, maar ook voor een paar heel mooi belichte foto's. Als ik daarna nog een appeltje voor de dorst weet te rapen kan mijn dag bijna niet meer stuk. Alleen besef ik nu dat ik op deze vierde dag de groep nog moet bekennen dat ze van ons -J&JW- geen arretjescake krijgen en dat drukt de pret weer, want waarschijnlijk rekenen/hopen ze er wél op. Tja, c’est la vie.
De route loopt toch wel erg lang door hetzelfde dal en NIET in de zon. Daar moeten we iets aan doen. We besluiten met de hulp van een noord-zuid lopend ánder dal over te stappen op een andere wandelroute, waarmee we de zon weer oppakken, de korte broeken kunnen aantrekken en rond lunchtijd bij een hut belanden voor de middagpauze. De schoenen kunnen uit, de brander wordt aangezet, de zon opgezocht, het brood gesmeerd, de speculaas -uit Bilthoven, cadeau van OJ- gebroken en uitgedeeld en ach mensen, wat hebben we het weer goed. Het niet aanwezig zijn van de arretjescake -ook Ilse heeft het laten afweten, ze woont niet meer thuis- wordt door de groep gelukkig goed opgepakt en belast de stemming niet.
Er zijn wespen, dat is minder. Er is géén hagelslag, maar wel chocoladerepen die ieder op zijn/haar eigen wijze op en met zijn/haar brood mag verwerken, er is heerlijke ham, nog nét een beetje pindakaas -maar niet meer voor Jolanda-, ook de hardkeks worden aangesproken, want het brood is op. Herman orakelt over het 'Higgsdeeltje van de Reintjes' die waarschijnlijk voor een aantal afwijkingen en beperkingen in het Reintjesgedrag zorgt -want waarom zijn er zoveel tenten in de groep en waar komt de populariteit van het gebruik van (veel) plastic zakken vandaan?-. Ik moet bekennen dat ik 7 tenten heb, o nee, 8 en een half uur later. Oeps, toch 9, want ik ben de tent vergeten die we nu bij ons hebben... Herman overigens, komt tot 8.
Inmiddels zie ik dat de thermometer aan mijn rugzak ruim 25 graden aangeeft! Kom mensen, we moeten verder!
Al snel belanden we op een vrijwel overwoekerd pad, maar zonder bramen en brandnetels, dat maakt het toch beloopbaar. We zijn op weg naar de stad Frankenau en maken plannen voor boodschappen en terrasbezoek. Uit het bos gewandeld en door de weilanden naar het stadje toe. Mooi, mooi, mooi is het hier! Niet alleen het landschap, ook de kleinste dingen om ons heen. Ik kan me niet heugen ooit zoveel paddenstoelen gezien te hebben tijdens de TT. Ik probeer ze regelmatig op een aardige wijze te fotograferen. Liefst vanaf de grond, soms met een wandelaar er achter. Vanmiddag zie ik bijvoorbeeld een beschadigde vliegenzwam die mijn aandacht trekt. Dan wil ik eigenlijk tijd en een goede camera voor de beste foto's, maar ja, het volk wacht al weer op me en een echt goede camera is niet mee te nemen -want te zwaar- bij dit soort tochten, dus we rommelen maar wat aan.
We naderen nu de stad Frankenau in gezwind tempo, want het gaat naar beneden. Wat staat ons hier te wachten? Vinden we er wat we zoeken? Altijd spannend! Er is in ieder geval, zo blijkt snel, een redelijke supermarkt, met daarbij een pleintje. Op dat pleintje bankjes voor de vermoeide wandelaar en een heuse 230 miljoen jaar oude 'backpackrock', een grote steen, waar bijna iedereen zijn of haar rugzak tegenaan kan zetten. Wat een uitvinding!
