TT‑verslag 2011-TT35
"RHEIN-TAUNUS"

35e Trektocht door het Naturpark Lahn-Dill Bergland van 15 t/m 19 oktober 2011
Logboekje oom Jan

De laatste jaren lever ik trouw een verslag van de trektocht in bij neef Jan Willem, die er dan met een keuze uit vele honderden digitale foto's op onnavolgbare wijze een prachtig boek van maakt. Het overtypen uit mijn onderweg bijgehouden logboekje biedt de gelegenheid bepaalde genoteerde observaties en invallende gedachten buiten het verslag te houden. Zo zal het ook dit jaar gaan. Neem nou het gevoel dat dit ècht de laatste tocht van deze bijna 78-jarige wordt. Ik denk eraan nu ik de avond voor vertrek de slaap niet kan vatten. Ik zet het radiootje naast mijn bed aan om het programma Met het oog op morgen te beluisteren. Het begint, voor wie het niet weet, altijd met het gevoelig gezongen "Gute Nacht Freunden, es wird Zeit für mich zu gehn ...". Het stemt mij ineens weemoedig, vooral nu de omroeper zegt dat het programma zijn 35e jaar in is gegaan. Daarmee is voor mij de toon gezet voor deze 35e tocht, die zich afspeelt in turbulente tijden, waarin de ene economische crisis na de andere de krantenkoppen haalt. Niettemin is mijn rugzak probleemloos gepakt en meldt nicht Els zojuist in een opgewekte mail dat de weersverwachting op de eerste trekdagen droog en zonnig zal zijn. Alleen de laatste dag wat neerslag. Maar ik realiseer mij bij al mijn eigen getob dat alle TT‑deelnemers hun wisselende stemmingen hebben op this fucking day before TT. Gewoon alles maar over je heen laten komen En bij problemen redt de komende dagen de routine ons wel.

Bijna verslapen. Dus uit bed springen en direct aan de slag. Georgine, gisterenavond uit Breda gekomen, is al wakker. Rond half zeven is het op de Kwikstaartlaan een en al gedempte activiteit op kousenvoeten. Al voor achten staan Ron en Irene voor de deur en vertrekken we over de A12 voor een lange rit richting Duitsland. De andere twee auto's zijn ongetwijfeld ook al onderweg naar onze ontmoetingsplek voorbij Wesel. De zon staat laag aan de oostelijke hemel. Een oranje gloed wordt getemperd door wonderlijke mistbanken. We tanken ergens en opeens staat de auto van JW naast ons. Bien étonnés de se trouver ensemble, zouden de Fransen zeggen. Els deelt tijdens het rituele kussen rugzakcorsages uit. Vrolijke textiele herfstblaadjes met 35 erop. Daarbij blijft het niet want even later tovert ze een stapeltje oude TT‑foto's te voorschijn, die we als ansichten naar het thuisfront kunnen sturen. Hebben we adressen? Zijn er postzegels? We hebben vijf dagen de tijd om dit postprobleem op te lossen.

Als we de grens passeren hebben we het gevoel, dat de tocht pas nu begint. Even later is in de inmiddels traditionele Raststätte Hünxe de groep compleet. We fladderen kussend en kwekkend om elkaar heen, nog onbezorgd om mogelijke kommer en kwel. We nemen een uurtje voor bijpraten, koffie & chocolademelk, kaart bestuderen en plassen. We moeten nog minstens 250 km zuidwaarts, grotendeels over de A45, naar het startpunt Marburg vanwaar we in vijf dagen westwaarts lopend door het Naturpark Lahn-Dill Bergland ergens in de buurt van Dillenburg moeten uitkomen. JW geeft op de kaart aan waar we in Marburg bij een school kunnen parkeren. We rijden verder, verlaten het Ruhrgebied en belanden op de legendarische A45 naar Frankfurt. Bekende TT‑namen staan op de afslagborden. Biggekerke, Siegen, Sauerland, Biedenkopf. Het laatste stuk naar de universiteitsstad Marburg gaat binnendoor.

Rond half twee staan we bij de parkeerplaats van de school. Mooi gevonden, maar verboden toegang, want Privat. Bij een café ertegenover zijn wat ongelukkige, want schuin aflopende parkeerplekjes. Wat we aan extra water hebben gooien we in het gras, want voordat de avond valt komen we langs een restaurant. Dus dan weet je het wel.

Tien voor twee klinkt: “Omhangen!” We steken in een lange rij via een voetgangersbrug de A3 over en belanden in het eeuwenoude centrum van Marburg, aangegaapt door verbaasde toeristen. Dat duurt maar even, want een dichtbegroeid kronkelpaadje voert ons steil omhoog naar het kasteel, een markant bouwwerk bovenop een heuvel. Het is het Landgraven Schloss, waar in 1527 na het optreden van Maarten Luther landgraaf Philipp der Groszmütige de eerste protestantse universiteit ter wereld vestigde. Diep onder de indruk genieten we van het uitzicht over de stad, al groeit de onrust door het langer toeven tussen het toeristenproletariaat. Gauw verder dus, want we zijn nog maar net begonnen. Via het hooggelegen slotpark bereiken we een beschaduwd bospad, maar even later sjouwen we door een open veld. Onze ogen worden verblind door het felle licht van een lage zon. Pas later, als het pad naar opzij zwenkt, kunnen we genieten van het dal van Marburg, dat zich in zijn volle glorie ter linkerzijde ontvouwt. Een veelbelovend begin van deze 35e trektocht. Ineens zit de vaart erin. Is het die onverwachte vitaliteit die zich soms van deze groep meester maakt? Of valt dit traject qua klimmetjes mee?

