TT‑verslag 2012-TT36
"NORD EIFEL"
Twee weken geleden zaten de deelnemers aan deze tocht rond een knappend vuurtje in de achtertuin van Georgine in Breda. De traditionele voorbespreking. Dit jaar gaan we lopen door de Nord Eifel. Het werd al gauw duidelijk dat de trektocht een ander verloop zal krijgen dan vorige jaren. Dit jaar vertrekken we voor het eerst in de TT‑geschiedenis op vrijdag en niet op zaterdag. Jan Willem moet maandag werken en Ron gaat dinsdag met Irene en de kinderen naar Rome. Irene blijft daarom thuis. Jolanda gaat Berlijn bezoeken met vriendinnen, dus die is ook al niet van de partij.
Omdat JW en Ron zondagavond thuis willen zijn, maar tóch een stuk willen meelopen, besloten we dit keer op vrijdag te vertrekken. Zo kunnen deze twee veteranen nog van drie loopdagen genieten. Herman kan echter pas vanaf vrijdagavond. Hij voegt zich dan ergens in de duisternis bij de groep. Planningsproblemen alom! Want we gaan met drie auto's heen, waarvan er één (die van Herman) 's avonds ergens in de buurt van onze kampeerplek wordt geparkeerd. En zondagavond moet de auto van Ron in verband met het voortijdig afhaken van hem en JW in de buurt staan van waar we aan het eind van die dag een kampeerplek zoeken. En tenslotte moet een derde auto (van JW, die Evelien daarna overneemt) bereikbaar zijn vanuit het eindpunt van de looproute op de laatste dag. Om vandaar dan weer de auto van Herman op te halen. Kan iedereen het nog volgen?
Dus drie auto's op drie locaties in de Nord Eifel. Als dát maar goed gaat! Omdat Rons auto zondagavond tóch in de buurt van onze kampeerplek van dat moment staat, kunnen we in zijn achterbak de avondmaaltijd plus een ruime hoeveelheid water achterlaten. Hoeven we dat die dag niet mee te sjouwen. Elk nadeel heeft zijn voordeel, dát zie je maar weer...
Donderdagavond zijn de meesten de rugzak aan het pakken. Georgine kwam alvast uit Breda naar Bilthoven om daar te overnachten. Ook Jolanda kwam naar Bilthoven, voor haar reis naar Berlijn. Haar reisgroep vertrekt vrijdagmorgen om kwart over zes vanuit Bosch en Duin. Georgine brengt haar in alle vroegte weg. Zo werd de donderdagavond in huize Das druk maar gezellig. En oom Jan bracht ondertussen zijn logboekje in stelling voor onderstaand relaas.
Ik sta om 5 uur op om het "vroege" ontbijt in gereedheid te brengen. Rond zes uur zal Georgine met haar auto Jolanda naar haar vertrekpunt brengen. Als ik de beide dames wek, verrijzen die moeizaam mompelend uit hun matrassen. Het leven is hard. Buiten is het al de hele nacht rain, rain, rain. Weinig bemoedigend. Wanneer Georgine terugkeert van haar missie is het half zeven. Wij hebben dus ruim de tijd om rustig voor de tweede keer te ontbijten en ons klaar te maken voor vertrek.
Stipt acht uur staat Ron voor de deur. Het regent nog steeds. Zwijgend maar snel vullen we de achterbak van zijn auto met rugzakken en tassen vol met flessen water en etenswaren voor de zondagavond. Afscheid van tante Georgine. Zij blijft achter met haar twee kleindochters die haar de komende dagen bijstaan. Dan gaan we op pad. Laat het nu maar gebeuren. Als Els zich in Utrecht bij ons heeft gevoegd en we de A 12 op rijden is deze 36e TT pas echt begonnen. Terwijl de regen tegen de ruiten geselt pikt Els met haar mobiele telefoon positieve weerberichten op over het Eifelgebied. Zondag wordt zelfs een prachtige dag!
Het is kwart over tien als de andere auto met de medetochtgenoten vrijwel gelijktijdig met ons de parkeerplaats van het AC restaurant De Wuust bij Venray oprijdt. Als we uitstappen en elkaar begroeten lijkt de norse somberheid van loodgrijze luchten en stromende regen plaats te maken voor een lichtere hogere bewolking. Het is zelfs droog en de temperatuur voelt goed. We zetten ons voorzien van koffie en chocolademelk aan een grote tafel achter in het etablissement om ongestoord de plannen van vandaag t/m zondagavond te bespreken. Want die bepalen wat we straks met onze twee auto's doen. En vanavond met de derde auto van Herman.
Jan Willem legt stafkaarten van de Nord Eifel op tafel. Evelien schetst met brede gebaren de geplande route voor de komende dagen en prikt met haar wijze wijsvinger vervolgens mogelijke kampeerplekken aan. Ik bekijk de briefing verontrust vanuit de zijlijn. De afstand op zondag lijkt mij bedenkelijk. Als voormalig dienstplichtige doemen er in mijn fantasie spookbeelden op. Want ik zie dat de route die dag dwars door een onlangs verlaten militair oefenterrein gaat.
Het overleg mondt uit in acceptatie. Wat wil je anders? En dat moet ook, want voorlopig hebben we even onze handen vol aan een kleine huldigingsplechtigheid. Maar liefst vijf familieleden beleven op deze 36e TT een kroonjaar. Jan Willem loopt de tocht voor de 35e keer. Herman doet het voor de 20e maal en Joyce leverde die prestatie al vorig jaar. Peter heeft 15 trektochten op zijn naam staan. En Ron komt tot 10, wat enige onrust wekt, want iedereen heeft de indruk dat hij een veel hogere score moet hebben. Els heeft een lied gemaakt op onze nestor JW, wiens prestaties ongeëvenaard zijn en door anderen nooit meer kunnen worden ingehaald. We zingen het op de wijs van Kom mee naar buiten allemaal. Aanvankelijk beschroomd vanwege de andere gasten. Maar daarna uit volle borst:
Dit is Jan Willems jubeltocht,
vandaar dat er een liedje is gewrocht.
Dus zingt nu allen vrolijk mee:
"Vijf en dertigste TT".
Pannen, brander, tunneltent,
mooie routes, prima vent!
ie-hiets anders zijn we niet gewend.
Hij houdt de kaarten in zijn hand
en wijst de paden do-ho-hoor het land,
soms langs een top-Konditorei,
maakt de medetrekkers blij.
Jubel Joho klinkt zijn lied,
hij vergeet zijn Jooltje niet.
Jubel Joho èhen anders niet.
Wij roemen dus Jan Willem Prins
en de TT ook enigszins.
Je oom, je neven-nichten-schaar
wensen je de 50 jaar...
op TT, klinkt ons lied,
op TT, klinkt ons lied,
de TT èhen anders niet.
Els liet voor JW bij Kruidvat de traditionele TT‑beker maken, voorzien van een groepsfoto van biddende TT'ers rond een picknicktafel. Die staat ook op de omslag van het fotoboek van 2011. Oom Jan biedt de beker aan en memoreert zijn verdiensten. Maar dit is nog niet alles. Els maakte voor de andere vier jubilarissen prachtige medailles van kleurklei met afbeeldingen van respectievelijk een kampvuur, een tentje en tweemaal een rugzak. Welbeschouwd zijn de thans jubilerende trektochters bevoorrecht. Want bij het turven en tellen van de loopjaren ontdekten we dat er niet consequent kroonjaren zijn toegekend en passend gehonoreerd. Zo heeft Irene haar 20e tocht al in 2008 gehaald. Om maar te zwijgen over al diegenen die op hun 5-, 10- of 15- jarig jubileum niet gehuldigd zijn. Dat was niet consequent. Maar ja... Jede Konsequenz führt zum Teufel.
