TT‑verslag 2010-TT34
"RHEIN-TAUNUS"

Logboekje oom Jan

Deze 34e Trektocht lijkt omgeven door kommer en kwel. Van Herman is de afgelopen zondag met kitesurfen het topje van zijn rechter wijsvinger afgerukt. Een ingrijpende gebeurtenis, die niet alleen op hem, maar op ons allen diepe indruk maakt. Aldert heeft buitenlandse verplichtingen; dat is tot daar aan toe. Maar zijn Marion, trappelend van ongeduld om eindelijk weer eens alleen mee te mogen, is door een stevige griep geveld. De deelname van Jolanda is tot het laatste moment onzeker door een voetblessure, maar zij blijkt een doorzetter en gaat. Peter Pi is aan huis gekluisterd omdat hij verlofdagen wil overhouden voor zijn in Zwitserland verblijvende zoon Aron. Paul en Anita kunnen pas later vertrekken en moeten de laatste dag weer vroeg thuis zijn in verband met gewaardeerde oppasouders. Ga zo maar door. De e-mailberichten flitsen heen en weer, waardoor de paklijst met afspraken steeds om bijstelling vraagt. En dan zwijg ik nu over alle verborgen obstakels in werk, gezin en lijf, die ieder individueel moet zien te overwinnen, voordat er bepakt en bezakt aan de start kan worden verschenen. En dan toch nog 14 deelnemers! Acht vrouwen: Aleid, Anita, Els, Evelien, Georgine, Irene, Jolanda, Joyce. En een minderheid van zes mannen: Frans, Herman, Jan Willem, oom Jan, Paul, Ron, Allemaal alfabetisch opgesomd, hoewel een volgorde op grond van TT‑ancienniteit meer voor de hand zou liggen. Al is van meer of minder ervaring in de harde trektochtpraktijk na vele jaren inmiddels weinig meer te merken. Laten we dus maar weer op pad gaan!

Het leven is een feest, maar je moet zelf de slingers ophangen. Zo is ook onze jaarlijkse TT een feest, maar je moet zelf je rugzak inpakken en sjouwen. De inhoud, deels voorgeschreven door de TT‑paklijst en deels gevuld met persoonlijke voorkeuren, is de avond voor het vertrek de voornaamste kopzorg. Maar als die buidel eenmaal op de achterbank van de auto ligt, vallen alle zorgen weg en ligt het trektochtfeest maagdelijk en onbekommerd voor je. Dan blijft alleen de weersverwachting knagen: Bewolkt en regenachtig, gisteren al en ook vandaag zijn de vooruitzichten matig. Bovendien is voor de komende dagen een koudefront voorspeld. Maar we weten van geen wijken.

Tussen acht uur en half negen racen de TT‑equipes over de A12 en later over de Duitse A3 naar onze verzamelplaats Raststätte Hünxe in de buurt van Wesel. Onze Dassenauto arriveert als laatste. Paul en Anita gaan hun eigen weg rechtstreeks naar het vermoedelijke eindpunt in Eltville aan de Rijn. Els deelt de gebruikelijke herfstbladcorsages uit, dit keer voorzien van een broche met het getal 34 erop.
Er heerst een enthousiaste stemming als op een schoolreünie. Rond elf uur rijden we over een eindeloze A3 verder naar de afslag Idstein in de buurt van Wiesbaden. Onderweg meldt Paul via zijn mobiel, dat zij al zijn aangekomen op de eindlocatie in Eltville, waar hij volgens afspraak zijn auto laat staan om aan het einde van de tocht spoorslags naar huis te kunnen rijden. Tandenknarsend van schaamte horen we dat aan, want volgens de planning had daar allang iemand van ons moeten staan om deze kloeke Amsterdamse neef en nicht naar Bad Schwalbach te brengen. Maar we schieten op. In de stromende regen zien wij te rechterzijde van de A3 al het Taunusgebergte liggen, aan wiens grillen wij de komende dagen zijn overgeleverd. Eenmaal bij Idstein gaan we via binnenwegen naar het startpunt: de parkeerplaats van Lidl, aan de rand van Bad Schwalbach.. Direct na aankomst rijden Herman en Joyce door naar Paul en Anita. Na een uurtje is het gezelschap compleet.

Rond drie uur verlaten we de parkeerplaats. Regenhoezen om de rugzakken en onze grote paraplu's als stram gepresenteerde geweren boven onze al gauw bezwete koppen. Want vanaf nu besluiten de donkere wolken deze 34e trektocht te zegenen met een hardnekkige, uren durende, regen. We gaan moedig op weg, eerst door de Bahnhofstrasse en de Heimbacher Strasse, maar daarna over een smal bergpad klimmend naar hoger gelegen weiden en bossages. Prachtige vergezichten ineens, ondanks de sombere weersomstandigheden. We steken indrukwekkende, bijna keurig aangeharkte akkers over, die als een terracotta palet tegen de hellingen liggen. Op een klein plateau ligt het kneuterig dorpje Lindschied, op deze grauwe zaterdagmiddag vrijwel uitgestorven. Dat is maar goed ook, want koffie en gebak zouden op dit tijdstip erin hakken en het moreel voor de rest van de dag ondermijnen. Evenzogoed blijven we constant klimmen, klimmen, klimmen. Wat is dàt weer wennen! Menig hartslag jaagt op en dwingt tot een rustiger tred met bijbehorende ademhaling. Op het moment dat het harder gaat regenen bevinden we ons echter op een meer comfortabele bosweg, die geleidelijk stijgt in noordelijke richting. Rechts een steile helling omhoog, links een dito naar beneden, dus horizontale kampeerplekken kan je hier wel vergeten. Inmiddels valt de regen met bakken uit de hemel.