Ik weet het niet, maar al om half vijf bereiken we restaurant Dammühle. We zien deze fel begeerde pleisterplaats met zijn zonovergoten terrasjes al van bovenaf al in een dal liggen. Mooier kan het niet. Aan de rand van een sappig grasveldje schuiven we wat houten tafels en wankele klapstoeltjes bij elkaar, kritisch bekeken door Duitse dagjesmensen. Het duurt even voor een ober arriveert. Een thee, twee appelsap, inderdaad, maar verder toch negen kolossale bokalen Paulaner Hefe Weiszbier, naturtrüb. Het lekkerste dat een christenmens onder die omstandigheden kan nuttigen. We denken terug aan vorig jaar, toen we de eerste dag voortzwoegden met opgestoken paraplu's onder een niet aflatende regen.
Nu is het prachtig weer, hetgeen helaas betekent dat we hier zeker een uur blijven hangen. We verrichten ondertussen drie tamelijk criminele handelingen: 1. we vullen heimelijk al onze 24 flessen water; 2. we jatten kilo's sappige appels in de belendende boomgaard; 3. we ledigen heimelijk de suikerpot in een plastic zakje voor de appelmoes. Want zoveel is inmiddels zeker: na vele appelmoesloze jaren zijn we in een rijk oogstjaar beland en kunnen we een oude TT‑traditie weer oppakken.

Half zes gaan we hoopvol gestemd verder, want onze leider JW beloofde een prachtige kampeerplek in de directe omgeving. Een steil uit het dal opklimmend pad voert ons naar een prachtig bos, het Peterswald, dat onmiddellijk door iedereen getaxeerd wordt als bijzonder geschikt voor een comfortabele overnachting. Horizontale met bladeren bedekte goudgele bosgrond. We zetten meteen de tenten op tussen de door de avondzon beschenen glanzende beukenstammen. Een warm en voldaan gevoel vervult ons. Hiervoor doen we het ieder jaar. Els vindt meteen een mooi plekje voor de tunneltent (van JW), dit jaar bewoond door Albert, Els Georgine en oom Jan, geharde alleengaanden die het goed met elkaar kunnen vinden. Dat moet ook wel. Want ieder heeft slechts 50 cm slaapruimte.

Evelien zet zich onmiddellijk aan het koken, een taak waar zij en Peter voor vandaag zijn ingepland. De mannen sprokkelen hout voor het kampvuur. Albert werpt zich op als stoker. Hij kan zich, als enige opa onder de neven en nichten, hiermee eens lekker uitleven. Oom Jan en de rest van de vrouwen zetten zich aan de borrel. Onderwerpen genoeg om over te palaveren. Als de schemering valt zijn alle dingen gereed. Evelien en Peter maakten macaroni met tonijnprut, gelardeerd met schijfjes komkommer. Ongekend rustig eten we rond een knappend vuurtje, tot dat knappen ontaardt in kleine explosies van uit elkaar spattende stenen, die in een kring rond het vuur liggen. Dit hebben we nog nooit meegemaakt. De roodgloeiende keien halen we ijlings uit de vuurzône, waarna de rust weerkeert.

Het is windstil. Tussen de boomtoppen zien we een machtige sterrenhemel. Een koude nacht wacht. Na het afwassen drinken we kruidenthee, een medicinaal drankje dat alleen bij grote dorst bevalt. En dorst hebben we. Rondom ons klinkt het klagelijk roepen van uilen door het doodstille bos. De lokroep koe-íet koe-íet wordt beantwoord met het markante oehoe oehoe. Soms van dichtbij. Tussen het gebladerte worden wij bespied door een oude uil. Zijn dikke ronde kop draait rond en de zwarte spleetogen loeren naar die vreemde vlammen en donkere silhouetten. De gesprekken komen weer op gang, zo te horen over papagaaien, eekhoorns, borstamputaties, familieleden en vroegere trektochten. Ik kruip vroeg in mijn slaapzak. Van de uilen genieten. Want die blijven nog een tijdje in de weer.

In de vroege morgen, het is nog donker, klinkt ineens de schorre blaf van reeën, dichtbij en wat verder in het bos. Soms lijkt het een hees gehijg, als een noodroep. Of is het een waarschuwend burlen? "Het zijn mannetjesreeën", mompelt Georgine naast mij, nog diep weggedoken in haar slaapzak. Waarna ook Els en Albert wat slaperig reageren. In de andere tenten is het nog stil. Na een half uurtje bronstige kreten druipen de dieren af. De uilen van gisterenavond nemen de bosgeluiden over. Zij hebben nu het rijk alleen, zo lijkt het. Mijn mede-tentgenoten zijn allang weer weggezakt in een behaaglijke sluimer. Ik hoor het peinzend aan. Rond half acht wordt het lichter. Ik kruip uit mijn slaapzak en ga rollen en inruimen. Als ik de tent open rits openbaart zich onverwachts een heldere zondagmorgen. Schuchtere zonnestralen doen vriendelijke pogingen de dageraad voor deze arme wildkampeerders tot een feest te maken. Tijd om te toiletteren. Ook Ron is al op. Hij steekt meteen de brander aan en zet een grote pan water op. Ik breng mijn koffiebeker alvast héél dicht bij de pan in gereedheid, want je weet maar nooit. Het is koud, mijn rugzakthermometer van Bever geeft iets onder de nul graden aan. We ontbijten op de kampvuurplek van gisterenavond. In de verte klinken kerkklokken uit het dal omhoog. De zon glinstert op de beukenbladeren. Oh, what a beautiful morning...!

