TT‑verslag 2009-TT33

Logboekje oom Jan

Vroeg op, gedoucht en de voeten ingewreven met Badgers Balm, hèt wondermiddel tegen "vermoeide ruwe voeten". Dat is nodig, want ik maak mij zorgen over mijn pijnlijke linker middenvoet die wat doorgezakt is.
Ik trek dezelfde ouwe kleren aan die ik al sinds mensenheugenis op de TT draag. Mijn rugzak staat beneden in de gang uitnodigend klaar. Precies om acht uur komen Ron en Irene mij halen. Daarna via Els naar het huis van Evelien en Peter. De andere trektochters zijn al gearriveerd. Zij hangen ontspannen achterover in de fauteuils, lurkend aan thee of koffie, verlost van huis en haard, alsof ze alle ontberingen van de komende trektocht aan kunnen. Wacht maar, ik spreek jullie vanmiddag nader, en vooral morgen, als we de ups en downs van het Saarlandse landschap zonder enige training te lijf gaan. Want ik heb thuis heimelijk op internet de hoogteverschillen van de voorgenomen route geraadpleegd. Ieder neemt zoals gebruikelijk weer teveel tijd voor relaxen, zodat we pas rond 9 uur vertrekken. Wij zijn met drie auto's, van JW, Ron en Paul. Frans voegt zich zondagavond bij de groep. Bij het wegrijden toeteren we wat treiterend voor het aan de overzijde liggend huis van Peter Pabon en zijn Gabriëlle. Geen gordijn beweegt.

Alle eerdere plannen over een ideale internetroute naar ons einddoel Merzig vervallen, als Ron, die vooraan rijdt, zijn Tomtom volgt en vlak voor Luik linksaf slaat en koers zet naar Verviers en verder naar Trier. De route lijkt korter. Maar we komen door wegwerkzaamheden en stoplichten al gauw in zenuwslopende files terecht. Het weer is beurtelings zonnig en bewolkt met zo nu en dan een buitje. Even over de Duitse grens duiken we, om de zoveelste file even te onderbreken, in een simpel wegrestaurant.
Een groot bronzen hert staat veelbelovend bij de ingang ons op te wachten. Het bocht dat hier koffie wordt genoemd nemen we voor lief, want er staan belangrijker dingen te gebeuren. Evelien heeft recht op een staande ovatie, omdat zij nu voor de 25e keer de trektocht meeloopt! Zij veinst verrassing, maar moet haar deelname toch jaar-in jaar-uit met een soort Sinterklaasverlangen geturfd hebben. Want door zo'n jubileum wordt je definitief opgestuwd in de pikorde van de TT.

Els geeft iedereen een herfstblaadje met rode besjes met TT 09 erop. Een mooi gebaar. Maar voor Evelien heeft ze een bijzondere corsage, waarin het getal 25 jaar is verwerkt. Even vragen aan de ober. Mag er een feestlied worden aangeheven? De jongeman knikt met enige terughoudendheid, want in het zaaltje erachter bevindt zich een groep bejaarden-op-doorreis en je weet maar nooit. Els deelt tekstjes uit met een jubileumlied, op de wijs van Zie ginds komt de stoomboot. Het lied doet recht aan haar TT‑reputatie en we zingen het dan ook uit volle borst:

Zie ginds komt ons nichtje, dat is Evelien.
Een erg aardig wichtje en ook graag gezien.
Hoe huppelt zij lichtjes met zak op en neer.
Hoe waaien haar woorden door 't bos heen en weer.

Haar broer staat te lachen en roept ons reeds toe.
Wie doorloopt krijgt lekkers, wie slentert wordt moe.
O lieve nicht Evelien neem kaart en kompas
en vind ons een plekje in blad of in gras.

Wat roept zij, ons nichtje, al vijf lustrums lang?
Hetzelfde berichtje, nog steeds van belang.
Ze wenkt weer, ze roept weer, dus omhangen maar.
Want volgens ons Flientje
is 't mooiste plekje daar.