Hoe ontredderd is deze stoere groep als we rond vijf uur aan een bosrand belanden, met vóór ons een ontmoedigend kaal open veld, waar achter de einder zich het dorp Burg Hohenstein moet bevinden. Volgens JW de laatste mogelijkheid om drinkwater te halen. Hij oppert het plan om die 2 à 3 km nog maar even door te sjouwen, daar in een café het verloop van de regenbui af te wachten en dan - eenmaal verkwikt en gedroogd - terug te lopen naar deze bosrand om een kampeerplek te zoeken. Dat goed bedoelde voorstel vindt geen genade bij de rest. En dan is het zo mooi, edel bijna, dat diezelfde JW met zijn nijvere zuster Evelien de bosrand induiken om nu reeds een geschikte kampeerplaats te zoeken. Dat lukt wonderwel. Er zijn mooie plekjes onder oude beukenbomen. Als we de tenten in alle rust willen opzetten houdt de regen ineens op. Met een heerlijk voldaan gevoel kwijten we ons nu aan onze gebruikelijke taken, vergetende hetgeen achter ons ligt en ons uitstrekkend naar hetgeen voor ons ligt, zoals de apostel Paulus al zei. Toch hebben we deze tweede helft van de middag nog maar 7 kilometer gelopen.

Jolanda inventariseert de totale hoeveelheid water in de groep. Is er genoeg voor de zuurkool van Aleid en Frans? En voor de thee vanavond en morgenochtend? Met alle restantjes moet dat lukken. Maar als we nòg dorstiger zijn dan de voorraad toelaat? En als we onze tanden willen poetsen en onze billen willen kuisen? Dan is er te weinig! We kieperen de waterrestanten in de pannen en in reeds halfgevulde flessen en dan gaan JW, Georgine Herman en Ron in de schemering met een rugzak vol lege flessen naar Burg Hohenstein, heimelijk hopend op een café om te tappen. Er blijkt helemaal geen café te zijn, maar wèl een norse particulier, eigenaar van een merkwaardig met leistenen bedekt huis, die bij het horen van ons wildkamperen onder het uitstoten van verwensingen als "Sie sind verrückt!" ons tòch het nodige vocht verstrekt. Ondertussen maken de achterblijvenden een prachtig kampvuur, ondanks het natte hout. En terwijl slierten rook tussen de vochtige beukenbomen blijven hangen beginnen enkelen al schuchter de rijke variëteit aan borrels aan te spreken. De branders zijn aan. Aleid, die met haar Frans deze avondmaaltijd verzorgt, is al begonnen met het in drie grote pannen bereiden van zuurkool met worst. Heerlijke ingrediënten na een dag als deze! 16 zakjes puree, 4 zakken zuurkool, 5 worsten van 350 gram, 2 zakken rozijnen en 8 bakjes spekreepjes, thuis al uitgebakken. Dat kàn niet meer verkeerd gaan.

Rond zeven uur komen de waterhalers terug. Ze worden als helden begroet en overladen met borrels. Onderweg zijn ze hinderlijk gevolgd door een verdachte man. Hij verliet hen toen ze het bos in gingen. Frans, die zich inmiddels ook met het eten is gaan bemoeien, showt met een lichtgewicht opvouwbaar stoeltje, waarin hij even later comfortabel aan het kampvuur plaatsneemt. Het stoeltje is zò laag, dat hij er alleen maar wijdbeens op kan zitten, onder het uitroepen van "Kriebel krabbel knuisje, wie knabbelt er aan mijn kruisje?" Wat heerlijk trouwens dat het niet meer regent! We drogen de natte spullen bij het kampvuur, terwijl zich een brede maatschappelijke discussie ontspint over zweetvoeten. Nadat de finishing touch aan de zuurkool is verricht kunnen we onze eetbakjes vol scheppen met dit smeuige voedsel. Ook mogen we een groot stuk worst nemen. Op de snijvlakken van die vers gesneden worststukken parelen dikke vetdruppels, die even later van onze kinnen druipen. Een echt Hellemansmaal dus.
Even zijn er weer regendruppels en zitten we onder de paraplu rond het kampvuur, wat ook wel iets gezelligs heeft. Paul stookt het vuur flink op en dat verhoogt de stemming. De tenten staan, de slaapzakken zijn droog, de rugzakken liggen onder de buitendaken, dus er kan ons niets meer gebeuren. Na de afwas wordt een grote pan opgezet voor de thee. Er is water genoeg en dat is maar goed ook. Want er is behoorlijke worstdorst na dit zaterdagavondmaal. Zo gaan wij de avond en de nacht in. Als tevreden mensen.

Heel vroeg in de morgen, laat het drie uur zijn geweest, nadat wilde zwijnen zacht grommend en wroetend rond de tenten hadden geslopen, breekt dichtbij met een enorm gekraak en een donderende geweld een dikke tak van een boom. Zij valt met een daverende dreun op de bosgrond. Daarna is het stil. Wat is er gebeurd? Is de tak op een tent gevallen? Ik pak mijn lamp, doe provisorisch mijn bergschoenen aan en loop zoekend door ons kampement. Het is pikkedonker, de tenten staan verspreid. Ik tel er vijf. Maar het moeten er zes zijn. Die zesde tent is nergens te bekennen. Ook de gebroken tak niet. Terug in de tunneltent, die ik met Els, Evelien en Georgine deel, doe ik verslag. We maken ons zorgen om de bewoners van de ontbrekende tent, maar is dat terecht? Want we hebben geen noodkreten en gekreun gehoord. En zouden zij op slag gedood zijn is er toch niets meer aan te doen en zien we morgen wel verder. Geintje natuurlijk, maar met die geruststellende gedachte gaan we weer slapen.

Zondagmorgen acht uur. Iedereen is nu wel zo'n beetje uit de warme slaapzak gekropen en loopt beredderend rond. Opruimen, toiletteren, inpakken, water koken, brood klaarmaken. Hoewel er hier en daar nog lunchpakketten van gisteren over zijn. Tot onze verbazing zien we iets verderop in het bos een echtpaar met een spuitbus tekens maken op de dikke bomen. Ze hebben een grote hond bij zich en doen geen moeite ons te benaderen. Vreemd... De lucht is grauw, maar het is droog. We ontbijten staande, behalve Frans en ik, die een stoeltje hebben. Om tien uur, gebruikelijke tijd, is iedereen klaar voor vertrek. Jan Willem kondigt aan dat we vandaag eerst een stukje zuidwaarts en dan westwaarts lopen. Hij voegt de daad bij het woord en stapt manmoedig over omgevallen bomen en dooie takken dwars door het bos naar een modderige, door tractoren omgeploegd pad. Wij volgen opgewekt, want aan het begin van de dag zijn we allemaal fris, vitaal en vol goede moed En die stemming wordt nòg beter als de boswegen beter begaanbaar worden. We dalen af naar een beekje dat kronkelt tussen de beboste berghellingen en komen uit bij het dorpje Kemel. De stille straten liggen in een geheimzinnige mist. In een groot boerenhuis, waar de bewoner net een joyeuze jonge vrouw in een sportwagen uitzwaait, krijgen we water voor de lunch.