Het kampje is na het ontbijt snel opgebroken. Het is inmiddels tien uur. Vertrekken! We dalen af naar het Lahn-Dill Bergland Pfad, de gemarkeerde route voor de komende dagen. Het pad gaat nog een stukje door het Peterswald en als we de bosrand bereiken staan we ineens in een open zonovergoten heuvellandschap van weiden, akkers en bietenvelden, afgewisseld door kleine bossages. Er is nauwelijks wind. Ideaal trekkersweer! Na een tijdje stijgen we geleidelijk naar een volgend bosgebied. Aan de rand ligt een glooiend veld met koolzaad, oogverblindend geel in het morgenzonnetje. Eenmaal boven wacht ons een houten bankje onder oude appelbomen, de takken zwaar belast met dikke sappige appels, die we begerig plukken en over de rugzakken verdelen. Het pad zigzagt naar een hooggelegen beukenbos, de Stachelberg volgens de kaart. Een mooie bosweg voert ons daarna tussen hoge statige stammen heen, die ons als een kathedraal omgeven in een bijna spirituele sfeer. Mijn hart, bonzend van de klim van zojuist, komt volledig tot rust; ik voel mij fysiek even als een jonge god. Aan de andere kant van de berg zien wij heel in de verte een uitkijktoren op een volgende bergtop. Binnen onze gelederen verspreidt zich het gerucht dat JW daar wil gaan lunchen. Maar dan moeten we onderweg nog wel water zien te vinden. Evelien, JW en Peter slaan onderweg ergens rechtsaf, om bij witte boerderijtjes die wij in een dal zien liggen hun watergeluk te beproeven. De rest loopt verder door een wat mysterieus bos met donkere moerassige poeletjes naar een zonnig weitje met wat jonge stiertjes, beschermd door hun kolossale verwekker en een ouwe verdwaalde vleeskoe. Ze komen allemaal op Herman af, die met zijn stok appels uit een boom slaat. Ze worden met instemmend geloei opgegeten. We besluiten hier op de waterhalers te wachten. Rugzakken af en behaaglijk uitstrekken in een mals klaverlandje naast de stierenweide. Ik ga even op een door de zon verwarmde watertank zitten en schrijf dit verslag bij.

Daar komen de waterhalers al. Een heerlijk lange lunch breekt aan. Iedereen ligt tegen de rugzak uitgebreid te zonnen, onderbroken door boterhammen van Irene en Ron, die de snij- & smeerdersrol op dit moment vervullen. Als de waterdampen opstijgen uit de pan is het tijd voor een soepje, koffie of thee. Zo nu en dan komen de runderen schoorvoetend en zachtjes loeiend naderbij om vanachter het prikkeldraad de aandacht te trekken van deze sympathieke appelwerpende rugzaktrekkers. De hemel is helderblauw, in de verte kwetteren vogels, in de lucht bromt een vliegtuigje, maar verder is het hier paradijselijk stil. Het is kwart voor twee. Albert waarschuwt dat de zon al achter de bomen gaat zakken, wat wij lichtelijk overdreven vinden. Maar ja, meneer zit bij het onderwijs en daar weten ze alles van het opjagen van groepen. Niemand trekt zich wat aan van de tijd. Toch moeten we verder. Kènt u dat gevoel? In de verte lonkt nog steeds de uitzichttoren waar we hadden moeten lunchen. Het is maar goed dat die van hieruit niet zichtbaar is. Els neemt met de moed der wanhoop het voortouw voor dit laatste tochtdeel van deze dag en gaat alvast op pad. Want niet lang na die uitzichttoren, ergens hoog boven ons, moeten we een kampeerplek vinden. Dat is vlak voor een dorpje, Herzhausen genaamd, waar we voor de nacht opnieuw water moeten halen. En Els weet: zòver is het nog lang niet. Ron voegt zich bij haar en al gauw zijn ze uit het zicht verdwenen. De rest volgt gedwee door de prachtige bossen, waar de namiddagzon met een tussen de stammen door schijnt. Zo bereiken we een half uurtje later de voet van de berg, vanwaar een steil pad omhoog leidt naar de 24 m hoge Rimbergturm. Het is hier 498 m. Maar waar zijn Ron en Els? Mogelijk al boven? De mannelijke Prinsen de vrouwelijke Dasjes laten, zoals altijd, de rugzakken beneden en klimmen nieuwsgierig omhoog naar top en toren, waar hun "einen herrrlichen Rundblick über das reiszvolle Lahntal" wacht. Herman, Joyce, Jolanda en oom Jan blijven achter, want je moet niet overdrijven. Later blijken Els en Ron ook naar de toren zijn gelopen, maar wel mèt hun rugzakken.

Al met al een behoorlijk oponthoud. Als we weer zijn samengevoegd begint het laatste deel. Het is nog zo'n vier kilometer naar Herzhausen en we moeten zover mogelijk zien te komen. Doorlopen dus, opnieuw door prachtige bossen van de Kronenberg en met zo nu en dan een klimmetje, heerlijk op het einde van een dag. Om vijf uur stoppen we en zenden kwartiermakers uit om een overnachtingsplek te zoeken. Ik doe ook een poging, zie iets moois, maar Evelien blijkt een nòg mooier plekje gevonden te hebben. Wel moeten we daarvoor dwars door het bos een steile helling beklimmen. Maar dan hèb je ook wat! Een beukenbos, zich nog koesterend in de avondzon, ligt uitnodigend voor ons. Het draagt de prozaïsche naam Schweinzkopf. We zoeken tentplekjes en verzamelen lege flessen voor de waterhalers, die direct op pad gaan naar het volgende dorp. Het zijn Herman, Peter en Jan Willem. Je komt als groep nooit te weten wat de welverdiende geneugten van de waterhalers zijn. Duiken ze een kroeg in? Uit fotomateriaal blijkt dat het water in Haus Waldfrieden is getapt, een chaletachtige woning in Herzhausen, en dat ze onderweg lol hadden. Ze komen in het donker terug met 18 liter van het kostbare vocht.