Joyce en Herman nemen vervolgens de boodschappenregie op zich. Twee anderen duiken een drankenhandel in, echt nodig, want we hebben 'niets meer om te drinken...'. In de supermarkt wordt een pastamaaltijd bij elkaar gezocht, bekers yoghurt om direct uit te delen en bananen gekocht om als toetje te kunnen verorberen vanavond. Buiten wordt alles verdeeld. Evelien heeft ook niet stilgezeten, ze heeft het adres gekregen van een geopend etablissement en op pad gaan we weer. Ho! We zijn het brood vergeten! Herman en JW gaan terug naar de bakker, tegenover de supermarkt, schaffen zich 3 grote keiharde kogels aan en zoeken weer de weg naar de rest van de groep.
En dan gaat het mis... het dorp blijkt een kale, lelijke, onaanzienlijke, landelijk liggende nederzetting te zijn, met onafzienbare buitenwijken, waarin de groep door Evelien doel- en harteloos wordt rondgejaagd. Doelloos, want er is GEEN herberg die ons kan of wil ontvangen. Dat is vervelend, ook al, omdat we water nodig hebben. Uiteindelijk wordt dan toch maar contact gezocht met enkele dorpse inboorlingen en gebedeld om water. Gelukkig, dat lukt en zo staan we, bijna aan het eind van de middag, aan de rand van het stadje, in de zon -dat wel-, zeer zwaar bepakt, klaar om de laatste etappe van deze dag te gaan beginnen. Aangezien we nu in een dal staan moeten wij omhoog. Eerst weer langs een aantal weilanden en akkers, dan steeds meer door het bos, maar een geschikte plek is niet één, twee, drie te vinden. De rugzakken zijn zwaar, héél zwaar. Herman, grote Herman, trekt het niet meer en wordt ontlast. Bovendien is het 'akelig druk' langs onze weg naar boven. Auto's, trekkers, motoren, koetsen met angstige trekpaarden -wij grootbebochelde backpackers blijken ook nu weer een heel eng soort mensen te zijn voor deze beesten-, een groep bejaarde wandelaars... wat gebeurt hier allemaal? We lopen verder. Het lopen wordt zeulen, sjokken en zuchten, waar gaat dat heen?
Dan zien we eindelijk aan de overkant een top liggen die geschikt lijkt voor 'ons soort mensen', maar die echter alleen via een forse omweg bereikbaar is. Ook deze uitdaging gaan we aan en eindelijk, met het laatste stuk naar de zon toe, na ruim 17 kilometer, komen we aan op onze plek van bestemming. Vlak bij het eindpunt echter, midden in het bos, vlak na een sinister poeltje rechts langs het pad, komt ons een groen VW-busje tegemoet. Oeps en ai...! Het blijkt een (waarschijnlijk illegale) houtraper te zijn, die misschien nog wel meer van ons schrikt, dan wij van hem. Gelukkig! Aan het eind van het pad stoppen we. Dit moet het zijn! Het is de rand van de top van de heuvel. Verspreid staande eeuwenoude beukenbomen, met daaronder hoog gras geven ons eigenlijk weinig kampeerruimte, maar in een stuk bos met jonge boompjes vinden we toch een aantal plaatsen van onze gading. De rugzakken mogen af. Hè-hè-eindelijk!
Na de eerste tentopzetschermutselingen loop ik een beetje rond. Het zou zo maar een plek met 'geschiedenis' kunnen zijn; een plaats voor een versterkte vesting in een ver verleden. Dansende volksstammen, heilige sjamanen die recht spreken, galgen die hier ooit groepsgewijs zijn opgericht én gebruikt, dat soort zaken. Maar ik beken, ik zie geen bewijzen, ik voel alleen de sfeer.
18.30u. We vertoeven rond het zacht knappend vuur. De rook gaat recht omhoog, het is dus windstil. Tegenover mij zit Herman, bananen opererend. Hij snijdt ze open, vult ze met chocola, pakt ze stevig in de zilverfolie. Het is, wat zeg ik, het wórdt het toetje! Anderen werken aan de hoofdmaaltijd en ook die is bijna klaar, want ze zoeken iemand die de pasta wil afgieten.