We lopen nu al een tijdje over een Wanderweg die aangegeven wordt met een zwart hoefijzer op een wit vlak. De kaart is dus wat overbodig. Hoewel die toch zo nu en dan wordt geraadpleegd. We lopen door en bereiken een volgend gehucht, Wisper genaamd, dat romantisch op een bergkam ligt. Ook de huisjes stralen een vrolijke romantiek uit met hun balkons vol bloemen, maar dat is schijn. Want tegen de muur van een klein kerkje hangt een pamflet "An alle Wisperer Katzenbesitzer", waarin een inwoonster haar beklag doet over iemand die heimelijk haar twee jonge katten heeft vermoord. "Was hier passiert ist kein Spasz mehr und sollte uns zu denken geben." Verborgen leed dus. Buiten Wisper verwijst een bordje ons naar een Freizeits Anlage opzij van de weg. Het zijn wat veldjes uitlopend op een meertje. En er is een mooie, zij het aan alle kanten open blokhut. Ideaal voor de lunch, dus rugzakken af en een plekje zoeken op de hardhouten banken. Water warmen voor thee, koffie, chocolademelk en soep uit eigen voorraad. De wind waait onbarmhartig langs onze koude schouders. Maar dat gaat niet ten koste van onze warme stemming.

De middag vordert, zoals gebruikelijk bij een wat langer oponthoud. Dus gaan we moedig verder, eerst een aantal kilometers langs een mooie dalweg zuidwaarts. Dan zigzaggend westwaarts omhoog door open veld. De dag nadert haar einde en in de verte zien we het Taunusdorp Dickschied op een bergplateau liggen. Typisch een geval voor forenzen. Er staat op een bord dat het dorp dit jaar 850 jaar bestond. Uit de smetteloos witte huizen is het niet op te maken. Maar het kerkje waarvan de massieve toren ver in de omtrek is te zien, dateert uit de 12e eeuw. Aan de rand van het dorp bellen we ergens aan en vragen om water. Gezellige jonge ouders die we verpletteren met 28 lege waterflessen, die ze zonder morren vullen. Holland, ja, dat kennen ze. Der Koikenhoof. Wunderbar nicht? En met rugzakken hebben ze ook wel eens gelopen, toen ze nog jong waren. We bergen de volle flessen in onze rugzakken en hopen nu snel een kampeerplek te vinden. Dat moet kunnen ergens in de loofbossen, die verderop achter het dorp beginnen.

Dan komen we het dorp uitwandelend een ouder echtpaar tegen dat ons bewondert om onze Wandervögelmentaliteit. Und denn auch noch eine Groszfamilie! Schön! Maar later halen ze ons weer in en waarschuwen voor de vele wilde zwijnen in de bossen. Und warte! Jullie kunnen je beter even melden bei dem Jagdaufseher, de jachtopziener dus. Die kennen zij en die woont in gindse Jagdhaus. Wij kijken beteuterd. Weten bij voorbaat al hoe dit afloopt. Deze mensen zijn kennelijk in paniek geraakt toen ze zich realiseerden, dat er vannacht wel eens gejaagd zou kunnen worden. Waarbij iemand van ons door een verdwaalde kogel zou kunnen worden neergeknald. Die verantwoordelijkheid willen ze niet dragen. De vrouw loopt mee als Ron en Paul namens ons zich naar het Jagdhaus begeven. Het huis ligt aan de bosrand. Een dikke splinternieuwe Mercedes staat voor de deur. Ook andere auto's. Binnen zijn al wat jagers. De geparfumeerde pronkmadam van de jachtopziener komt naar buiten en op de vraag naar Zeltern im Wald sist ze met benepen mond: "Aber dass geht überhaupt nicht !!!" Zij roept haar man, die hetzelfde zegt, zij het vriendelijker. Hij verwijst naar een camping in het dal, zo'n 8 à 10 km verderop, een typisch Mercedesadvies. Als Ron en Paul teruglopen zegt de dorpsvrouw begripvol dat we het in een volgend bos kunnen proberen. Daar komen deze jagers tòch niet. Onze inschatting is, dat deze steunpilaren van het faunabeheer op deze kille zondagavond überhaupt niet verder komen dan een paar glazen Jägermeister. Maar ja. We likken onze wonden, raadplegen de kaart en ontdekken dat op de volgende bergrug, die we in de verte al zien liggen, voldoende en misschien zelfs betere kampeerplekken te vinden zijn. Maar dan moeten we eerst letterlijk en figuurlijk door een diep dal. Het dal van de Herzbach.

Het is inmiddels al zes uur! Dus wat willen we? Eerst dan maar afdalen dwars over een enorme grasvlakte, waarbij we de verderop liggende landweg, die met grote zigzagbewegingen dalwaarts leidt, maar negeren. Dat scheelt tijd, want al gauw bereiken we het diepste punt, een karrenspoor langs de beek. Aan de andere zijde gaat een bosweg steil omhoog naar het beoogde hooggelegen kampeergebied. Doch wie een blik werpt op deze gekwelde groep, zeker na zo'n 17 kilometer lopen vandaag, krijgt direct door dat enkelen dat niet meer weten op te brengen. Nog los van de vraag of we op dit moment bereid zijn over zo'n anderhalf uur daar boven doodmoe en in het donker ons kampje op te bouwen. Toch bestaat er al vele jaren weerstand tegen kamperen in een donker dal. Vochtigheid, kou, geen zon. Maar er is geen andere keus. Het is wonderbaarlijk, maar die gedachte montert iedereen op. Aanvankelijk zien we alleen zompige grasveldjes langs de beek, die weinig goeds voorspellen. Bovendien kunnen jagers altijd nog met hun mondaine vehikels dit gedeelte bereiken. Maar als we de slingerende beek volgen blijkt het beekpad verderop voor auto's onberijdbaar te zijn. Dan zien we ergens aan deze en de overzijde van het water een paar idyllische kampeerplekjes met een tapijt van bladeren. Dat is altijd beter dan morgenochtend in kletsnat gras wakker te worden. In no time zijn nu onze tenten opgezet. Frans, Aleid, Paul en Anita gaan met hun twee tenten aan de andere kant van de beek te staan. Voor de andere vier tenten vinden we aan deze zijde een plekje. Bij de opening van mijn tent ligt een dikke boomstam, waarop ik met Georgine, vermoeid maar voldaan plaatsneem met een schelvispekel uit haar kruikje. Anderen voegen zich daar spoedig bij. Kleine bekertjes gaan van hand tot hand. Totdat op een paar meter afstand een mooi kampvuur brandt, dank zij noeste houthalers en stokers, en de kring zich daarheen verplaatst.