Irene en Ron verzorgen intussen volgens plan de avondmaaltijd. Er is nog voldoende water om daarmee te beginnen. Albert en Evelien maken het kampvuur klaar. Wie tijd heeft sprokkelt hout. Rond de kokers vormt zich een gezellige kring, terwijl de zon langzaam achter de verre horizon verdwijnt. Borrels en geitenkaas gaan rond. Ik ga even in mijn tent liggen, een persoonlijk privilege, mij de laatste jaren toegeëigend, want het heeft wel iets asociaals. Ik bel naar huis, waar kleinkinderen pannenkoeken bakken bij oma. Het wordt ineens donker; de hoofdlampen gaan aan. Er is voldoende hout voor het kampvuur. De waterhalers zijn terug. Het vuur van Albert, keurig in een rond gegraven kampvuurkuiltje, brandt als een tierelier. Het grote genieten voor deze twaalf TT'ers kan beginnen. Irene en Ron toveren ons een soort Indiase maaltijd voor. Een prut van rijst, sperzieboontjes, bloemkoolroosjes, uien, hardgekookte eieren, koriander en koksroom.
En of dat al niet genoeg is volgt even later een zalige dorstlessende appelmoes van door de waterhalers onderweg geraapte appels. Sommigen doen er stukjes chocola door, een lekkere vervanger van kaneel. En dat blijkt een vondst, die doet denken aan de bananen-met-chocolade, verwarmd in de hete as van de vuurtjes op het familiekamp. De appelmoes is even aangekookt, zodat er nog grote stukken warme appel in de moes drijven. Afwassen en theedrinken en daarna heerlijk om het vuur zitten met vrolijk gekout over van alles en nog wat. Voor de zoveelste keer constateren we hoe uniek, maar gelijktijdig hoe simpel dit alles is. Els en ik duiken om half tien de slaapzakken in. De rest komt veel later, want het kampvuurtje van deze avond blijkt bere-gezellig.

Vannacht opnieuw reeën horen burlen en blaffen. Naar de geluiden te horen scharrelden ze ook in de buurt van onze tenten. Het leek of er een struikelde over een pan, die we bij een boomstronk hadden achtergelaten. We draaien ons om en slapen verder. Onze vierpersoons tunneltent en die van Irene en Ron staan op een bospad, het meest horizontale stuk hier. De anderen hebben een plekje hogerop gevonden. Bij het wakker worden blijkt het buiten schemeriger dan gisteren, toen de opkomende zon al gauw tussen de stammen door speelde. Als ik rond half acht de tent open rits is het bewolkt. Daardoor ook minder koud dan gisteren. En het is droog. Als ik van toiletteren terug kom is het ontbijtgebeuren al in volle gang. Gote stapels donkerbruin brood belegd met worst, kaas en de onvermijdelijke chocoladehagel. Vanuit het dal klinken kerkklokken. Vanaf negen uur, als iedereen beredderend heen en weer loopt, verdwijnen tent na tent in de rugzakken. Ieder pakt zijn etensspullen erbij en na enige tijd is niet meer te zien dat hier twaalf mensen gekampeerd hebben. Als alles is ingepakt staat iedereen klaar voor vertrek,

De rugzak om en ineens zijn we in een straf tempo aan het lopen, alsof we al uren onderweg zijn. Het eerste halfuur lijkt een warming-up, omdat we geleidelijk dalen en in hoger tempo lopen alsof we vleugels hebben. Sfeervolle bossen met een romantiek die doet denken aan oude Schubertliederen. Ook als we deze bossen verlaten is het puur genieten. Want een arcadisch landschap ligt aan onze voeten. Zacht glooiende heuvels met aan de einder weglopende slingerende landweggetjes en kleine eikenbosjes waarin pittoreske huisjes verscholen liggen. In de verte zien we het dorpje Herzhausen, blinkend in de morgenzon. We laten het terzijde, want kiezen voor het 3 km verder gelegen Holzhausen, waar wat winkels moeten zijn. En, denkt menigeen heimelijk, misschien ook wel een Konditorei. Het is fris en bewolkt; zo nu en dan breekt er wat blauwe lucht door.

Rond half twaalf lopen we Holzhausen binnen. Aan de rand liggen fabriekjes waarachter als contrast landweggetjes tussen sleedoornhagen omhoog lopen. In de centrale dorpsstraat stuiten we meteen op een Bäckerei annex Konditorei. Binnen zijn enkele kleine ruimten voorzien van comfortabele leunstoelen. Een groepje bejaarde dames verlaat onmiddellijk een grote tafel. Is dit een vertoon van dorpse gastvrijheid? Of grijpt een plotseling opkomende angst voor deze binnentredende bezwete en naar rook stinkende Hollanders ze naar de keel? Twee vriendelijke bakkersvrouwen ontfermen zich over ons, boenen driftig de tafel schoon en dan kan het grote bestellen beginnen. Gebak te kust en te keur, en dat op deze gewone doordeweekse dag. We moeten snel handelen, want de winkels sluiten om één uur en we hebben nog geen avondeten. Menusuggesties vliegen over tafel. Het moet vooral lekker en van lichtgewicht zijn. En we hebben brood nodig. Aldus geschiedt. We kunnen nog even genieten van dit dorpse intermezzo. Als we om half een verder gaan is alles voor de lunch, het avondeten en het ontbijt verdeeld over de rugzakken. Even lopen we over een asfaltweg. Maar dan brengt een bergpaadje, dat zo'n 150 m steil omhoog slingert, ons naar de Hünsheinturm. Het is een kleine merkwaardig gebouwde uitzichttoren, die als hoektoren in een Romeinse castellum niet zou misstaan. Mooi plekje om even op adem te komen. We zijn op een wat kalige, met rotsblokken bestrooide bergkam beland. Links en rechts van het pad lopen hellingen steil naar beneden. We blijven hoog en bereiken een plek met een royale picknickbank vanwaar we een schitterend uitzicht hebben over een grote voormalige steengroeve. Een mooie plek voor de lunch. Hoewel het zonnetje soms even doorbreekt is het kil. Maar mensen, wat is het dàn heerlijk om rond zo'n houten tafel lekker dicht tegen elkaar aan te schurken en van heerlijk belegde verse broodjes, melk en jus d'orange te genieten.