Terwijl we ons bezighouden met deze rituelen arriveert een buslading toeristen. Zij nestelen zich rondom ons aan de tafeltjes. We gaan onverdroten verder, wat hier en daar besmuikte hilariteit veroorzaakt. Maar ook bewondering. Een groepje bejaarde Twentenaren prijst ons de hemel in als ze horen van onze 36-jarige familietraditie. Ons feestje wordt bekroond met een enorme Texelse speculaas met spijs, meegegeven door Anita en Paul. We snijden die in onbeschaamd grote stukken, voor bij de koffie. Waarbij we nog de helft sparen voor een volgend vreugdevol moment. We stappen op en vervolgen achter elkaar rijdend onze reis. Het is elf uur als we een bewolkt maar droog Duitsland inrijden.
Rond half één arriveren we in Urft, een gehucht onder Kall. JW en Ron verdwijnen met hun auto's naar de "zondagavondplaats" in het dorpje Erkensruhr, ten zuiden van de Stauseeën van het Ruhrtal en Urfttal. Daar parkeren ze de auto van Ron. Straks komen ze met de auto van JW terug. Die blijft dan hier. Intussen sjouwt de rest van de groep bepakt en bezakt naar de Urfterhof, een café-restaurant in de dorpsstraat. Want het is te koud en te guur om ergens in een grasberm te gaan wachten. Joyce ontdekt dat de insteekgesp van de heupband van haar rugzak ontbreekt. Ze kan niet zonder. Iedereen denkt mee over oplossingen. Niets helpt. Ze belt Herman om zo'n gesp van thuis mee te nemen. We stappen het café in en dat is maar goed, want ineens wordt de lucht weer donker en kondigen zich de eerste regenvlagen aan.
We blijven geruime tijd in het café hangen. Peter is onze penningmeester, maar niemand maakt aanstalten bij hem aan te dringen om na de eerste nog een tweede consumptie toe te staan. Daarvoor zijn we niet in de stemming. De waardin vraagt tot driemaal toe: "Ist alles in Ordnung?", wat gerust een gentle hint met een koevoet kan worden genoemd. We zitten namelijk al bijna een uur op één consumptie. Maar Peter houdt de hand op de knip. Ondertussen fantaseren we over uitvindingen op kampeergebied, zoals een cilinder met helium, die onderin de rugzak een opwaartse druk van 12 kilo geeft. Dan slaat de meligheid toe. Iemand bedenkt heliumvullingen in vrouwenborsten, waardoor die voortdurend dreigen zich decolleterend uit de blouse omhoog te stuwen. Het wordt tijd om ons naar buiten te begeven, want de ruimte is bedompt. Op dat moment komen Ron en JW aangestapt. De tocht kan beginnen!
We volgen direct vanuit het dorp een langzaam stijgend landweggetje door een zacht glooiend landschap. De lucht, even wat helder, betrekt weer en een milde motregen daalt op ons, te gering om de paraplu's in stelling te brengen. Toch is het heerlijk om weer op trektocht te zijn! De Eifel toont zich van haar liefelijke kant. Mooie verstilde plekjes en prachtige panorama's wisselen elkaar af. Grote struiken met rode en zwarte bessen. Zo nu en dan een kardinaalsmuts met haar felrode en paarse kleuren. Herfsttijlozen in een grasveldje doen denken aan lila krokussen in de lente. Bruine koeien liggen stil te genieten op de grashellingen bij een kabbelend beekje. Ineens breekt even de zon door, met hier en daar helderblauwe luchten. Midden in deze pastorale sfeer passeren we een waterzuiveringsinstallatie. Hét moment suprême voor Peter, expert op dit gebied. Hij geeft een heldere uiteenzetting over de werking en beantwoordt met het geduld van een oude beproefde hoogleraar alle vragen van ons, eerstejaars studenten.
Zo lopen we lange tijd door het Eifelland, soms in gedachten verzonken, soms pratend. Iedereen moet er nog inkomen en begint wat moe te worden. Opnieuw betrekt de lucht. De wind steekt op. Het wordt ineens koud. We wandelen het dorpje Benenberg binnen. Witte propere huisjes, rijke en armere. Ergens lonkt een buitenkraan. De dochter des huizes, een vriendelijke puber, geeft toestemming hier onze watervoorraad voor de overnachting aan te vullen. Want het loopt al tegen vijven. We zijn wat achter op ons tijdschema, want JW en Evelien planden een kampeerplek op een veel verdere locatie. Dat zit er niet meer in. We verlangen naar tent & kampvuur. Om nog maar te zwijgen over een welverdiend borreltje en een voedzaam maal.
Buiten het dorp stuiten we op een morsig bos, volgens de kaart Rodenhardt genaamd. Half verrotte en geknakte naaldbomen, waartussen een troosteloos en modderig bospad loopt. Even oriënteren nu. We zenden verspieders uit, terwijl de rest wat ongerust wacht. JW vindt zowaar ergens achteraf een stukje beukenbos met een bladertapijt van het type waarop we ons thuis voelen. Hoewel dat bosgedeelte vol grote veldkeien ligt, besluiten we hier toch te overnachten. Dat betekent even ingespannen en bukkend werken & werpen, om de ondergrond van onze tentplekken te kuisen. Maar dat hebben we er voor over.
Voor het opbouwen van een kampje is de familie altijd even verdeeld in tentgroepjes. Mijn subgroepje is dat van de 'alleengaanden', die al sinds jaar en dag de tunneltent van JW mogen gebruiken. Nu zijn het Els, Georgine en mijn persoontje. Het gaat weer regenen. We stellen het opzetten even uit, drinken onder onze paraplu een borreltje en wachten op betere tijden. We worden beloond. Want al na het eerste glaasje breekt ineens tussen de donkere boomstammen een waterig avondzonnetje door. Het opzetten van de tent krijgt nu ineens iets feestelijks. Al gauw is ons kampje ingericht en vertrouwd.
Ik duik onze tent in om dit verslag bij te werken. Ron maakt een rondje met whisky en geroosterde pinda's. Vanuit mijn tent hoor ik JW het kampvuur opbouwen en Evelien en Peter met de pannen rammelen. Joyce, die met smart op de komst van Herman wacht, heeft haar tent al opgezet. Zij roept om een mes en snijplank voor de groenten. Els en Georgine zijn na de vermoeienissen helemaal opgeknapt. Zij scharrelen rond om stookhout te vergaren. Allemaal heerlijke geluiden voor een bejaarde oom, rustend op zijn warme en droge slaapzak. Even dommel ik weg.
Wat later voeg ik mij in de schemering bij de gezellige kring rond het kampvuur en schrijf bij het licht van mijn hoofdlamp nog wat in dit logboekje. Want voor je het weet glijden de herinneringen definitief weg in het grijze geheugen. Georgine deelt stukken zoet smakende belegen kaas rond. Ondertussen bereiden Evelien en Peter het avondeten. Penne met rivierkreeftjes, gesmoorde tomaatjes, bosuitjes en pittige en peperachtige rucola sla, met Parmezaanse kaas erover gestrooid. Een lekkere maaltijd. Ondertussen zijn er telefonische contacten met neef Herman, die onderweg is naar een parkeerplek hier in de buurt. Rond kwart voor negen gaan JW en Ron hem daar ophalen. De rest blijft gezellig keuvelend bij het kampvuur achter. Boven ons gaan regelmatig vliegtuigen over, mysterieus gebrom in een donkere hemel. Het doet mij denken aan oorlogsnachten, lang geleden.