Op de voorbespreking hebben we de toen afwezige Paul en Anita het verzorgen van het zondagavondmaal toebedeeld. Dit onder verwijzing naar de vorig jaar door Paul gekookte zalmpasta met room en peterselie. Paul mailde terug dat het een eer is om het 14-koppig gezelschap op de Dag des Heren daarmede te spijzigen. Aldus geschiedde. Terwijl de anderen na deze enerverende dag stevig borrelen, zitten de beide Amsterdamse echtelieden achter dampende pannen een heerlijk maal te bereiden. Wat hebben we het weer goed! Rond het kampvuur ontstaat ineens een wat lacherige gedachtewisseling over het tot dan onbekend feit, dat de hier aanwezige èchte nichten en neven, afstammelingen van Oma Moeke, (via haar) Joods bloed in de aderen hebben. Deze afkomst wordt positief geduid. Want ineens zijn allerlei uiterlijke en innerlijke kenmerken verklaarbaar en oorzaak van veel hilariteit. En terwijl de Herzbach achter onze rug kolkt en kabbelt doen de vreemdste verhalen de ronde. Herman, hierdoor aangemoedigd, vertelt nu uitgebreid het relaas van het verloren vingerkootje, waarmee het van een aangrijpende persoonlijke gebeurtenis, nu een vaste plaats krijgt als canon in de rijke historie van deze familietrektochten.

Hoe het de groep verder vergaat kan ik niet navertellen, want Els en ik duiken als oudsten al vroeg in onze slaapzakken, al genieten wij bij het inslapen nog geruime tijd na van de onverstaanbare gespreksflarden van onze tochtgenoten, afgewisseld door gelach, waarvan wij de reden nimmer zullen weten. En niemand voelt zich meer bedreigd door de patserige jagers van Dickschied. Want we horen van de omringende hellingen wel de roep van de uil, maar geen enkel schot klinken.

Het is stil in het dal. De Herzbach kabbelt als in Die Forellen van Schubert meanderend tussen de twee oevers waarop zich onze tenten bevinden. De schemering hangt, gehuld in morgendampen, nog tegen de steile hellingen. Overal is beweging en gedempt gepraat. Iemand steekt alvast de brander aan en zet een grote pan water op. Voor mij betekent het opstaan als vanouds eerst de slaapspullen oprollen en snel met m'n hele hebben en houden de tent verlaten, zodat mijn drie tentgenoten wat meer ruimte krijgen voor hun eigen besognes. We ontbijten staande, rondom een zittende Jolanda, die de scepter zwaait over stapels boterhammen. We waarderen deze mooie plek haast nog meer dan gisterenavond, nu we onze kleine tentjes knus bij elkaar zien staan langs de beek. Het hele ritueel van opstaan, toiletteren, eten, opbreken en inpakken kost ons meestal zo'n twee uur. Deze ochtend komt er voor een paar keiharde TT'ers (man/vrouw) nog bij het wassen van het blote lijf in de ijskoude beek.

Hoe fit is deze groep dus bij de start rondom tien uur! Dat is ook nodig. Want nadat we eerst een stukje terugliepen langs de beek steken we die over en beklimmen de tegenover liggende helling langs een geleidelijk stijgende weg. Ruimte genoeg voor kleine gesprekjes tijdens het voortstappen, maar toch inspannend. Eenmaal op hoogte hebben we een prachtig uitzicht op Dickschied en de omringende bergen en dalen. We zitten hier middenin het Naturpark Rhein-Taunus. Om ons heen zijn hierboven talloze mooie kampeerplekken, die we gisteren hadden kunnen bereiken. Maar dat brachten we niet meer op. Het pad slingert verder naar het dorp Espenschied, evenals de dorpen van gisteren hooggelegen. Er is geen winkel te bekennen, laat staan dat die op maandagmorgen open zou zijn. Aan de rand van het dorp is een modelblokhut met overdekte barbecueplekjes, picknicktafels en houten banken, wat op enige vorm van toerisme wijst. Al is het dorp, zoals overal in deze omgeving, uitgestorven.

We marcheren in gesloten colonne met zoekende blik de dorpsstraat in, hopend op een gezellige Konditorei. Hadden we Evelien niet, dan waren we nog lang zoekende gebleven. Zij geeft haar rugzak aan neef Frans, die hem voor zijn borst hangt, en holt als een dartele verspieder een zijstraat in. Even later meldt zij opgetogen, dat zich hogerop Restaurant Talblick bevindt, waar een comfortabel terras met fantastische uitzicht als het ware voor ons klaar staat. We strijken er neer. Buiten, hoewel het binnen ongetwijfeld warmer is. Maar je moet de kat niet op het spek binden. De vrouw des huizes noteert een grote variatie aan Kaffee, Tee, Schokolade und Kuchen. Als deze traktaties worden opgediend lijkt het net of we iets te vieren hebben. En dat klopt. Want Els kondigt een subsidie van vijftig euro aan, van haar moeder tante Bep. Er klinkt gejuich op over deze jaarlijkse verrassing. Nu we het toch over geld hebben: dit is het moment waarop Jolanda haar taak als penningmeester gaat uitvoeren. Zij zet zich neer en incasseert al onze bijdragen, onder aftrek van voorafgaande groepskosten en houdt daar nauwkeurig aantekening van. Wij zijn blij dat zij dit jaar die rol op zich wil nemen. Op andere tochten is meestal Peter Pi de klos.