Rond drie uur in de middag luidt de bel voor de laatste ronde van deze dag. We bevinden ons in een bosgebied ten noorden van het stadje Gladebach dat we morgen zullen aandoen. Straks passeren we nog een gehucht waar we water kunnen vragen. Onderweg filosoferen enkelen over de vraag welke lichaamsdelen bij een trektocht het meeste beproefd worden. Bij het klimmen is het de hartstreek. Bij het afdalen zijn het de knieën. En bij horizontaal lopen waarschijnlijk vooral de hersenen. Laten we het onderweg nog eens controleren. Een dorstige keel kan ook een belangrijke factor zijn. Daar gaan we meteen wat aan doen. We dalen af naar Rachelshausen, een proper gehuchtje. Tijd voor een korte pauze en het vullen van onze waterflessen, terwijl we belaagd worden door nerveus gakkende ganzen opzij van een huis. Een bijt er zelfs in een bergschoen. In een van de huizen kunnen we onze flessen vullen. Herman verdwijnt even met een plastic zak naar de rand van het dorp, waar verwilderde fruitbomen staan. Hij komt met een zak vol goudreinetten en pruimen terug. Die pruimen moeten meteen op. Maar dan blijken het gistende tijdbommen te zijn die, gestoken tussen de paarlen onzer tanden, spontaan en met sissende geluiden openbarsten. Het is half vier en ineens schijnt de zon. Ik zit op een bankje in dit logboek te schrijven, idyllischer kan het niet. De watervrouw, enigszins verhit door het flessen vullen, informeert naar onze achtergronden en is verbaasd, dat wij eine Groszfamilie zijn en vooral dat wij deze tochten al 35 jaar doen. Hoofdschuddend gaat zij naar binnen. Dan sjouwen we verder, stukken asfaltweg over, het open veld door en dan weer de veilige bossen in. Zo aan het einde van de middag verlangt iedereen naar huis, in ons geval onze kampeerplek die we elke keer weer moeten inrichten. Dan breekt er een moment van sightseeing aan.
Zoeken naar een plek. Wie dat sein steeds geeft weet ik niet. Het groeit en broeit inwendig voordat het eruit komt. Maar ja, je bevindt je dan vaak niet op een geschikte plek. Een te dicht sparrenbos. Of overal hellingen. Ergens links zien we bovenop een heuvel loofbomen, die nog warm kleuren in de avondzon. We wagen de klim en inderdaad, daar is een zij wat hobbelig terrein onder eikenbomen. Het is half vijf en we besluiten unaniem hier te blijven. De tenten staan weer snel en al gauw vormt zich een borrelgroepje rond nicht Els met haar flesje els, later uitgebreid met de hele groep, als de keukenspullen en het water bijeen liggen en voldoende kampvuurhout is gestapeld. Het is half zes, een mooie tijd voor enige relax.

De vele kilo's appels moeten geschild en in een grote pan voor de hete bliksem die straks gemaakt wordt. Een bijzondere hete bliksem. Want er gaat prei door. JW brengt een schaal vol appelschillen naar een voederplaats voor grofwild. Het is inmiddels kwart over zes, maar het kampvuur en de branders zijn nog niet ontstoken. En dat terwijl de zon bedenkelijk achter de beboste heuvels wegzakt. Maar de groep is nog lang niet uitgepraat. Ik ga even in mijn tent liggen en schrijf dit verslag bij. Als ik in de inmiddels ingevallen duisternis mijn tent verlaat brandt het kampvuur en is de maaltijd grotendeels klaar. Wat een luxe voor een heer op leeftijd! Wat eten we? In de pan werden de appelstukjes even aangekookt, waarna er in de laatste fase fijn gesneden prei bij kwam. Meng dat met aardappelpuree, gooi daar droge gebakken uitjes overheen en je hebt een goed en goedkoop maal. Met als toetje appels. Omdat er tevoren uitgebreid over poepen en overgeven was gepraat zal het hele gebeuren wel laxerend hebben gewerkt. Albert maakte een mooi piramidevuur. Hij onderhoudt het de hele avond met zorg. Ik ervaar het als een esthetisch genoegen. Het is vrijwel windstil. Opnieuw een mooie avond, al is het wat koud. Als het acht uur is - hoe vroeg nog! - zitten we hier dus al drie en een half uur! Logisch dat Els naar bed wil. Ik volg wat later. De anderen blijven nog een tijdje zitten op de mooie "zitbanken". Het zijn gekloofde stammen die Herman aan de bosrand vond en plaatste rond de kampvuurplek. Wat een geluk dat we tot nu toe nog geen regen hadden. Was dat wèl zo geweest, dan hadden we ons echter óók gered. Want bij wildkamperen gaat het om deze drie: acceptatie, improvisatie en discipline, en de meeste daarvan is discipline. Met deze paulinische variant geef ik mij tevreden over aan de slaap.

Eigenlijk moet ik het niet meer vermelden, maar ook deze morgen luidt de pastoor in het nabijgelegen dorp de klokken. Langdurig en nadrukkelijk galmen de klanken omhoog langs de hellingen. Het is nu half acht, maar Georgine beweert dat de man al vanaf zeven uur bezig is. Het moet het kerkje van Runzhausen zijn.
Het lijkt al laat, maar het is nog behoorlijk donker. Op je horloge is niet te zien hoe laat het is. Ik neem mijn hoofdlamp erbij, al helpt dat niet veel want deze jarenlang trouwe kameraad gaat kuren vertonen, alsof die wil zeggen: hou op jouw leeftijd nou eens op met dat wildkamperen. Ik pruts met de punt van mijn balpen om hem aan de praat te krijgen. Snel aankleden, mijn tentplekje inruimen en de spullen naar buiten kieperen, zodat er voor de anderen wat meer plaats komt voor dezelfde handelingen. Stappend over stronken en braamstruiken baan ik mij een weg naar de bosrand om te toiletteren. Op hoofd, oren en oogleden jeukt het nogal, want er zitten hier kleine mugjes die aan Schotland doen denken. Het is het enige wildgedierte dat valt te ontdekken. Dit keer geen reeën, wilde zwijnen en ander grofwild. Zelfs geen uilen.

Het ontbijt verloopt als gewoonlijk. Wat zeg ik? ALLES verloopt op deze tochten zoals gewoonlijk. Eigenlijk had ik mijn logboekje van vorig jaar voor dit verslag kunnen gebruiken. Niemand had iets gemerkt. Nieuw zijn hooguit de appels, waarmee een oude traditie van appelmoes weer nieuw leven is ingeblazen. En, om mij heen kijkend, zijn ook nieuw de bomkraters uit de laatste oorlog, die we gisteren en vandaag in de bossen tegenkwamen. Wonderlijke gedachte dat in deze vredige omgeving in 1944-'45 hard gevochten is.