Dan doemen drie mannen op uit het duistere bos. Herman achteraan met een volle rugzak, waarin ook een comfortabele voorraad rode port en een stuk begeerlijke geitenkaas. En natuurlijk de ontbrekende rugzakgesp voor Joyce! Het kampvuur begint er bijna vrolijk van te knapperen. In werkelijkheid zijn het de kurkdroge dunne beukentakken die in dit afstervende bos onbeperkt voor het grijpen liggen. Laaghangende meterslange dode takken belemmerden bij aankomst het lopen tussen de tenten. Alleen al het afbreken van deze takken verschaft ons geruime tijd voldoende stookhout. Genoeg voor een urenlang brandend vuur. Wij kunnen ruimschoots onze verkleumde botten verwarmen. En het blijft óók nog de hele avond droog! De trektochtsfeer is er weer helemaal. Els, Georgine en ik gaan om half elf naar onze tent. We luisteren in onze slaapzak naar de gedempte stemmen van de achterblijvers bij het vuur. Al gauw zakken we weg in tomeloze dromen.
Na een pikdonkere nacht schemert het in de vroege morgen nog extra na. Want een opkomend zonnetje is nergens te bekennen. En de lucht is betrokken. Maar het is droog. Zelfs de tenten aan de buitenkant. Het grote voordeel als je op hoogte kampeert, al is het hier maar 129 m. Aan de druppels vocht die in de binnentent hangen is ons eigen zweet schuldig. Door de duisternis en de werking van de biologische klok blijft iedereen wat langer liggen. Pas rond acht uur bespeur ik overal beweging. Met name Jan Willem en Ron, die een tent delen, zijn hyperactief. Ze breken direct op. De anderen wachten met de tent tot na het ontbijt, staande verorberd. Er is een interessante discussie over de politieke situatie des lands. Tientallen onlangs gekozen politici passeren de revue, zoals Rutte, Samsom en consorten. Om half tien breken we het kamp op. Als we omgehangen hebben vergelijken Jan Willem en Peter nog even de stafkaart met de gegevens op de GPS. Op pad, mensen!
We worstelen ons door de belendende bosschages voordat we weer op het zompige bospad van gisteren staan. Ron laat ons een mysterieuze grafzerk zien, die hij zojuist in de bosrand tussen de struiken ontdekte. Het is een steen uit 1875 van ene Baldina; de rest van de letters is onleesbaar. Wel is duidelijk dat het graf nog steeds onderhouden wordt. Welk drama heeft zich hier meer dan een eeuw geleden afgespeeld? We lopen terug naar een grasvlakte, waar ons een laatste blik wordt gegund op het dorpje Benenberg. Gisteren haalden we daar water. Het landschap is op deze vroege morgen verrassend. Glooiende velden met koeien, romantische bosranden en veelbelovende vergezichten. Ons pad gaat geleidelijk op en neer. Heel geschikt om de spieren warm te lopen.
We verlaten het bosgebied. We naderen nu kasteel Wildenburg. De toren steekt trots boven de omliggende gebouwen uit. De plek komt ons bekend voor. We waren hier al eerder (in 2007), toen we vanuit het daarachter liggend dal omhoog klommen naar het op de rotsen gelegen hotel/restaurant Burgschänke, naast het kasteel. We lieten ons toen in de gelagkamer, met verhitte koppen en dampende ruggen door het open haardvuur, verwennen met koffie en gebak. Kwamen we op dat moment bezweet door het klimmen van beneden uit het dal omhoog, nu dalen we opgewekt en ontspannen vanaf de heuvels er naartoe. Een wonderlijke ervaring. We zijn nog maar net op weg, dus van pauzeren hier in Wildenburg is geen sprake. We glibberen over de natte keien van de voormalige binnenplaats tussen kasteel en kerk, klimmen en dalen over stenen trappen en belanden dan ineens weer op een bospad. Wat later dalen we steil af naar een smal dal, waarna onvermijdelijk een stevige klim volgt naar een hooggelegen weiland. De rugzakken gaan daar even af. Tijd voor een plaspauze en wat op adem komen met bonbon-napoleons achter de kiezen. Daarna koersen we naar het stadje Hellenthal, waar we eten moeten inslaan. Een bord geeft aan dat het nog 7 km is. Dus nog dik een uur.
Onderweg komen we door het dorp Reiffenscheid. Ook hier een combinatie kerk-kasteel, wit gepleisterde symbolen van samenzwerende machthebbers van Kerk en Staat. Het complex ligt hoog boven ons, met romantische vakwerkhuisjes tegen de helling. Nu is het wél koffietijd. Maar waar? Evelien duikt meteen een café in. Zij deinst ontzet terug door de verzuurde walm van alcohol en sigarettenrook en de dikke Duitse dorpskoppen die haar aanstaren. Gelukkig blijkt er verderop een Konditorei te zijn. Boven de deur staat met sierlijke letters Leni's Café- Backshop. De naam had iets romantischer gekund. Want een groter tegenstelling met de kroeg is niet denkbaar. De ruimte is fris en proper. Aan de wanden hangen schilderijtjes met veldbloemen. Overal keurige donkerbruine houten tafeltjes met smetteloos gele kleedjes. Een vriendelijke vrouw, Leni dus, met een fors hoofd en dito boezem, staat uitnodigend achter een vitrine, met grote stukken vers gebak achter het glas en een grote vaas met gele rozen er bovenop. Mijn liefje, wat wil je nog meer? Het is hier dat we de jaarlijkse gebaksgift van tante Bep in dankbaarheid kunnen consumeren. Tijdens het nuttigen van deze heerlijkheden bespreken we voor de zoveelste keer de hoogte- en dieptepunten van deze trektochten. Maar ook de vraag of er mannelijke en vrouwelijke groenten bestaan. Niet biologisch, maar psychologisch bezien.
Als we buiten de rugzakken weer omhangen staat aan de overkant een plaatselijke pensionado, die ons al een tijdje met welgevallen bekeek. Hij wijst met enige trots naar het hooggelegen kerkje en kasteel achter hem en adviseert ons daar vooral een bezoek te brengen. Maar dan wèl via Die alten Treppen. Hij richt zijn priemend vingertje dwingend op een stenen trap, die vanuit de dorpsstraat steil omhoog leidt. Ganz einfach zu bestiegen! Wij verkiezen tot zijn verbazing een modderig landweggetje, dat iets verderop tussen de huizen door omhoog leidt. Het brengt ons langs een vrolijk kabbelend helder beekje geleidelijk omhoog. We komen achter het kasteel uit. Tegenover het robuuste poortgebouw ligt een oude lagere school. Op het hooggelegen plein tussen school en kasteel moeten vele generaties Duitse dorpskinderen hebben gespeeld. In gedachten zie je de Hitlerjugend in hun uniformpjes, plechtig in carré opgesteld, luisteren naar de plaatselijke Gauleiter. Op trektochten door Duitsland valt onderweg veel te fantaseren.