Dan sommeert Jan Willem, kijkend op de kaart, dat we verder moeten, willen we morgen het Rijndal bereiken. Want er zijn daartoe nog de nodige kilometers te gaan. In het volgende dorp, Presburg, zou een supermarkt zijn, of althans een paar winkels. En als we daar dan wat nuttigen in een café, zouden we direct water kunnen inslaan en ergens voorbij het dorp een kampeerplek kunnen zoeken. Met die gedachte gaan we op weg. We kunnen snel kilometers maken, omdat de route over een breed bospad leidt. Toch is de praktijk weerbarstiger. De weg, geleidelijk stijgend, is lang en moeizaam. Het is het laatste deel van de dag, altijd al een beproeving voor ons niet-getrainde lopers. Zo nu en dan moeten we stoppen om te recupereren oftewel onze krachten herwinnen, wat bij de ene vlotter gaat dan bij de andere. De rugzakken gaan dan af, de conditie zakt even in, maar als Frans zijn ronde maakt met plakjes harde worst en anderen met hartversterkende drop, zoete en zure ballen en pepermunt, is ieder weer gauw op niveau en kan de karavaan verder trekken.

Rond kwart voor vier bereiken we Presberg. Terwijl enkelen op onderzoek uitgaan zit de rest van de groep gezellig op een ronde bank afwachtend te keuvelen. Nergens blijkt een supermarkt of equivalent te bekennen. Wel een Metzgerei, maar daar hangt een papier met de mededeling dat de slagerij gesloten is wegen eine Trauerfeier, wat Frans met zijn feesten-en-partijen-achtergrond direct vertaalt met trouwfeest, maar wat even later een rouwdienst met condoleance blijkt te zijn. Dat merken we. Want er is in een zijstraat een café-restaurant, getooid met de sombere naam Grolochblick, waar zwartgeklede mannen en vrouwen buiten beheerst maar opgeruimd met elkaar staan te roken en te kletsen. Ook binnen treffen we achter de Schnapps een gemoedelijke sfeer aan; oma is tenslotte toch nog 91 jaar geworden. De uitbater leidt ons discreet naar de Gästezimmer, zodat we de ernstige dorpsbijeenkomst in de gelagkamer niet verstoren met onze vrolijke aanwezigheid. En er valt voor de baas wel wat aan ons te verdienen, nu we geen avondeten kunnen inslaan. We beginnen met grote bokalen Weiszbier, Rheinwein en andere, onschuldiger dranken. Maar we krijgen òòk meteen van Jolanda groen licht voor het bestellen van een warme hap. Zoals daar is Strammer Max, boerenomelet met spek, braadworst en andere kleine gerechten. Dat alles laten we ons tevreden en onbekommerd welgevallen. Ook in het vooruitzicht dat we straks in de schemering alleen nog maar onze tenten moeten opzetten, maar niet meer hoeven te koken.

Buiten is het koud maar droog als we om kwart voor zes, zij het met enige tegenzin, de warme Gästezimmer verlaten, onze waterflessen vullen en ons wederom in de ongenaakbare natuur begeven. JW en Evelien troosten ons met de mededeling dat er ergens op een heuvel in de buurt zich een blokhut bevindt met een Kampfeuerplatz. Dan moeten er ook kampeerplekken zijn. We lopen het dorp uit via de rand, waar mooie huizen staan met een prachtig uitzicht op het omringende bergland. We taxeren dat die hier hooguit twee ton kosten. In ons land op een vergelijkbare locatie zeker drie à vier keer zo duur. In het café vertelde een Duitser, dat hier veel forenzen uit Wiesbaden en Koblenz wonen. Import in hun ogen, want de autochtonen zijn hier boeren, bosarbeiders en bouwvakkers (en een slager).

De avond is gevallen, een avond met mooie luchten van geel overlopend naar blauw en paars. We volgen een pad langs een akker. De voorsten houden ons fluisterend staande. Kijk! op het veld! Een vos die een prooi verorbert, terwijl boven hem brutaal een roofvogel rondcirkelt, in afwachting van een stukje buit. Een imponerend schouwspel, dat ons een tijdje geboeid staande houdt. Tot de vos ons in de gaten krijgt en met z'n lange dikke staart er vandoor gaat. We lopen verder en stuiten opeens op een slagboom, waarachter zich een glooiend grasveld bevindt met de bewuste blokhut. Het geheel ligt op een plateau met schitterende uitzichten naar alle kanten. Als we plekjes voor de tenten zoeken vluchten er een paar reeën de struiken in. Het is nu al kwart voor zeven, maar we zijn op een mooie kampeerplek beland. Naast de blokhut staan een paar banken en een grote tafel. En er is een ronde betonnen vuurbak met een barbecuerooster en een soort galg erboven om een pan aan op te hangen. Deze attributen laten zich snel verwijderen, zodat direct een mooi vuur kan worden gemaakt. Terwijl ik even plat ga in de tent is ieder in de weer met hout zoeken, water koken en banken naar de vuurbak slepen. We hebben volgens de GPS van Jan Willem vandaag 498 m geklommen, ons 4 uur lopende bewogen en 17,5 kilometer afgelegd. Even later zitten we om het vuur.

We bevinden ons hier op de Kerzkopf, op 407 m hoogte, ten NO van Presberg. We zien het dorp in de verte liggen met zijn vele lichtjes. Als ik op de kaart kijk zijn we al aardig opgeschoten in de richting van de Rijn. Morgen zullen we het Rijndal bereiken. Voor het eerst wijken de wolken. In de donkere maar heldere avondlucht hangt een fascinerende maan, driekwart wassend, met een brede ijle dampkring er omheen. Dat duidt op regenweer zegt Irene, en die kan het weten want zij werkt bij het KNMI. De zitbanken zijn om de betonnen trog geplaatst. Hoewel er volop vuur is, waait er zo nu en dan een irritante stinkende rook rond en teistert iedereen die voor korte of langere tijd in die smook zit. Het is voornamelijk afkomstig van een stapel afgedankt aannemershout. het enige op deze kale plek onder handbereik.
Terwijl de meesten dus met betraande ogen zich niettemin koesteren in de warmte, begeeft die arme Frans zich met enige regelmaat naar een veilige afstand van de groep, omdat deze goed opgevoede neef even een sigaretje wil roken en de anderen met zijn rook niet tot last wil zijn (!). Terwijl hij aan zijn longwolfje trekt kijkt hij oplettend rond. Volgens Aleid heeft hij dan iets van een havik. Stilstaan en tòch alles zien. De ideale jonge vader als hij met zijn peuters in de speeltuin is.