We zitten hier nog in onze T-shirts, ik heb de broekspijpen nog omhoog gerold, het is bijna zomer! Peter gooit nog wat hout op het vuur. Het is goed.
Er is nog wel iets dat NIET goed is. Na zo'n warme dag -en zeker als er al twee geweest zijn- schreeuwt mijn lijf om een wasbeurt, maar ja, zoals het al dagen gaat, nu nog even niet... Het eten is bijna klaar, ik zit nog maar net, met mijn eerste borreltje -een Raderberger Kräuterlikör- in de hand. Misschien straks...
Daar komt mijn bord; pasta met prut en kaas. Eet smakelijk!
Wat een maaltijd weer en dan dat toetje, desgewenst met likeur erop, er nog achteraan. Jongens, we zijn gezegend!
En dan de avond, als vanouds gevuld met brandend hout, babbels over van alles en nog wat, waarvan ik, zoals altijd, veel niet kan volgen. Soms -vaak- is dat vervelend, maar het is altijd rustgevend, want wat je niet hoort kan ook niet hinderen. Tenminste, als je je erbij neerlegt. Soms doe ik mijn gehoorapparaatjes in, om mee te kunnen doen en constateer vaak dat het eigenlijk niet hoeft, want -sorry mensen- zoveel zinnigs wordt er niet gezegd. Wat ik nu wel meekrijg is het verhaal van Els, dat ooit het snurken van oom Henk bestreden werd door, vanuit de tweede slaapcabine in de bungalowtent, waar het Pabonnen gezin toen in sliep, door het tentdoek heen, met twee handen zijn hoofd kon worden beetgepakt en een kwartslag gedraaid. Daar werd hij niet wakker van! Het onderwerp 'snurken' is trouwens deze week een regelmatig terugkerend fenomeen. Blijkbaar hebben we er meer last van dan vroeger. En je hoeft niet alleen te snurken om je partner tot last te zijn. Neem Joyce, die Herman al lang geleden uit haar slaapzak verbannen heeft, omdat zijn aanwezigheid leidt tot 'trekgaten' en 'tochtsleuven' en zij ook niet meer onbeperkt kan 'indraaien', hetgeen toch echt nodig is voor een goede nachtrust... U ziet, het zijn niet alleen onze eigen bedgeheimen die hier ter sprake komen. We beginnen er de dag mee en we sluiten hem ermee af. Het is half elf, we gaan naar bed. Welterusten!
Met het niet meedoen van Georgine aan deze TT zijn we ook een schrijfster verloren van één van de dagen. Niet dat ze het wist (denk ik), het was haar toegewezen. Dat heb je als je niet bij de voorbespreking bent. En toen dit de dinsdagavond ter sprake kwam -Wie 'doet' de woensdag?- en het vervolgens akelig stil bleef, dacht ik, ach, ik schrijf wel door. Vandaar dat jullie het nog een dag met mij moeten doen.
Welaan, laten we deze laatste dag van de 37e TT bij de kop pakken en zien wat die ons allemaal heeft gebracht! Om te beginnen water, heel veel water! In de nacht begon het te spetteren, dat merk je als regelmatig draaiend kampeerder snel genoeg. Urenlang hoop je -reken je er eigenlijk op- dat tegen de ochtend het wel droog wordt, maar als het zover is -niet het droog worden, maar het bereiken van de klok van acht- en na bijna een half uur doordraaien nog steeds het plenzen niet is gestopt, dan moet je hard zijn en de vrouwen de tent uit sturen voor het bereiden van het ochtendmaal. Het klinkt hard, ik weet het, maar het is wel de praktijk; er moet gewerkt worden! Ook door deze harteloze man trouwens. De nachtrust overigens -dat mogen jullie wel weten- was goed deze keer. We lagen elkaar eens NIET in de weg, maar dat terzijde...