We duiken een bospad naast de school in. Een vriendelijke afwisselende Eifelroute volgt door bos en open veld met magnifieke vergezichten. Die voert ons naar het reeds aangekondigde stadje Hellenthal, gelegen aan de Oleftalsperre, een klein stuwmeer temidden van donkere bossen. Langs de afdalende dorpstraat zijn links en rechts witte villaatjes, alle voorzien van wapperende vlaggen en wimpels. Die blijken van twee elkaar beconcurrerende voetbalclubs te zijn. Een innerlijk verscheurde gemeenschap dus. We hopen dat de pastoor tussenbeide komt als de mensen met elkaar op de vuist gaan. We belanden op de Hauptstrasse met het Gemeindehaus en een Supermarkt. Bij het kruispunt is een parkje met een picknicktafel. Mooi moment voor de lunch. Een iel zonnetje breekt door. Schouders en voetzolen zijn het even zat. Rugzakken dus af en schoenen uit. Georgine, JW en Peter doen de inkopen. Els en Evelien maken de lunch klaar met het "oude brood" van thuis.
Het is inmiddels al half drie. Op de stafkaart zien we waar we vannacht mogelijk kunnen kamperen. De Lammertsberg, boven de Oleftalsperre lijkt wel wat. Wat zo'n keuze betreft heb je weinig aan een GPS- satellietontvanger. Kaart & kompas met daarop hoogtelijnen en aangegeven begroeiing blijven voorlopig nodig. Een rood wijnglaasje op de kaart geeft bovendien aan dat daar bovenop een café is. Het bevindt zich aan de rand van een wildpark, gelegen op een van dat café aflopende helling. Gaan we daar water halen en bij regen vanavond een bezoek brengen? Evelien klampt direct een dorpeling aan. Het café blijkt tot zes uur open, tenzij er jagers zijn. Dat is dan andere koek, want die zijn onze aartsvijanden. Joyce, Els en Evelien bestuderen enigszins ongerust nóg eens het kaartdeel rond de beoogde kampeerplek.
De etenhalers komen zwaarbeladen terug. Het is inmiddels bewolkt, winderig en koud geworden. Met afgrijzen bekijk ik de ingeslagen koude mandarijnen en de pakken gekoeld vruchtensap. Het is bijna drie uur, maar het lijkt al vijf uur: De levensmiddelen verdwijnen in de rugzakken. Mijn handen kleumen als ik deze notities maak. De rillingen lopen mij over de rug. We moeten opstappen!
We sjouwen nog een stuk over de stoepen van Hellenthal, doorkruisen een park en gaan een brug over. Dan begint een lange geleidelijke klim naar het Berggasthof dat hoog boven de Stausee ligt. De koude rillingen maken plaats voor bezwete ruggen, hijgende ademhaling en loodzware voeten. Maar we worden beloond. Tegen vier uur bereiken we restaurant Zum Adler, pontificaal gelegen tussen wapperende landsvlaggen, houten beer- en adelaarssculpturen en borden waarop diverse Wildspezialitäten worden aangeprezen. Bij binnenkomst schrikken we even van een opgezette das bij de deuropening, een prachtexemplaar met ontblote tanden en scherpe klauwen. Je mag het beest volgens het prijskaartje voor slechts 75 euro meenemen. Ik heb geen aanvechting deze naamgenoot te kopen. De laatste toeristen, die ongetwijfeld het Wildfreigehege hebben bezocht, verlaten op dit late koude uur het restaurant. Zo kunnen wij ons, bezweet van het klimmen, behaaglijk in de vrijwel lege gelagkamer nestelen rond een grote houten tafel in de hoek. Binnen tien minuten staan hoge glazen Maisel's Weisse en andere drankjes voor ons. We spreken af dat er richting obers niets van onze geheime kampeerbedoelingen mag ontsnappen aan de paarlen onzer tanden. Kortom, dat we desgevraagd moeten zeggen dat we onderweg zijn naar een eine Jugendherberge in het dal. In feite gaan Evelien en JW direct na aankomst snel op zoek naar een kampeerplek in de achterliggende bossen.
Aan alles is te merken, dat dit een toeristisch oord is. Het restaurant biedt een indrukwekkend panorama over dit stukje Eifel. Buiten zijn vele zitjes en er is een grote parkeerplaats. Een houten kiosk verkoopt al die prullaria die behoren bij het echte vakantiegevoel van het toeristenproletariaat. Dat weerhoudt ons niet om stiekem op de toiletten onze flessen te vullen met drinkwater. JW en Evelien komen pas na een uur terug. We maakten ons al zorgen. Ze melden dat er aansluitend op het wildpark een tussengebied is, waar al een aantal auto's met jagers klaarstaat om vannacht te jagen. Als er een film van deze tocht zou worden gemaakt met passende muziek als ondersteuning van de sfeer zouden hier voortdurend paukslagen moeten klinken. Maar goed, dáár achter is een ánder bos, waarvan we hopen dat de jagers niet komen.
Een onverwachte tegenslag, maar op deze plek te verwachten. We bestellen nog een consumptie om de stemming van JW en Evelien op te krikken. Want die zijn behoorlijk moe. Buiten strijkt een groep amateurfotografen neer, bepakt en beladen met zeer uitgebreide apparatuur. Ja, zo kan ik het óók. Ik ga er even bij zitten en luister naar het exposé van een oudere man over natuurfotografie. De breed geëtaleerde deskundigheid druipt er vanaf. Het is nu kwart over vijf. Laten we hopen straks in de bossen niet weggestuurd te worden door agressieve jagers en woedende boswachters. De rugzakken zijn nu volledig aangevuld met drinkwater, dus kunnen we verder gaan.
Met zo'n speurtocht naar een obscure kampeerplek hebben we inmiddels ruime ervaring. We dwalen, om ons heen spiedend, langs donkere bosranden, met een schuin oogje op autosporen van vijandige Mercedessen (en die zijn er), slaan een zijpad in en nóg één en nóg één. Tot we alleen hier en daar nog oude tractorsporen zien. Die stellen ons gerust. We bevinden ons nog steeds op de hoogvlakte achter Zum Adler. Het is een bosgebied, doorkruist door brede paden tussen oude hoge Douglassparren. Dus waar we ook gaan staan, iedere passant ziet ons. Maar, zowaar, ergens achter die donkere naaldbomen ontdekken we ineens een perceel dichtbebladerde loofbomen. Bingo!
Het gaat regenen. Eerst enkele dikke druppels, maar dan harder. Snel zetten we onze tenten op. Wat nu? Ik kruip in mijn tent en zak onderuit omdat ik vrij moe ben. Ik voel me een egoïst, al zal ieder het deze bijna 79jarige graag vergeven. Iemand roept mijn naam. Ik schrik in paniek wakker. Tot mijn verrassing brandt het kampvuur al vrolijk, ondanks de inmiddels stromende regen. En er is intussen een heerlijk maal gekookt, dit keer door mijn dochter Georgine, die in haar lichtblauwe poncho als een imponerende bosgeest op mijn driepotig krukje zit achter een dampende pan met macaroni. Zij is juist bezig, geassisteerd door Els, met kloeke hand bosuitjes, slagroom en andere ingrediënten door de prut te roeren. De rest van de groep staat schuilend onder hun grote paraplu's rond een hoog oplaaiend vuur.