Er heerst enige verwachtingsvolle opwinding in de groep na het bericht dat we aanstonds af gaan dalen naar Gladenbach, een wat grotere plaats, waar we inkopen doen en ongetwijfeld onszelf kunnen verwennen met een Konditorei. We zullen er al over een uur zijn. Daar gaan we, zoals vaak dwars door het bos afdalend naar waar ergens het pad moet zijn. Iedereen is zo fit as a fiddle. Kijk je nog even weemoedig achterom, dan begrijp je opnieuw niet dat we daar gekampeerd hebben en zo gezellig hadden. Daar is het bospad, maar niet lang, want al gauw betreden we een schilderachtig open dal met velden links en rechts, geëgde akkers en grasland en verderop slingerende weggetjes langs bosranden. Een glooiend gebied, open maar tegelijk besloten, een prachtig panorama. Langs de rand van het bos dat we zojuist verlieten is een vannacht door tientallen zwijnen omgewoelde akker. Niets van gemerkt. We lopen genietend verder en constateren dat deze door JW uitgezochte Lahn-Dille-route geweldig mooi en afwisselend is. En niet zo vermoeiend als andere jaren. Dus er zijn tòch onderlinge verschillen tussen deze jaarlijkse trektochten. Waarom zou je anders meegaan? Die vraag moeten we overigens na deze 35e TT toch eens in de groep gooien. Want wordt er ooit wel eens geëvalueerd, anders dan in het verborgene?

We naderen weer een bosgebied, waar het pad direct steil omhoog gaat. Dus eerst even pauzeren en ons van fleecejacks en truien ontdoen, want er moet weer gezweet worden. Dat lijkt even zo, maar dat is niet het geval. Want ineens gaat het klimgedeelte over in een comfortabel, vrij horizontaal lopend bospad met een steil aflopende beboste helling rechts en enorme rotsformaties aan onze linkerkant. We passeren grote blokken basalt, bedekt met mos. Het lijkt hier op het rotsgebied achter Echternach. Het pad slingert verder en eindigt bij een ruïne van een eeuwenoude burcht. Op een bord staat dat deze omgeving de Gladenbacher Schweiz heet. Een beetje overdreven. De burcht, die uit 1150 stamt, is hoog gelegen boven Gladenbach. Na een korte pauze dalen we af naar de Innenstadt, door een royaal aangelegd park, langs een Freizeitbad Nautilust, een deels openluchtzwembad, dat voor onze bezwete lijven heftige verlangens oproept. We komen uit op de Marktplatz. Daar storten we ons direct op het buitenterras met rietzwarte stoeltjes van Schäfers Backstuben, een Konditorei dicht bij een supermarkt. Inmiddels is het zonnig, hoewel niet zo warm als het afgelopen weekend. Maar heerlijk op zo'n terrasje met een kom koffie of chocolademelk voor je en daarnaast een groot stuk gebak. Een kerkklok luidt het Angelus dus het is pas twaalf uur. Hoe overvloedig van vreugdevolle momenten is deze dag! Ik ga opgewekt dit verslag bijwerken en let met een schuin oogje op de 12 rugzakken, want iedereen zwerft ineens uit om inkopen te doen en wat rond te kijken.

Dan gaan we verder. We klimmen over asfaltwegen vrij steil omhoog tot aan een veld met uitgebloeide zonnebloemen. Daar begint een Höheweg langs de bosrand op de helling van de Lammerich (357 m). Je hebt hier letterlijk een de geest verruimend uitzicht op het dal achter Gladenbach. Het is trouwens maar even genieten, want ineens steken rukwinden op en dreigt het weer om te slaan. Iemand uit de groep meldt nu pas dat de bakkersvrouw op het Marktplein binnen een uur regen verwachtte. We verlaten de Höheweg en dalen af naar het dorpje Erdhausen. Aan de andere kant van het dal ligt een heuvelrug, waar we ons weer tegenop moeten vechten. Onze topografische leidslieden beweren dat daar hoog boven ons (weer!!) een uitzichttoren is, Koppe genaamd, waar we zouden kunnen lunchen. Een klim naar 454 m. Het idee trekt ons ineens niet meer zo aan. Temidden van koude windvlagen gedijt het menselijk geluk nauwelijks. Evelien, dit haarfijn aanvoelend, stelt daarom voor af te snijden en eerder op de helling de route in westelijke richting te vervolgen. Het loopt al tegen tweeën. Hoe je het ook wendt of keert: er is weer een stevige klim nodig en dan ook nog over deels geasfalteerde weggetjes. De kaartlezers kondigen een beschutte blokhut aan, ergens verderop de route. Zo wordt de mens voortgedreven door hoop en dat is goed, al volgt vaak teleurstelling. Want als we langs dat hutje komen blijkt het een privat und abgeschlossen optrekje te zijn aan de rand van een meertje. We volgen nu een bosweg langs de Seibertshäuserbach. Een stapel sparrenstammen langs de weg wordt onze lunchplek, waarop het harsplakkend toeven is. Het is kwart voor drie. Ik noem het maar even, omdat dit een vaste tijd lijkt te worden als we 's morgens ergens koffie en gebak namen. We warmen geen theewater op, maar laven ons aan volle en halfvolle melk en sinaasappelsap. Koud maar heerlijk voor de dorstige kelen. Als we verder gaan, ontdekken we opzij van de weg langs de beek een watertappunt bij zo'n typisch Duits Kneipp-bad. Onze watermanager Peter Piekema keurt de kwaliteit met het oog van de geroutineerde keurmeester die laboratoriumonderzoek flauwekul vindt. Het wordt goed bevonden. We vullen er al onze flessen mee, zodat de waterhalers vanavond niet meer op pad hoeven. Maar het is wel weer extra gewicht en dat zullen we aanstonds gaan merken.