De tent staat even open als ik mijn werk doe, tegenover ons staat de tent van Irene en Ron en het is te zien, die is nat. Boven mij zie ik, als de binnentent is opgerold, dat ons eigen tentdak bezaaid is met bladeren en dat is een aardig behangetje in deze omstandigheden. Het levert fotomateriaal op dat goed dienst kan doen als achtergrond in het verslag.
Als ik eenmaal buiten ben staat het meeste volk al te eten, in de regen, onder de paraplu's. De broodsmeerders echter mogen zitten. Zij hebben een bediende bij zich staan, die met de grootste plu het water van de broodplanken moet houden. De stemming is mat, maar berustend. De nattigheid was niet verwacht, men is er niet blij mee, maar na 37 jaren is het niet echt een nieuwe ervaring; het hoort erbij!
Na de maaltijd komt het pakken. Zeiknat is alles, maar het moet tóch mee, dus begint de groep rustig de tenten te ontbladeren, af te breken, uit te kloppen en in te pakken; zoals gezegd, het hoort er allemaal bij en iets na tienen zijn we er weer helemaal klaar voor. Waarvoor? De laatste etappe, de laatste ruk! Het regent nog wel. Jolanda is de enige zonder paraplu. Dat vindt ze wel jammer nu, denk ik, want ze wordt zo toch natter dan de rest. Het komt door de maaltijd van de tweede dag, die ooit in haar rugzak meegezeuld moest worden, waardoor andere elementaire zaken hun plaats verloren. Daar heeft ze nu last van. Gelukkig duurt het maar een uurtje. Daarna wordt het langzaam droog en klaart de lucht -en dus ook de stemming- helemaal op. Ik raak met Joyce in gesprek en zij bekent dat ze uitkijkt naar de douche vanavond, alleen de beeldspraak die ze gebruikt lijkt helemaal nergens op. Zoals wij allen weten is ze overtuigd vegetariër, maar ze bekent nu dat ze in haar dromen een wórst voor zich ziet, een worst met de tekst 'douche'. Ik geloof mijn oren niet en ik spreek haar erop aan met het keiharde verwijt dat iemand als zij GEEN worsten mag zien, alleen WORTELS! Toch wel aangeslagen erkent ze mijn gelijk.
We hebben zin in koffie met taart en hopen die te vinden in Schmittlotheim. Els heeft het ons toegezegd -ook dat heeft ze uitgezocht-, dus wij lopen wel door. Door bossen en weilanden, over heuvels en door dalen, een enkele appel rapend, totdat we er zijn. Het eerste markante punt in het dorp is een woning met veel fruit en prutbakken voor de deur. Hier werkt zo te zien een 'sapbakker' en ja hoor; trots toont hij zijn werkplaats en meldt dat hier 400 liter sap per dag wordt gemaakt. Dan op naar de koffie. De Gaststätte blijkt -verrassing!- langs de 'Elsbach' te liggen en heet 'Zum Elsebach'. Zou dit opzet zijn van onze regelnicht? Het is half één, we hebben honger! Waar is de taart en wat hebben ze hier? Niet zo veel soorten, maar genoeg om ons speeksel te laten stromen: kruisbessen (Stachelbeere)- en kersengeleikwarktaart (o.i.d.). Evelien & Peter en J & JW kiezen voor beide soorten en delen die. Van alles wat! Ondertussen gaat Joyce onder het mes, want in haar lijf, haar linkerzij, is de kop van een teek achtergebleven en die moet er uit! Diverse pincetten en naalden, gedoopt in de alcohol worden ge- en misbruikt, maar het wordt zo'n bloederig gebeuren dat aan het eind voor mij in ieder geval niet duidelijk is of de operatie een succes was. Ik hoor het nog wel.