Rond tien uur gaan de meesten naar hun tent, want het wordt koud en van enige intimiteit is hier op deze winderige heuveltop eigenlijk geen sprake. En dat is maar goed ook, want de lucht trekt weer dicht. Onheilspellende wolken vullen het hemelruim, waarna vele nachtelijke buien volgen, de een na de ander. Maar we liggen allemaal droog in onze tentjes, dus ons kan vooralsnog niets gebeuren. Morgen zien we wel weer verder!

Het slaapmatje van JW heeft vannacht een andere vorm gekregen. Het leek door het geplop -het nylon aan de buitenkant dat zich loswerkte van het schuim aan de binnenkant- wel een zak popcorn. Aan de ene kant grappig, aan de andere kant bijzonder onpraktisch, want hoe omzeil je tijdens je slaap een bult van 80 bij 40 in een slaapmatje van 50 cm. breed? Weet je dat zo'n bult NIET is weg te duwen?

Grauw is de hemel, zoveel is duidelijk op deze door de goden verlaten Duitse hoogvlakte. Zelfs als de tent nog binnen en buiten potdicht geritst is. De regenbuien van de afgelopen nacht hebben het wolkendek niet ontlast. Ik sta op, pak mijn spullen bij elkaar. Dan is er het moment dat je de tent open ritst en je de waarheid manmoedig onder ogen moet zien. Ik zie Ron lopen. Hij zet theewater op. Hoewel nee: ik geloof dat het koffiewater is. Even schijnt er een waterig zonnetje om hem gedurende hooguit dertig seconden wat te bemoedigen. Windvlagen zwiepen over het kale grasland, de eerste regendruppels meevoerend. Goed dat er een blokhut is. Wie de rugzak zo'n beetje gepakt heeft zet hem direct droog onder het afdak. Straks kunnen we er zittend ontbijten, al staat de open voorzijde geheel op de wind. Ik kijk rond. Deze Kerzkopflocatie is hoe dan ook een geciviliseerde plek, dus waar te wassen en ontlasten? Ik strompel langs de buitenste begroeiing, die de Zeltplatz omzoomt, maar geniet intussen wel van het weidse landschap. Overal beekdalen en beboste hellingen. Ik vind een plekje onder lage grillige eikenbomen, tussen doornige braamstruiken, en hang mijn scheerspiegeltje aan een afgebroken tak.

Als ik terugkom heeft het ontbijtgebeuren zich al geconcentreerd rond de blokhut, hoewel de branders met het water tien meter verder op de picknicktafel staan. De hut stroomt vol. De broodplanken op de moederlijke schoten van Joyce en Jolanda vullen zich met hoge stapels boterhammen en de eerste mokken zijn al voorzien van heet water. Wat een gezellig en bijna romantisch begin van deze sombere dag! In de verte zien we Presberg liggen, waar om acht uur ineens een bescheiden kerkklok gaat luiden. Het is wonderlijk, maar bij dit soort situaties lijkt iedereen alle tijd te hebben. Met alle gedoe rond het opstaan, ontbijten, opruimen, inpakken en opbreken van de kletsnatte tenten gaan we pas om elf uur op pad. Dat begint trouwens op z'n Jan Willems met een steile afdaling tussen doornige struiken tot er ergens, tientallen hoogtemeters lager, een bospad is dat in westelijke richting langs een beekje leidt. Dat volgen we hoopvol, in de wetenschap dat we uiteindelijk in het Rijnstadje Lorch moeten belanden. Als we afdalen naar het Grolochtal, blijkt dat er alleen een asfaltweg is, die zeker vier kilometer gevolgd moet worden voordat we in Lorch zijn. En het regent inmiddels pijpenstelen.

De kaartlezers komen na een paar honderd meter met een alternatief. Tussen de gebouwen van een piepschuimfabriek iets verderop is een brug over een riviertje en daarachter gaat een modderig bospad omhoog langs een zijdalletje. Misschien kunnen we via dat pad hogerop over de hellingen naar Lorch lopen. Zo gezegd zo gedaan. Het pad is omgewroet door wilde zwijnen en gelardeerd met talloze omgevallen bomen. We houden het strompelende klimmen twintig minuten vol. Maar we zien aan de andere zijde van de opgaande beek geen pad terugzwenken richting Lorch. Wat toch zou moeten! De groep wacht besluiteloos. Tot Ron zich opoffert om de tegenover liggende helling te onderzoeken op hoger gelegen paden. Daartoe moet hij eerst scherp afdalen naar de beek en dan steil omhoog klauteren, waarbij hij na enige tijd uit het zicht is verdwenen. Dan klinkt er een roepstem uit onbestemde hoogten dat er inderdaad een pad is, steil en glibberig weliswaar, maar toch in de goede richting. En - wat te verwachten is bij deze PSV-er - dat hij niet van plan is terug te komen naar de groep. Wat nu? Georgine en Evelien, onze altijd energieke klipgeiten, besluiten hem te volgen. De anderen willen terug naar de asfaltweg. "We zien elkaar in Lorch", is nu het bedenkelijke devies.

Zo daalt de rest van de groep weer af naar de fabriek en sjouwen verder langs de straatweg, elf half verzopen katten onder grote paraplu's. Even pauzeren we bij een kapelletje. Een mobiel belletje klinkt. Het is Georgine die meldt dat hun drietal al in Lorch is bij een supermarkt en alvast inkopen doet. Als we daar arriveren zien we hun rugzakken al staan. Ron en Evelien hebben inmiddels een maaltijd voor vanavond ingeslagen: macaroni met garnalen. Els en Paul blijken allergisch voor deze vissoort en de gevolgen van hun verzet en de hang naar een alternatief blijken al direct. Want als de ingrediënten voor het avondeten in de rugzakken zijn verdwenen en uit ons bewustzijn verdrongen, wil iedereen hier en nu nog wat substantieels nuttigen. Al was het maar als beloning voor de ontberingen. We lopen door de nauwe hoofdstraat richting Rijn en vinden in een doodlopende zijstraat Restaurant Colpinghaus. Voor een restauranthouder, dit keer een vrouw, moet de binnenkomst van veertien zwaarbepakte, natte en bemodderde voettoeristen een overval zijn. Maar de vrouw is wel wat gewend. Zij heeft gisterenavond, meldt zij trots, nog een groot gezelschap verzorgt ter gelegenheid van de 60e Geburtstag van de Oberbürgermeister van Lorch. En er is een kok in de keuken, dus kom maar op!