Het is al zeven uur en buiten onze door de vlammen verlichte kring is het stikdonker. Enkelen rollen een paar drijfnatte boomstammen naar de kampvuurplek. Om op te zitten zijn ze koud en oncomfortabel, maar er is geen andere keuze. Even menen we diep in het bos een bewegende zaklantaarn te zien. Onmiddellijk schermen we het vuur af met de paraplu's. Maar het lichtje blijft aan- en uitgaan, op dezelfde plek. Dus is het een straatlantaarn ergens in de verte, die door bewegende bomen en struiken zo nu en dan zichtbaar is. We genieten van de warme hap. Inmiddels is het droog. Els en ik gaan al om half negen naar bed. Het was welletjes voor vandaag. De anderen blijven nog lang rond het vuur zitten. Zij porren tot slot met stokken in de duizenden nagloeiende stukjes houtskool.
Dit keer in de vroege morgen geen gebeier van kerkklokken in deze barre bossen boven de Stausee van de Oleftalsperre. Ik ben al zeer vroeg wakker, sper mijn ogen wijd open om het eerste morgenlicht te ontwaren. Maar het is nog te donker. Ik wentel in mijn slaapzak linksom, rechtsom, trek mijn benen op en voel mij als een ongeduldige foetus die de geboorte van de dag afwacht. Wij liggen wat ongelukkig door de bobbelige graspollen onder het grondzeil. Maar je hoort niemand klagen. Alleen een harde wind waait al uren door de toppen van een rij hoge sparren, die op de grens van loof en naald al de hele nacht onrustig staan te doen. Eén ding is zeker: het is droog. Het is pas zes uur. Ik trek mijn schoenen provisorisch aan, open voorzichtig de tent, strompel over blad en tak, doe een plas en duik de tent weer in. Dat belooft een weldadige naslaap zonder urologische drangmomenten.
Om half acht begint voor de groep de dag pas echt. Als ik de tent verlaat na het slaapzakrollen en aankleden zie ik Jan Willem al de brander aanmaken. Het duurt niet lang of ieder staat te genieten van koffie, thee en Duitse boterhammen, klaargemaakt door Joyce. De stemming is opgewekt, al was het maar omdat boven ons een blauwe lucht met wat vage wolkjes mooi weer voorspelt. Rond tien uur staat iedereen bepakt en bezakt klaar voor vertrek. Voor Jan Willem en Ron is het de laatste loopdag. Er staat ons een lange route te wachten.
Est ist empfindlich kalt als we het bos verlaten en tussen vergelegen bosranden door over gigantische grashellingen noordwaarts lopen. Overal verharde landweggetjes met hier en daar herfstige struiken, waartussen een ijskoude westenwind vrij spel heeft. Ook zijn er wat stevige klimmetjes die ik in een verkeerd (te hard) tempo neem, waardoor ik lichte hartkloppingen bespeur. Terugschakelen dus naar een symmetrie tussen klimritme en ademhaling. Wat ongerust geworden breng ik in een achterlopend groepje het onderwerp kunstmatige ademhaling ter sprake. Ineens wordt het ene na het andere gruwelijke verhaal verteld. Ik constateer echter opgelucht dat er tijdens de afgelopen 35 trektochten medisch gezien nooit iets ernstigs is voorgevallen. Of het moet de collectieve voedselvergiftiging van zo'n dertig jaar geleden zijn geweest.
We betreden nu een gebied met windmolens. Duitsland loopt met zijn energiebeleid hierin voorop. Even later zijn we in een dorpje met de propere naam Schöneseiffen, gelegen aan de rand van het Nationaal Park. Daar blijkt toevallig een café open. Het is pas elf uur èn zondagmorgen. Maar tóch bezwijken we voor de verleiding. De rugzakken gaan af en we stappen wat rumoerig het etablissement binnen. Er zit een echtpaar verveeld aan een kop koffie te lurken. De waardin heet ons vrolijk welkom. Ze heeft een paardenstaart en dito tanden en draagt een strak zwart truitje boven een blote buikspleet. Ze dient in no time koffie, chocolademelk en rozenbottelthee op. Alsof ze weet dat we aan het begin van deze zware dag niet teveel tijd mogen verliezen. JW tovert een plastic doosje met arretjescake te voorschijn. Een tuinproduct van zijn eega Jolanda. Even overheersen familiaire geluksgevoelens. Want een Reintjes-evenement zónder deze lekkernij volgens het aloude recept van Oma Moeke is ondenkbaar.
Het dorp ligt aan de rand van de voormalige Truppenübungsplatz Vogelsang, in mijn tijd een militair oefengebied voor Nederlandse dienstplichtige soldaten die samen met de stoere mannen van de Bundesrepublik zich voorbereidden op een oorlog met Rusland. Ik noteer dit, omdat ik bij de gedachte alleen al gegeten en gedronken heb. Maar ja... JW nam het in zijn routeplanning op omdat het nu eenmaal Nationaal Park Die Dreiborner Hochfläche heet. Je moet wél op de paden blijven, want daarbuiten kunnen nog onontplofte granaten liggen.
We marcheren het gebied binnen over een lange rechte verharde weg. Wat ik verwachtte met een schuin oog op de stafkaart wordt bewaarheid. De eerste kilometers leiden ons door één troosteloze moerassige hoogvlakte met hoog gras en uitgebloeide bremstruiken en eindeloze vergezichten. Je zal hier maar lopen in een striemende regen. Ik merk dat de rest van de groep aanzienlijk positiever over dit gebied denkt. En inderdaad, na een tijdje went het en wordt het landschap afwisselender. Je waant je in Schotland. Ron loopt als een speer ver voor de troepen uit. We zien hem even later in een wat romantisch dalletje op een bankje zitten. Een mooie plek voor de lunch! De rugzakken gaan af.
Nu eens niet een vluggertje met een slokje koud water, maar de brander aan en een pan vol opgezet. Het is nog steeds bewolkt maar droog. Er waait een ijskoude wind. Ideaal om eindelijk onze zakjes soep aan te spreken. Sommigen hebben het zwaar. We knappen op van de warme drankjes en de royaal belegde boterhammen. Het lijkt of onze langzaam weer stijgende stemming ons milder maakt voor de ongemakken. De route na de lunch ervaren we als afwisselender en vriendelijker. Vooral als we de grens van de hoogvlakte bereiken. Dan bevinden we ons ineens aan de bovenrand van een liefelijk dal, waar ergens beneden, in het dorpje Erkensruhr, de auto van Ron moet staan.
We lopen eerst langs glooiende weilanden en bosranden en belanden dan op een smal rotspad dat steil naar beneden naar het dal voert. Dat kost nog heel wat tijd. Het is om precies te zijn 260 m zigzaggend afdalen. De plaatselijke VVV heeft er ter afwisseling iets educatiefs op gevonden. Zij heeft deze route het Schöpfungspad gedoopt en onderweg kantelborden geplaatst met aan de ene zijde een Bijbelspreuk uit de Psalmen of een citaat uit de brieven van de apostel Paulus, en aan de andere zijde profane teksten van gelijke strekking. Aan alles en allen is dus gedacht.
Eenmaal beneden in het dorp ploffen we neer bij een soort toeristenhuisje met een ver uitstekende overkapping, waaronder een zitbank voor nooddruftigen. Herman verrast ons met - wederom - arretjescake, dit keer gemaakt door dochter Ilse. Daaruit putten we weer wat energie, want enkelen zijn nogal afgepeigerd.