We kruisen een brede asfaltweg. Volgens de kaart moeten we vanaf dat punt nog zo'n 350 meter klimmen naar een geschikt kampeergebied. Ik herinner me dat ik vroeger in het hooggebergte met de rugzak ongeveer een uur deed over 300 m stijgen. Het is nu 4 uur, dus rond 5 uur moeten we op hoogte zijn. Op een brede bosweg begint de klim. Matig je tempo, haal adem in het ritme van je voetstappen en het zal allemaal wel gaan. Gelukkig zijn er horizontale stukken om op verhaal te komen. Het is guur weer, het regent wat en de wind wakkert aan. En inderdaad: om 5 uur lijkt een hoog punt bereikt en de bossen redelijk geschikt voor overnachten. De kaart geeft aan dat we hier in het bosgebied ten zuidoosten van Endbach zitten. Het beukenbos loopt iets schuin af, maar dat nemen we maar voor lief want in de omtrek is het allemaal niet veel beter. Het regent zachtjes als we de tenten opzetten. Ik duik er meteen in, een bedenkelijk voorrecht van een oude man. Georgine brengt me een glaasje Weinbrandt of Obstler, ik merk het verschil niet. Het is in het stadje gekocht, want onze meegebrachte spiritualiën waren bijna op. Toch wordt er de laatste jaren niet veel gedronken. Twee borreltjes voor het eten en daarna nauwelijks meer. Of vergis ik me? Irene en Ron vonden een scheef plekje voor hun tent, maar staat die eenmaal, dan valt het mee. Dat ervaren ook de anderen. Ron gaat opgewekt rond met plakjes worst. Het moreel in de groep is weer helemaal goed. Niettemin regent het harder, terwijl ik in mijn tent steunend op een elleboog aan dit verslag schrijf, ondertussen nippend aan de sterke drank. Het liefste zou ik gaan liggen. Niets is heerlijker dan weg te zakken onder het geruis van de regen op het tentdak. Ik constateer, dat dit de eerste bui is en dat de tocht tot nu toe één aaneenschakeling was van prachtige landschappen onder mooie luchten en over een eenvoudig beloopbare route. Morgen is de laatste dag, dus deze TT is nu al een succes.

Door deze gedachten bemoedigd kruip ik uit de tent en begeef ik mij naar de kampvuurplek. Daar heerst een vrolijke stemming, niet alleen onder invloed van de Deutsche Schnäppse, maar ook om die wonderlijke maar bevrijdende trektochtstemming die zich soms onverwachts van ons meester maakt. Vooral op zo'n laatste avond, gezeten rond het kampvuur. "Ach, ich bin immer so froh; weiter bin ich nichts." typeerde een Duitse dichter dat eens. Het is een niet uit te leggen gevoel, waarbij je alle zorgen en beslommeringen even mag vergeten. En dat is sinds de invoering van de mobiele telefoon niet vanzelfsprekend meer. Want daarmee blijf je helaas van àlles in de thuissituatie op de hoogte. De maaltijd is weer van hoog niveau, ook een reden om dankbaar te zijn. Macaroni met een saus van zalmsnippers, bosuitjes, peterselie en koksroom. Simpel maar goddelijk. Het wordt niet zo laat als gisteren. Op een bepaald moment merk je dat iedereen naar haar of zijn bed verlangt. Wat belet je dan nog? Ik duik er in ieder geval vroeg in.

Mijn lamp weigert, het is nog vrij donker, maar hoe laat is het? Een koude wind waait naar binnen als ik de tent open rits en ingespannen op mijn horloge tuur. Het is al half acht. Het was een onrustige nacht vol ligcorrecties, omdat de bodem wat afloopt en je steeds een beetje naar beneden glijdt. Iedereen is nog in diepe rust. Ik maak aanstalte om op te staan. Vandaag schone kleren aan, want het is de laatste dag. Voor zover mogelijk dan, want mijn loden knickerbocker, die ik alleen op rugzaktochten draag, gaat eenmaal per vijf jaar naar de stomerij. Ik scheer en was mij honderd meter verderop tussen bemoste omgevallen beukenbomen. Vannacht regende het nog wat. En een uil riep zijn klaaglijke zang van zeer dichtbij, als nam hij afscheid. Bij het ontbijt eten we de laatste boterhammen met een gretige smaak op. Heerlijk, dat zware Duitse Waldkorn met knappende korst. Ik leen espresso van Ron, de ideale schoonzoon, want mijn eigen voorraad is op. We eten staande, behalve de broodsnijders Jolanda, Evelien en Els. En Albert, die op zijn zeiltje zit en steeds met zijn rechterbil omhoog wipt om een wind te laten. Vroeger noemden we dat gedrag een flatus familiarus epidemica.

Als vanouds staat iedereen rond tien uur klaar voor vertrek. Het is kil en schemerig door de zware bewolking. Er gaan regenhoezen om de rugzakken want het zou kunnen gaan regenen. We moeten vandaag naar een eindpunt, vanwaar we terug moeten naar de auto's. Jan Willem wil nog drie uur lopen en dat vindt iedereen prima, want de omgeving is mooi. Het plan is ergens de bus te pakken. De drie chauffeurs naar Marburg en de rest in een andere bus naar het stadje Herborn voor de slotmaaltijd. Allemaal tevoren uitgekiend op internet. Maar eerst marcheren we weer opgewekt door de donkere bossen, paraplu in de aanslag, want zo nu en dan valt er een buitje. We moeten toch nog wat klimmen over een breed bospad. Het valt op dat op sommige plekken hier de jonge beukenboompjes bij duizenden welig tieren onder de moederbomen, terwijl onder hun soortgenoten op andere plekken vrijwel niets opkomt. Bomen blijven boeien. Neem de driesprong waar we even daarna arriveren. Daar staat een machtig mooie 350 jaar oude eikenboom, breed en met grillige maar gezonde takken die tot op de uiteinden nog volop in blad staan. Het is blijkens een bordje de Heule-Eiche. Hij staat op de plek tussen twee graafschappen, waaronder in vroeger tijden geliefden huilend afscheid van elkaar namen. Dat waren nog eens tijden. We sjouwen benieuwd verder, want er wacht ons blijkens een ander bordje nòg een attractie. Het zijn de Kopps Klippen, een hoge rotsformatie, uitkijkend op een indrukwekkend diep dal. Even later staan we geïmponeerd op de rotsrand van het uitzicht te genieten. Dan dalen we af naar een beek. We merken aan de grasveldjes en forellenvijvers dat we in de buurt van een dorpje komen. Langs het pad staan waarachtig weer oude fruitbomen, drachtig van grote rode appels, waaraan we ons tegoed doen door erin te happen c.q. ze mee te nemen voor onderweg. Georgine stapelt een paar kilo in haar blauwe nylon cape. Onduidelijk waarom, want appelmoes zit er niet meer in vandaag.