We nemen plaats aan een lange tafel en bestellen salades, eigerechten en schnitzels in talloze variaties, met opvallend veel glazen droge witte wijn, om ons al bij voorbaat in te drinken op de wijnhellingen die ons straks te wachten staan. Geweldig gezellig is dit allemaal, vooral als ik het tafereel vanaf een leeg tafeltje bekijk, terwijl ik bezig ben dit logboek bij te schrijven. Jan Willem belooft een camping verderop in het Rijndal, dat via een Höheweg door de wijnvelden te bereiken is. Voor Paul en Anita is dit een afsluitmaal, omdat ze morgen op het eindpunt direct terug gaan naar huis en dus het gebruikelijke afscheidsdiner. moeten missen. Al weten we nu nog niet of dat zal lukken. Alleen al dat feit is voor de anderen een excuus, om nu al de bloemetjes buiten te zetten. Het is half vier als we opstappen. Dan ontdekt Aleid dat ze de eerste teek van haar leven heeft. Hoewel Evelien deze vakkundig verwijdert wil ze thuis toch nog even langs de huisarts gaan, wat door veelvuldig geteekte trektochters met opgetrokken wenkbrauwen wordt aangehoord.

Het weer is inmiddels opgeknapt, ja er schijnt aan de westelijke hemel een weldadig zonnetje. Hoe is het mogelijk! Via de Lorcher straatjes bereiken we de Rijn, slaan daar linksaf en lopen al gauw op wat grotere hoogte tussen de wijnvelden van de oostelijke Rijnoever, met mooie uitzichten op de rivier. Grote schepen afgeladen met goederen of bejaarden varen stroomafwaarts en stroomopwaarts. Op beide oevers passeren treinen en wegverkeer. Een dal vol nimmer aflatende bedrijvigheid en geluid, wat wij ons ook nog herinneren van een eerdere tocht noordelijker, door het natuurpark Nassau. Onze helling ligt in de avondzon; de witte rivierdorpjes aan de overzijde in de schaduw. Jan Willem neemt veel en prachtige foto's. Toch moeten we na alle vermoeienissen en alcohol achter de knieschijven er nog zwaar aan trekken. Want deze zonnige Rijnroute is tot aan de camping toch nog zo'n zeven kilometer. Dat we op een camping gaan staan hakt er wel even in na het jarenlange wildkamperen. Maar het is niet anders in dit gebied.

Tegen zes uur arriveren we op de camping. Het terrein draagt de weidse naam Weinhaus Freistaat Flaschenhals. Dat doelt op het feit, dat deze plek na de eerste wereldoorlog een paar jaar geen bezettingsmacht had en dus de status van een vrijstaat kreeg, met eigen bestuur en eigen geld.
Overal staan caravans op kleine terrasjes tot hoog op de helling. Wij krijgen twee veldjes toegewezen bij het Gästenhaus en het consigne dat we vanavond niet teveel lawaai mogen maken om de caravanbewoners niet te storen. Alsof we een stelletje hooligans zijn! Herman en ik gaan direct douchen en trekken schone kleren aan. Een goddelijke ervaring waar een mens helemaal van opknapt. Vooral van de schone sokken. In Lorch hadden we, zoals bekend, ingrediënten voor een warm maal ingeslagen. Dus nadat in de schemering de tenten zijn opgezet slaat de groep bij een picknicktafel aan het koken. Buitenstaanders, zoals de in het huis dinerende Duitse caravangasten, begrijpen dan niet hoe gezellig het kan zijn als je in de koude avondlucht, op de houten banken dicht tegen elkaar aangedrongen, de overgebleven borreltjes soldaat maakt, van de resterende knabbeltjes geniet en daarna op de tast je maaltijd uit je etensbakje lepelt. Na de comfortabele afwas, opzij van het huis, gaan we met z'n allen naar de warme sfeervolle Gästenzimmer, waar klassieke muziek ons terugbrengt in de civilisatie en een kop thee of koffie een mooie start is van de avond. Vandaag hebben we wederom zo'n 18 kilometer gelopen, met weinig klimmeters, maar wel met de handicap van een langdurende regen tot aan Lorch. Dan geeft zo'n samenzijn een diepe bevrediging.

We bestellen spiritualiën en ineens ruiken we een brandlucht. Het lichtblauwe nieuwe fleecejack van Anita staat in brand, maar kan direct worden gedoofd. Hoe kan dat? Het blijkt de zakverwarmer van Joyce te zijn, die gebarsten is. Ze had hem aan Anita uitgeleend. Zo zie je maar weer. Een ongeluk zit in een klein hoekje.
We vragen aan de bazin of het verhaal van de Freistaat een carnavalsgrap is. Ze reageert verontwaardigd en verwijst naar een vitrine, waar alles uit de doeken wordt gedaan. Later legt zij een stapel folders op tafel. Dit was het land tussen een door de Fransen na WO 1 bezet deel in het zuiden en het door de Amerikanen beheerde gebied ten noorden, dat door een vergissing aan geen mogendheid was toegewezen. Die status verdween een paar jaar later toen de bezettende machten zich terugtrokken. Dat verhaal wordt in deze omgeving toeristisch volledig uitgebuit. "Nirgends ist es schöner als in den Freistaat Flaschenhals."
Zo verloopt deze laatste avond van de 34e TT in een feestelijke stemming. De bazin komt vragen of we de laatste bestelling willen doorgeven. En dat is maar goed ook, want ongemerkt zullen we anders ons TT‑budget ruimschoots overschrijden. Na het laatste rondje zoeken we in de vochtige avondkoude onze tenten op. Al met al een dure overnachting.