Wat nu? Ron haalt alvast zijn auto naar hier. Dan volgt een interessant besluitvormingsproces, waar ik mij maar niet mee bemoei. Zoveel is duidelijk: we kamperen vannacht ergens op de tegenover liggende helling. Gaan Jan Willem en Ron volgens plan mee omhoog voor de maaltijd? Of houden ze het hier voor gezien en rijden direct naar huis? Els kondigt aan dat ze de trektocht hier wil stoppen. Het is teveel voor haar geweest en wij kunnen dat heel goed begrijpen. De groep besluit na enig beraad af te zien van een tussentijdse slotmaaltijd aan een kampvuurtje bovenop de heuvel. Beter is het direct hier in het dorp wat te eten. Dit zo zijnde ledigen we rücksichtslos de hele watervoorraad voor deze overnachting. Die stond in de nu niet meer nodige plastic flessen achter in Rons auto. Ook de ingrediënten voor het door Els en oom Jan voorbereide Eifeldiner laten we met enige spijt achter. Op hun menukaart stond een zalmcocktail als voorafje en als hoofdgerecht couscous met tutti frutti, ananas, velderwten, notenmelange en zoete uien, het geheel overgoten met kerriesaus en geserveerd met witte wijn. Het had een ongekend uitgebreid semi-slotdiner kunnen worden. Alleen het kartonnetje witte wijn vindt, zoals te verwachten was, tóch nog een plekje in iemands rugzak. Ron heeft inmiddels een goedkope snackbar ontdekt waarvan de uitbaatster ons nu - het is vijf uur - direct een eenvoudige maaltijd kan voorschotelen. Zo gezegd, zo gedaan.
Even later zitten we gezellig rond aaneengeschoven tafels achter bokalen bier en andere drankjes. De vrouw heeft alleen Wienerschnitzels met frietjes en voor elk een bakje fijn gehakte, maar ondefinieerbare groente. Voor onze vegetarische Joyce dringen we aan op een hardgekookt of gebakken ei, voorzien van een royale tulp mayonaise. Maar helaas. "Eier sind leider nicht im Hause". Dan maar een extra flots paddenstoelensaus over haar dikke frieten. Herman krijgt tijdens de maaltijd zijn door Els ontworpen medaille voor 20 jaar trouwe dienst uitgereikt. Want die had hij op de eerste dag gemist. Het motief daarop is voor deze meester-stoker een kunstig gestileerd kampvuurtje. De stemming stijgt tot een hoogtepunt als de vrouw ieder van ons een glaasje hausgemachte zwartebessenlikeur aanbiedt. Als dank vertel ik haar het zwartebessenmopje uit de zeventiger jaren, door mij opgetekend toen de Dasjes nog huttentochten maakten in Oostenrijk.
'Pappa, sind das Blaubeeren?' - 'Nein, das sind Schwarzbeeren.' - 'Aber sie sind doch rot?' - 'Ja, weil sie grün sind...'
Deze anekdote in haar eigen landstaal en dan van zo'n domme Holländer kan zij wel waarderen. We nemen vrolijk van haar afscheid, nadat onze penningmeester Peter royaal heeft afgerekend. Ron, Jan Willem en Els verdwijnen na de nodige omhelzingen in de duisternis. Zij laten de groep geamputeerd, om niet te zeggen ontredderd, achter. Want het is al half zeven. Het is donker. En het regent. Tel uit je winst...
We lopen terug langs de straatweg en nemen dan een bosweg die, steil omhoog tegen de westelijke helling, ons de bossen van het Staatsforest Monschau binnenleidt. Een nogal zware drie kwartier volgt waarin we, de rugzak torsend en de paraplu schuin voor ons tegen de kletterende regenvlagen, onszelf moeizaam bergopwaarts werken. Geween en geknars der tanden, dat is zo'n beetje onze oudtestamentische stemming. Maar eenmaal boven vinden we snel een kampeerplek in een beukenbos. Uitgeput maar doorbuffelend zetten we de twee tenten op. Slechts twee, want de tent van Evelien en Peter is - heel slim - meegegeven met JW. Zij kunnen er nog in de tunneltent bij, nu ook Els er niet meer is. Herman legt een kampvuurplek aan en bouwt een prachtig piramidevuurtje. De anderen sprokkelen droog hout. Er groeit een stapel takken, waarmee we tot diep in de nacht door zouden kunnen stoken. Eigenlijk keert dan al gauw bij iedereen de conditie weer terug. Zo betrekkelijk is alles voor geharde TT'ers. Joyce blijft nog lang in haar tent uttelen met van alles en nog wat en roept ons vanuit haar comfortabele positie opgewekt allerlei opstandige en relativerende kreten toe. Eten deden we al beneden in het dal. Nu is het zaak het karton met twee liter witte wijn aan te spreken. Of nog wat uit de geslonken voorraad sterke drank. Na de vermoeienissen van deze dag komt er een uitbundige stemming over dit groepje van zes overblijvende trektochters. We zitten nog lang onder onze paraplu's rond het vuur en bespreken wat eenieder op haar of zijn hart heeft.
De hele nacht heeft het geregend. Afwisselend hard en zacht met zo nu en dan grote druppels uit nadruipende bomen. Elke kampeerder kent die geluiden op het tentdak. Sommigen droomden onrustig. Zou het van de paddenstoelensaus over de frieten van gisterenavond komen? Langzaam lost de nacht op in de ochtendmist. Het is acht uur. Iedereen rommelt nog wat in de tenten. De onze met vier slapers is warm en vol. Traditiegetrouw sta ik als eerste op en begin met het oprollen van slaapzak en matje en het ontruimen van mijn tentdeel. Daarna strompel ik met losgeveterde bergschoenen naar buiten om mijn rugzak daar verder in te pakken. Tot mijn verbazing staan wij vlakbij een groot wildhek. Gisteren in het donker niet gezien. Het is nu droog, maar regen dreigt.
Als we om kwart over tien gaan lopen moeten de paraplu's op. We volgen de bosweg van gisterenavond verder omhoog en komen uit op een viersprong. Vandaar gaat het een tijdje noordwaarts over een horizontale route door een prachtig bosgebied. Dan dalen we af naar het dorpje Einruhr, gelegen aan de uiterste zuidpunt van de Obersee. Dat meer is een zijarm van de grote stuwmeren de Rurtalsperre en de Schwammenauel, samen kortweg de Rursee genoemd. Daar steken we de Rur over. Aan de andere zijde loopt een wandelpad langs de Obersee, heel comfortabel. En wat nóg mooier is: de lucht klaart op en we bevinden ons ineens in een zonnig rivierdal. Overal staan bankjes met soms een metalen plaatje erop met de mededeling dat dit pad een onderdeel is van een Rücksacktour. We pauzeren even in een blokhut met uitzicht op het water. Wat de rest van de groep nog niet weet, maar de kaartlezers wél, is dat we straks een stevige klim krijgen naar een hooggelegen uitgestrekt bosgebied zonder dorpjes en andere geneugten. Dus vinden die kaartlezers het raadzaam daarvóór nog even een Konditorei of café te bezoeken, te lunchen en water in te slaan voor de komende nacht.