Het pand waar wij in zitten te smikkelen ligt aan een poort van het Nationaal Park Kellerwald-Edersee. We scharrelen er al 5 dagen omheen, maar betreden hebben wij het nog niet, beschroomd als wij zijn onze tenten in een dergelijk heilig gebied op te slaan. Zo missen we de moeflons, die volgens de kaart van Ron en Irene er moeten zijn. En ook nu weer, op het laatste stukje, lopen wij er vooral ómheen. Ja, zo gaat dat. Of we daarmee echt iets missen zal voorlopig niet duidelijk zijn, maar ik vind wel ons laatste stuk, zo langs de rand van het park, hoog boven het dal van de Eder, een formidabel stuk. Ook hier komen de paddenstoelen veelvuldig uit de bladeren omhoog, de uitzichten zijn grandioos en nu de zon er weer bij is gekomen is de kleurenpracht van deze herfst méér dan aanwezig. Wat hebben we het goed!
Bijna bij ons begin- en eindpunt, daar waar de auto's staan, op het parkeerterrein van het Nationalpark Zentrum, lunchen we nog in een Grillhütte, nabij het dorpje Kirchlotheim. Vlak daarvoor waren we nog even de dames Prins kwijt, maar gelukkig sluiten ze snel weer aan en kunnen we (weer) gaan eten. Binnen eten lijkt comfortabeler dan buiten, maar tafels en banken staan buiten, dus wat te doen? Naar binnen halen natuurlijk. Ja, we zijn een ondernemend volkje. Bij de laatste boodschappen zat ook een blikje makreel en die wordt nu soldaat gemaakt; mijn hemel, dat is lekker spul!
Ah, ik zie nu in mijn aantekeningen het volgende citaat: "Ik loop nog wel met de restanten van een kop in mijn lijf...". Dit móet van Joyce zijn en dat geeft meteen al het antwoord op de vraag die ik eerder heb gesteld; de operatie is mislukt! Ik moet daarbij bekennen dat ook met deze wetenschap het eten van de 'Lachschinken' op de 'hardkeks' nog steeds een belevenis was. Ook dat is lekker.
Het is nog 10 minuten naar de auto's. Iets omhoog, dan door de weilanden naar beneden. We komen aan, gooien de rugzakken af, trekken onze wandelschoenen uit, gaan nog eventjes naar het toilet en we kunnen weg... Nee dus, de échte vrouwen -Evelien niet- blijven ellendig lang weg, wat zijn die in hemelsnaam aan het doen? Niet aan het toiletteren, nee, aan het 'shoppen', zo blijkt. Zucht... En niet zomaar shoppen, nee, ze hebben, met een nieuw woord, pleuralia gekocht; voer voor een opruimcoach.
Ondertussen worden toch de nodige knopen doorgehakt. Besloten wordt eerst een stuk te rijden en dan tegen de Nederlandse grens, in Anholt, een restaurant te zoeken voor het slotdiner om daarna de laatste loodjes te volbrengen. Zo gezegd, zo gedaan. Tegen vijven zitten we in de auto's en verlaten we het gebied dat ons zo dierbaar is geworden. Wie weet komen we hier terug. Dat zal geen straf zijn. Uiteindelijk hebben we maar een klein deel van de Kellerwaldsteig belopen; er is nog genoeg over voor een tweede aanval.
De reis naar het westen verloopt voorspoedig en iets na zevenen parkeert Ron zijn Ford, met Irene, J & JW, op een parkeerplaats aan de rand van het centrum van Anholt. Aan de overkant ligt een hotel-restaurant, maar in eerste instantie lijkt het niet écht iets te zijn, waarop ik een rondje loop door het centrum, op zoek naar iets beters. Ik herken het hier wél! Was ik hier niet ooit met Bas, toen net 3 jaar geworden, op fietsvakantie, om zijn moeder en pasgeboren broertje Taco te ontlasten? En heb ik toen geen foto van een blèrend kind op het voorstoeltje van de fiets gemaakt, nabij het o zo mooie gemeentehuis? Dát zoek ik morgen op! Maar ik laat me afleiden, neen, ik vind niets beters en meld dat aan de groep die inmiddels kompleet is. We duiken dus hotel-restaurant Legoland, pardon, Legeland, in en worden netjes ontvangen. Weliswaar worden we in een zaaltje achteraf geplaatst -stinken we zó erg?-, maar het is wel aan een riante tafel, waar we met ons allen heel mooi omheen passen. Als ook het eten nog goed is, dan hebben wij als slotmaaltijd een tópmaaltijd. Het eten ís goed en het bier is lekker. Eindelijk!