Vannacht klonk gekrijs van een vogel en het korte hoge gekef van een vos. Ergens hoger op de helling voltrok zich een drama. Het regende verschillende keren, maar je draait je om en soest verder. Opzij van onze tent stroomt een gekanaliseerd beekje richting Rijndal. Verderop klinkt het zachte geruis van een watervalletje, de trots van de campingbaas. Terwijl ik rond acht uur naar het toiletgebouw loop geniet ik op het terras van het verrassend uitzicht vanuit dit smalle zijdal op de Rijn. Het luxe wassen is weer een weldaad voor lichaam en geest. Ik deel de wasruimte met een Duitse man, die vol bewondering is over onze Wanderung door de Taunus en vooral over het wildkamperen. Maar direct komt hij met verhalen over eigen ervaringen van familieleden, die de pelgrimstocht Sankt Johann von Compostella maakten. In zwei Monaten! Dat is andere koek. Zo bieden mannen, als het zo uitkomt, tegen elkaar op. Als ik daarna de betonnen trap afdaal, zie ik in de bosrand bij de picknicktafel de nichten en neven een copieus ontbijt klaarmaken, compleet met Kaiserbrötchen en lekker stevige Duitse boterhammen. Verrassend leuk, zo'n close-harmony-ontbijt. Al weet ik, dat dat vooral komt door de goede sfeer binnen deze jarenlang op communicatie beproefde familiegroep. Zou je hier alleen of met z'n tweeën zitten, dan zou het enige vermaak zijn de eekhoorntjes, die brutaal rond de tafel heen en weer wippen.

Om kwart over tien hangen we de rugzakken om voor de laatste trektochtdag. Direct is er een pittig klimmetje naar de op de camping al aangekondigde "Panoramaweg", die ons verder zuidwaarts voert naar het gebied rond Rüdesheim. Die Höheweg bereiken we na een kwartier zwetend sjouwen. Een schitterend uitzicht over het Rijndal is onze beloning. Eeuwenoude, door vele Duitse dichters bezongen romantiek. De route slingert door beuken-, eiken- en dennenbossen, met wisselende vergezichten. Na vijf kilometer leidt het pad ons uit het Rijndal en bevinden we ons ineens in oude loofwouden, waar we een paar keer mis dreigen te lopen. Tot we tussen vruchtbare okerkleurige akkers in het dorpje Aulhausen belanden. Het is inmiddels weer gaan regen en hard waaien. De ingenieuze TT‑paraplu van Els, begeeft het hier. Het is er een met een telescopische buis aan de onderzijde, waarmee je hem geloof ik in de grond kan prikken. De paraplu gaat in de papierbak op een pleintje midden in het dorp, waar we een kwartier pauzeren. Aan de rand is in een halve cirkel een gedeeltelijk overdekte muur, waarop pompeuze muurschilderingen zijn aangebracht. gewijd aan de wijnoogst. Die moeten de op de aanwezige banken rustende toeristen erop wijzen dat het leven hier goed is.

Die korte pauze geeft ons de kracht voor het laatste deel van deze trektocht. Tussen de boerderijen door gaat het pad recht omhoog naar het Niederwald, dat ondanks de naam een hooggelegen bergkam is, die ons scheidt van de bekende Rijnbocht bij Rüdesheim. Het is ons nu wel duidelijk, dat daar beneden in het dal het eindpunt van onze tocht is. Onderweg staat, behalve een oude kar vol verse paardenpoep, een bordje met de korte vermelding dat deze route naar een Denkmal leidt. We hebben geen idee wat dat inhoudt. Maar als we wat later over het hoogste punt heen zijn, staan we ineens voor een verpletterend en indrukwekkend standbeeld ter herdenking aan de Duits-Franse oorlog van 1870-'71. Onder het 37,5 m hoge vrijheidsbeeld is over de volle breedte een bronzen reliëf, waarop rondom ongetwijfeld Bismarck zo'n 200 martiale officieren en manschappen staan afgebeeld. En daaronder 19e eeuwse Duitse heldendichten, die eindigen met de beroemde zin:

"Lieb Vaterland, magst ruhig sein: Fest steht und treu die Wacht am Rhein."

Na die oorlog werd Duitsland een eenheid, een keizerrijk onder Wilhelm I. Het Denkmal is omgeven door terrassen, vanwaar je een imponerend uitzicht hebt over het Rijndal. Na de stille bossen wemelt het hier van toeristen, dus gauw maken dat we wegkomen van deze onrustige plek. We zoeken een pad dat naar Rüdesheim afdaalt, vinden het eigenlijk niet en passeren een Sessellift, waar je voor 4,50 euro in tien minuten in het stadje belandt. De keus is snel gemaakt en dit wordt een kleine sensatie ter afronding van deze trektocht. De lift dropt ons midden in het toeristisch centrum. Nauwe straatjes met eeuwenoude vakwerkhuizen, geplaveid met hobbelige kinderhoofdjes en drommen toeristen. Frans ontvangt ons met een big smile beneden op het Sesselstation met een plakje harde worst, waarop voor de liefhebbers een tulpje mayonaise, die hij razendsnel uitserveert. Direct daarna moeten we helaas afscheid nemen van Anita en Paul, die de eerstvolgende trein nemen naar Eltville, waar hun auto staat.

De rest van de groep blijft hier nog een tijdje, voor shopping en voor een afsluitende maaltijd. Eerst maar even een restaurant gezocht. Dat is gauw gevonden. Op een schilderachtig pleintje bevindt zich Restaurant Stadt Frankfurt, dat nog een verwarmd en overdekt terrasdeel vrij heeft voor groepen. De oude grijze ober en een liefdevolle blondine van nauwelijks 20 jaar bedienen ons met passende zorg. Terwijl wij voldaan en relaxed op onze stoelen achterover leunen vult de lange tafel zich met hoge glazen Weiszbier, kelken witte wijn, koffie, thee, bruisend appelsap. Later volgen allerlei schotels met salades, schnitzels en andere culinaire hoogstandjes. Hoe kunnen we deze beproefde tocht vol regenbuien, modder en kou beter afsluiten dan op deze manier? Ter bekroning laat zelfs het zonnetje zich nog even zien.

Wij hebben tot half vijf de tijd om wat cadeautjes voor de thuisblijvers te kopen en wat rond te dwalen door dit oude Rijnstadje. Ron koopt tot onze verbazing een uit hout gesneden mannetje, afkomstig uit het Ertsgebergte, dat de Notenkraker wordt genoemd en uit het midden van de 19e eeuw stamt. Daarna is het, althans voor de Dassen, hollen naar het station, waar de rest van de groep al ongeduldig op ons wacht. De trein brengt ons naar Wiesbaden en de bus vervolgens naar Bad Schwalbach. Als ik het goed begrepen heb kost deze reis ons totaal maar 47 euro, terwijl we toch meer dan een uur onderweg zijn. Op de parkeerplaats van Lidl nemen we afscheid van elkaar. Het was weer een geweldige tocht. Jan Willem, bedankt!

Oom Jan