Het wandelpad brengt ons in de zuidelijke uitloper van de toeristenplaats Rurberg, een Freizeit-anlage met vakantiehuisjes, hotels en restaurants. Grotendeels gesloten trouwens. We bereiken het via een soort dam, gelegen op de plek waar de drie Stauseeën samenkomen. Een bij de dam gelegen snackbar is dicht. Evelien stelt zowaar voor het chique hotel-restaurant Paulushof als lunchplek te gebruiken. Daar doet zij verstandig aan, omdat het een prachtig zonovergoten terras heeft, vanwaar je uitziet over het water. Anderzijds deed zij daar onverstandig aan, want ineens wil iedereen iets hartigs, in plaats van de gebruikelijke Kaffee und Kuche. We nestelen ons op het terras op geriefelijke stoelen tussen bloeiende bloembakken, koesteren het warme herfstzonnetje en bekijken ieder voor zich met enig welbehagen de menukaarten. Salades, deeggerechten, vis, vlees, witte wijn, Weiszbier: het duizelt ons een beetje. Wat de obers van Paulushof na onze bestellingen opdienen slaat alles. Zalmsalades in een kom van bladerdeeg, grote vierkante borden met macaroniachtige plakjes, gedrenkt in saus, gorgonzola mascarpone en andere heerlijke gerechten. Georgine neemt een karafje witte wijn van een soort, waarmee je je een delirium wil drinken. Ook de anderen laten zich niet onbetuigd.
Gelukkig weten we ons verder in te houden. Want als we eenmaal de rugzakken hebben omgehangen lopen we via een andere stuwdam naar de voet van een zeer steile helling. Daar begint een rotspad dat ons moet brengen naar een 200 m hoger dicht bebost natuurpark. Het is een onderdeel van het Nationalpark Eifel en moet ons uiteindelijk een kampeerplek bieden. Het is een flinke klim van een uur. We bereiken een begroeide rotskam. Links diep beneden ons glinstert het blauwe water van de Schwammenauel en rechts dat van de Urfttalsperre. Het klimmen is zoals altijd een kwestie van rustig en regelmatig stappen en gelijktijdig ademhalen. Vlak onder de top wachten we hogelijk verhit even op elkaar, waarna de laatste 50 m een fluitje van een cent is. Het pad komt uit op een hoogvlakte met brede boswegen. We passeren een vijfsprong met een sappig weitje met vijf picknickbanken, een bladvormige ligbank van houten latten en natuurlijk een kampvuur- cq barbecuevoorziening. Die nodigen uit een kwartiertje te relaxen in de zon. We laten ons niet verleiden op deze luxueuze plek ons kamp op te slaan. Hoewel er nergens een toerist of boswachter te bekennen is. Wél kondigt Evelien aan dat we vanaf nu een kampeerplek gaan zoeken. We volgen nog even een verharde bosweg en slaan dan een drassige zijweg in, die alleen door bosarbeiders wordt gebruikt.
We lopen langs een zonovergoten maar kaal terrein, waar nog niet lang geleden een flink stuk bos is gekapt. Aan de andere kant van het pad is een bosrand met beukenbomen, waarachter een donker naaldbos schemert. Georgine loopt vooraan, verkennend rondkijkend. Ze stuit opeens op een roedel van zeven edelherten, waaronder één met een geweldig gewei. Zij verdwijnen met grote sprongen in het bos. Helaas ongezien door een deel van de groep, dat verdiept is in een groot stuk boomschors, dat aan de binnenkant gestructureerde gangetjes van insecten of rupsen heeft. Een waar kunstwerkje. Nog vol van de confrontatie met het grofwild vinden we in de bosrand onder de beukenbomen een geschikte kampeerplek. De grond is weliswaar omwoeld door wilde zwijnen, maar zij ligt op dit tijdstip van de dag nog in het volle zonlicht.
Ik stap wat rond en zie in het achterliggend naaldbos in een flits logge contouren van een paar wilde zwijnen tussen de donkere stammen wegschieten. Jongens, zouden we hier wel blijven? Want er waait ook, ondanks de zon, een ijskoude wind door dit hooggelegen bosplateau (495 m). Evelien, immer groepsgericht, wil nog wel verder zoeken. Al denkt ze weglopend ongetwijfeld 'het is ook nooit goed of het deugt niet'. Zij komt monter terug met de mededeling dat er wel mooie plekjes zijn, maar alle in een donker bos. De uitkomst laat zich nu raden. We blijven op deze zonnige, maar open en tochtige locatie.
Het is bijna half vijf. Voor ons doen vroeg. Té vroeg. We zitten op een boomstam gezellig te borrelen. En als de zon zich verplaatst, verplaatsen wij ons ook. Na vijven zetten we traag onze twee tentjes op, maken in de luwte van een stapel boomstammen een kampvuurplek met zitjes eromheen van boomstronken met ruwhouten planken erop en gaan hout sprokkelen voor het vuur. Evelien en Peter bereiden een voedzaam maal van linzen, uien, kikkererwten, tomaat en stukjes gebakken rookworst. Heerlijk, maar dorstverwekkend. Het kampvuur brandt door de rukwinden al gauw als een tierelier. Zó, dat ik bang ben voor de kans op een bosbrand. Want als een windstoot gloeiende kooltjes wegblaast over het omliggend tapijt van droge bladeren hebben we er geen controle meer over. Natgeregende bossen zijn op dit soort plekken bij harde wind in een oogwenk kurkdroog. We bellen met de thuisfronten en met Els, die met enige spijt maar met evenveel opluchting, ons nog een mooie tocht toewenst.
In de verte klinken geweerschoten. We houden even de adem in. Maar dan is en blijft het stil. Jagers die schieten en wilde zwijnen die de grond omwoelen zijn potentiële vijanden. Herman en Joyce hebben een moeizaam, voor anderen komisch telefoongesprek met dochter Tosca, die morgen een hospitaliseringsgesprek heeft voor een kamer in Deventer en zich ineens niet goed voelt. Ze wordt door haar bezorgde ouders overladen met vragen en adviezen. We luisteren ademloos toe. Het brengt het gesprek op de bedenkelijke kanten van hospitaliseren en van solliciteren in het algemeen. Je bent overgeleverd aan de berekenende willekeur van anderen. Zo gaan, terwijl we om het vuur zitten de onderwerpen van de hak op de tak. Na het eten drinken we gretig kruidenthee en borrelen nog wat. Het blijft hard waaien. Liever hadden we minder wind, maar het vuur is bij Peter en Herman in goede handen. Ik duik al om kwart over negen in mijn tent. Heerlijk! Mijn andere tentgenoten zie ik voorlopig niet verschijnen. En dat is een goed teken.
De hele nacht blijft het waaien. Forse windstoten afgewisseld door onrustig geraas door de toppen van de bomen. Toch is het warm in onze goed geïsoleerde tunneltent met de vier slapers. Ook Herman en Joyce, in hun tentje tien meter van ons vandaan, zullen niet klagen. Soms hoor je in de verte het bekende geschurk en gekraak van een door rukwinden geteisterd woud. Dan hoop je maar dat er boven onze hoofden geen takken afbreken. Ik lig naar mijn gevoel uren wakker, draai en draai en droom ingewikkelde dromen. Ook de anderen dwalen door een wereld van zorgelijke hersenspinsels. Wat is dat toch? Komt dat door het eten? Of de alcohol? Acht uur blijft de tijd van opstaan. Ik zie Herman dan al bezig met het wegwerken van de kampvuurresten van gisterenavond.