Hoogtepunt van de maaltijd -excuses voor de kok- is de uitreiking dóór Els áán Herman, van een heuse tekenpen! Nee, het is een potlood, een aandenken aan het Nationaal Park en alle teken die daar in en omheen rondzwerven. Iedereen wil nu Hermans potlood vasthouden, maar Joyce houdt hem het langst. Dromerig kijkt ze voor zich uit, wat gaat er in haar om? Ze zegt het niet, terwijl toch duidelijk moet zijn, ook voor haar, dat je met dít potlood haar tekenkop niet kunt verwijderen...
Het toetje wordt alleen door Peter besteld, ijs dat de hele groep rondgaat. De rest neemt koffie, thee, of niets. Weer mag Peter betalen. De 70 euro die iedereen heeft gestort is ruim voldoende geweest voor alles wat we deze tocht gebruikt hebben. Wonderbaarlijk toch! Er blijft zelfs iets over dat wordt verdeeld onder de chauffeurs, als dank voor bewezen diensten. Mannen, fantastisch gedaan!
Toch zijn we nog niet thuis, het is nog anderhalf uur rijden, voor ons naar Bilthoven, waar Irene en Ron mogen blijven en wij met onze eigen auto onze eigen tocht mogen afmaken. H & J zitten nog met E, E & P, die moeten in Utrecht en Driebergen afgezet worden, maar als dat allemaal gedaan is en iedereen tegen half 1 weer in zijn/haar eigen huis zit, is het toch echt gebeurd. Wat blijft zijn de vuile was, de herinneringen, de foto's -nieuw record voor JW: 1009 stuks- en de wens het nog een keer te mogen doen. En misschien een tekenkop...
Tot volgend jaar!
Als alles weer een beetje in het gareel zit, het verslag ingeleverd is en de foto’s geselecteerd zijn, is het tijd voor namijmeren. Hadden we niet tòch meer hagelslag mee moeten nemen? Of minder boter? Waarom babbelt de GPS niet als een vrolijke Belgische TomTomdame? En waarom kwam Herman toch steeds tot hoogtepunten? Hebben we echt de laatste rondvaart over een leeglopende Edersee gemaakt? Of was het de Waldecker Bergbahn die na onze lift is ingestort? Zit er nu ècht dons in het heupjackje van Joyce? Is het niet veel te gevaarlijk om dat juist bij open vuur te dragen? Hoe is eigenlijk het ontluchtend zitvlak JW bevallen? Net zoals de hausgemachte Oranjebitter van Els: lekker in bijzondere omstandigheden? Heeft Jolanda alle angst op de Angstberg kunnen laten? Of is Ron daar zijn teek kwijtgeraakt? Waren wij bij de laatste kampeerplek nu bevreesd voor de bosarbeider of was hij het voor ons? Overigens, drinkt Evelien echt fuel? Of was het Irene? En kon dat omdat oom Jan echt niet mee was? Bijzonder toch, dat een klein blikje makreel negen TT'ers ogenblikkelijk kan bevredigen. En wonderlijk dat Peter altijd overhoudt in de pot. Of komt dat omdat hij onderweg bijklust?
Ligt het aan de toenemende vergrijzing of aan de 37e TT? Het is een feit dat de herinneringen een beetje door elkaar gaan lopen en er eigenlijk veel vragen overblijven.
Het is maar goed dat we weer een TT‑boek gemaakt hebben.