Inmiddels is het zonnetje een paar keer doorgebroken. We passeren nijver onderhouden volkstuintjes en dan ineens staan we in het dorp Endbach, waar we direct op een Konditorei annex Bäckerei stuiten. De twaalf rugzakken gaan direct af en tegen de glazen pui, waarna we nieuwsgierig, zo niet gulzig deze heilige ruimte betreden. De vitrines onder de toonbank zijn volgetast met allerlei soorten gebak, reeds in enorme stukken gesneden. Deze mensen moeten geweten hebben dat wij op komst waren! We scharen ons na het handen wassen om een grote tafel in de hoek en zijn de enige gasten. Het is bijna twaalf uur. Hèt moment om ons de jaarlijkse TaartjesTraktatie van tante Bep te laten welgevallen. Dat geschiedt even later onder grote dankzeggingen. Zo. Voorlopig zijn onze magen gevuld. We moeten nog tenminste vijf kilometer lopen, dus slaan we voor alle zekerheid nog verse knappende broodjes in voor de lunch. Wie dacht dat de tocht er al bijna op zat vergiste zich dus deerlijk. Nog even volhouden. We verlaten na dit konditorisch hoogtepunt het dorp, snijden een deel van de Lahn-Dillroute af, door over asfaltstraten en gravelwegen een eindeloos lijkende klim te maken, waarbij je steeds denkt "dit zal wel het hoogste punt zijn". De zon schijnt weliswaar volop, maar er waait een ijzig koude wind. Is dit onze laatste inspanning van deze legendarische jubileumtocht? Door het zwoegen heb je nauwelijks aandacht voor de prachtige vergezichten ter linkerzijde. Wat een schitterend gebied is dit toch. De schade halen we ruimschoots in als we op het hoogste punt, na een klim van ruim 200 m, pauzeren bij een picknicktafel, vanwaar je een fantastisch uitzicht hebt over het zuidelijk landschap. Hier eten we de eerdergenoemde verse knappende broodjes met de restanten worst en kaas.

Het is twee uur als we ijlings verder gaan, want ineens vliegen alarmerende bustijden ons om de oren. We moeten voor een busstation in Eisenroth zijn, een dorpje 4 km hier vandaan. Het laatste deel van onze route gaat door vriendelijke bossen. Donkere wolken lijken dreigend, maar een koesterend zonnetje montert iedereen op, vooral nu we niet meer over verharde wegen lopen, die de voetzolen altijd extra beproeven. We komen net op tijd in Eisenroth aan. De bus naar Marburg voor de drie chauffeurs Jan Willem, Ron en Herman, vertrekt al na 5 minuten. Die naar Herborn 20 minuten later. Daarin stapt de rest van de groep. De buschauffeur zet ons in het centrum van Herborn af. Het is tegen vier uur. We wandelen door het stadje met zijn oude, maar keurig gerestaureerde vakwerkhuizen. We willen de rugzakken in het Rathaus zetten, om wat te winkelen, maar die blijkt al om half vijf te sluiten. Daarom gaan we maar wat drinken in het overvolle Marktcafé Herborn, een vakwerkgeval, waar we drie wenteltrappen op moeten om een eigen plekje te krijgen in een soort opkamer met kleine raampjes en uitzicht op de Marktplatz. We wanen ons daar even in de 17e eeuw.

Daar blijven we een tijd zitten. Eindelijk is er tijd om de TT‑ansichtkaarten van Els te beschrijven en versturen. De rugzakken staan veilig in een hoek. We hebben geweldig plezier en praten over van alles en nog wat, alsof de afgelopen dagen daarvoor weinig gelegenheid was geweest. Evelien en Peter maken een rondje door de Altstrasze om een eethuis te vinden voor het afrondend etentje. Na een half uurtje zijn ze terug. We kunnen kiezen: Duits, Italiaans, Turks, Indiaas, en elk weer in allerlei variaties naar het schijnt. Het duizelt ons. Wat doen we? We kunnen de drie chauffeurs niet raadplegen, die zijn nog niet terug. Trouwens, het is hier in deze hooggelegen opkamer supergezellig. Komisch, de discussie die nu ontstaat. Iemand stelt voor een criterium te bedenken. Bijvoorbeeld: wat lust JW, onze reisleider? Of zoeken we iets zonder of mèt knoflook? Of willen we perse frietjes erbij? Dan vallen de pasta's af. Albert stelt op wijze toon vast dat je overal alles erbij of niet erbij kunt krijgen. Zo zitten we daar te wachten, nippend aan glazen witte wijn en genietend van elkaar en van alles wat er vanuit onze kamer daar beneden op de markt te zien is. Als ik zèlf mij voor wat boodschapjes naar buiten waag, weet ik mij dus vanuit die bovenkamer geobserveerd.

Rond kwart voor zes komen Herman, JW en Ron aanzetten; de auto's hebben ze niet ver hier vandaan kunnen parkeren. Wij hebben inmiddels Marktcafé Herborn verlaten en dwalen nog wat rond op het oude marktplein, ons vermakend met drie mansfiguren, levensgrote bronzen beelden, die op toevallig aanwezige pratende burgers lijken. Ik neem een foto van Irene en Georgine, ertussen staande. Als we een restaurant hebben gevonden, een pizzeria in een van de zijstraten, scharen we ons rond een lange tafel en sluiten deze fantastische 35e tocht af met het gebruikelijke culinaire ritueel.

Oom Jan