Nog steeds geselt een immer voortdurende harde wind uit de tegenover liggende vlakte onze bosrand. We pakken onze rugzakken en maken het ontbijt klaar. Er zijn nog stukken suikerbrood over. De liefhebbers spreken hun slinkende hoeveelheid espresso aan. Vandaag is de laatste loopdag. We zitten evenals gisterenavond in de luwte van de stapel boomstammen en genieten van het ontbijt. De twee open tenten staan achter ons bol van de wind te drogen van het zweet op de binnententen. Zo heeft elk nadeel (wind) zijn voordeel (droog). Als we om tien uur gaan lopen waaien fijne regendruppels druilend over dit Kermeter Hochwald. Het is alsof je in het hooggebergte door de wolken loopt. De regenhoezen gaan over de rugzakken en de paraplu's steken we op. Ik kijk nog even om naar onze kampeerplek en zie ineens een rood bordje op een paal met de waarschuwende tekst:
Gesperrt - Schweinenpest
Hadden we gisteren moeten weten! Het door tractoren omgeploegde bospad brengt ons op een merkwaardig verharde weg van zacht grijs asfalt. We lopen door en komen bij een plek met de meest waanzinnige splinternieuwe toeristische voorzieningen. Rond een soort plein is een lange wand met voorlichting over het gebied, een solide natuurhouten toiletgebouw en andere blokhutachtige constructies, behangen met regenbestendige landkaarten. Erachter zijn tientallen parkeerplaatsen voor verschillende vervoermiddelen, van rolstoelen tot autobussen. Bordjes verwijzen naar wandelroutes door de omringende bossen. Een Trim-dich-Pfad, een Wildpfad, een Waldlehrpfad, allemaal óók voor Behinderten. Kortom: degelijke Duitse voorzieningen, bedoeld om dit onderdeel van het Natur Park Eifel voor letterlijk iedereen toegankelijk te maken.
We blijven hierna lange tijd op hoogte, dus dat schiet op. Onderweg is er een telefoontje van tante Hermien. Oom Rutger is zaterdag in het ziekenhuis opgenomen met een kleine darmbloeding. Onderzoek wees uit dat hij binnenkort weer naar huis kan. Het schijnt dus mee te vallen. We staan dan juist in de buurt van een Pilgerkreuz uit 1750 met het opschrift:
Wir sind nur Gast auf Erden
und wandern ohne Ruh
mit mancherlei Beschwerden
der ewigen Heimat zu.
Aldus getroost en bemoedigd lopen we het idyllisch gelegen bergdorpje Wolfsgarten binnen. Niet meer dan wat huizen en boerderijen en akkers te midden van de bossen aan de rand van deze hoogvlakte. Volgens de kaart bevindt zich hier een restaurant, Kermeter Schänke genaamd. We bereiken het via een pad tussen weilanden. Het is half één, een gevoelig moment van de dag. Gaan we hier alleen maar een kopje koffie drinken? We schuiven bijeen aan een tafel voor zes personen en besluiten na enig gewik en geweeg hier een eenvoudige warme lunch te bestellen. Bier, witte wijn en thee lessen meteen onze dorst. Wederom laat de groep zich schaamteloos verwennen, al is het verdiend. Dat blijkt als men de gekozen gerechten uitserveert. Soep vooraf, frietjes, verse groenten, cantharellen, vlees van wilde zwijnen. Wat wil een mens nog mee? Het valt te bezien of wij na deze uitgebreide lunch vanavond nog zin hebben in het traditioneel slotdiner op de terugweg naar huis. In ieder geval overbruggen we op dit moment van de dag een behoorlijke regenbui. Regenvlagen kletteren tegen de ruiten van het restaurant.
Kwart over twee dalen we af naar het stadje Gemünd. Bovenaan het bergpad naar het dal staat een huis met een tuin vol rancuneuze protestborden. Onder andere tegen de voorzieningen bij de inrichting van het Nationaal Park. Spot und Hohn für die Hoheit des Nationalparks. En Nationaler Kinderhassenpark. We bekijken het tafereel met enige verbazing. De afdaling valt mee. Een geleidelijk zigzaggend pad brengt ons direct in het centrum van Gemünd. Het is nu zaak bij de auto van JW te komen, waarna en waarmee Hermans auto kan worden opgehaald. Daarvoor moeten we met de bus naar het stadje Kall. De bushalte is even zoeken. Het is nu half vier. De bus brengt ons in een kwartiertje naar Kall Bahnhof. Daar blijkt dat de trein naar ons beginpunt Urft pas tegen vijf uur vertrekt. We bestellen een taxi voor Peter en Herman. Evelien gaat als kaartleester mee. Georgine, Joyce en ik, een danig uitgedunde trektochtgroep, blijven achter in het stationsrestaurant, een keurige bar met broodjes en drankjes. We drinken wat en wachten. Inmiddels schijnt er een waterig zonnetje.
Rond half vijf arriveren tot onze opluchting de beide auto's. Georgine en ik rijden met Herman en Joyce terug. Georgines auto staat in Bilthoven; zij blijft daar overnachten. Evelien en Peter rijden in de auto van JW; zij moeten die vanavond brengen naar Maarssen. We spreken af niet meer op de terugweg ergens te gaan eten. We houden wel als afscheid onderweg nog een korte pauze in een wegrestaurant.
Zo eindigt deze 36e trektocht abrupt, evenals vaak in vorige jaren. 'Wat zullen we zeggen van deze TT?’ vraag ik mij af, nu we in de Volvo noordwaarts rijden en nog nagenieten van het prachtige Eifelland om ons heen. Het was een relatief koude tocht door een prachtig gebied, met veel nattigheid, wat klimmetjes en halverwege het vertrek van drie familieleden. Alleen daar al om een bijzondere trektocht.
In het AC-restaurant bij Venray sluiten we deze 36e trektocht af met koffie en thee en een klein kibbelinghapje pour deux. Om zeven uur nemen we afscheid van Evelien en Peter. Joyce vraagt mij onderweg wat mij in deze tochten het meeste trekt. Het is een gewetensvraag om over na te denken, want aan het einde van een trektocht kijk je door vermoeidheid en verlangen naar huis, bed en douche er anders tegenaan. Aan het begin is er het feestelijk ontmoeten van elkaar, met het vooruitzicht van een altijd mooie wandelroute door goudgele bossen en langs sappige groene weiden, beekjes, boerderijen en kastelen. En door onbekende dorpjes met hun cafeetjes en Konditoreien. Vooral het wildkamperen op steeds onbekende plekken is avontuurlijk, evenals het samen eten en de gezellige avonden rond het kampvuur. Nicht Els heeft van dit herfsTTgevoel een prachtige typering gegeven op de laatste pagina van het fotoboek van 2011. Dus wat moet schrijver dezes daar nog aan toevoegen?
Ik denk dat voor mij het meeste aanspreekt de gedeelde belevenissen met familieleden die elkaar goed kennen en daardoor opvallend soepel samenwerken. Soms is een tocht landschappelijk fantastisch en soms zit het onderweg wel eens tegen. Waarbij iedereen de tegenvallers na een paar keer slikken altijd weer voor lief neemt. Ook is er de charme van het onbekende verloop van elke tocht met de zekerheid dat je samen steeds verder en verder trekt door een meestal mooi en afwisselend gebied.
We hebben nog een paar dagen om af te kicken. Daarna neemt voor ieder het leven weer zijn eigen vertrouwde gang. Misschien dat in latere jaren mijn logboekaantekeningen èn de vele onderweg gemaakte foto's de herinneringen aan deze bijzondere trektocht van 2012 levend houden.
Oom Jan