Ik mag Evelien de bekende HEMA-beker geven, met dit keer een TT‑groepsfoto erop. De trofee is verpakt in een doosje volgeplakt met jubileumteksten over een kwart eeuw Evelien in onze trektochtgroep.
JW, altijd goed voor een schitterende oorkonde, maar nu geen tijd gehad hebbende, schuift zijn zus discreet een klein geplastificeerd digitaal kunstwerkje toe, dat garantiebewijs moet zijn voor een in petto zijnde getuigschrift. En of dat al niet genoeg is geeft de uitbaatster, die stilletjes van achter de bar het tafereel gadesloeg, onze jubilerende nicht een grote bierpul mee. Bitte ein Bit! Laat deze geste voor Evelien een stimulans zijn het alcoholgebruik in de groep coulanter te benaderen.

Het is nu hoog tijd onze heenreis te vervolgen. Een verkeersopstopping in Trier slaat alles. Maar dan komen we ineens langs de Saar. JW gaat voorop rijden, omdat hij een ander startpunt in gedachte heeft. Dat wordt Fitte, een romantisch gehucht aan de westkant van de rivier, hoog gelegen boven Mertzig.
Enkele huizen en een kerkje dromen daar in de middagzon, rondom een pleintje. In het midden is een parkje met bankjes en een fontein met altijd stromend bronwater. Wij zetten de auto's op parkeerplekken en constateren dat dit een ideaal vertrekpunt is. Hoe bedenkt onze neef dat weer! Ieder pakt hier de rugzak definitief in en trekt de bergschoenen aan. Vluchten kan niet meer. Alle flessen vullen we met het bronwater voor de komende kampeernacht. We zijn er helemaal klaar voor! JW, die zijn GPS heeft ingesteld en samen met anderen bezorgd de hoogtelijnen op de stafkaart bestudeert, heeft medelijden met zijn 75-jarige oom en neemt mijn anderhalve literfles over.

Het is half vier. We starten met een klimmetje over een asfaltweg, om erin te komen. Dan rechtsaf een veld over. Er staan een paar verdwaalde appelbomen. Hadden we nu maar kaneel en suiker meegenomen! Want overal liggen kleine bleke appeltjes tussen het gras. Onze bergschoenen vermorzelen de vruchten genadeloos; ze spatten knirpend uiteen.
Als we even later de autobaan van Luxemburg naar het zuiden oversteken pakken zich donkere wolken samen. Even is er een buitje. Paraplu's op en jacks aan. Een wegwijzer vermeldt dat we Zum Scheidwald gaan. Vroeger zouden daar flauwe mopjes over zijn gemaakt. Het weer klaart ineens op en dat is maar goed ook. Want nu wacht ons een klim door de bossen in de richting van een mogelijke kampeerplek. We kijken verlangend op onze horloges. Het is al half zes! Waar vinden we op deze helling een mooie plek voor onze zeven tenten? We pauzeren hijgend op een kruispunt en de topografen raadplegen ernstig de kaart. Want op zo'n moment heb je even niets aan het GPS. Het gaat nu om hooggelegen loofbossen met ver uit elkaar gelegen hoogtelijnen: Dàt is het doel waarnaar wij aan het einde van een TT‑dag streven.

Om half zeven zijn wij op hoogte. Zoiets voel je meteen. We speuren rond. Wij lopen al in de schaduw. Maar een schraal namiddagzonnetje schijnt iets verderop nog uitnodigend tussen de donkere beuken. Stappend over omgevallen bomen en dode takken ontwaren we daar wat mooie plekjes. De tenten zijn snel opgezet. Ineens schuift een koude schemering door het bos. Schimmige gebogen gestalten lopen nu bukkend en rukkend, blakend en krakend dood hout te sprokkelen. Heerlijke en vertrouwde beelden en geluiden, die vooraf gaan aan de opwindende eerste geuren van brandende aanmaaktakjes. De vlammen van ons kampvuur laaien al gauw op tussen de donkere stammen. Branders, pannen, water en eten komen bij elkaar te liggen onder een dikke beukenboom. Klaar voor degenen die koken gaan. En dat alles zonder overleg en geregel. Hoe routineus zijn deze neven en nichten toch! En hoewel het thuisfront allang is weggezakt in ons bewustzijn, alsof we al dagen onderweg zijn, lichten hier en daar toch de schermpjes van mobiele telefoons op, om de huisgenoten te melden hoe goed we het nu hebben. Er is ook een Sms'je van Georgine uit Breda. Allemaal de groeten. Ik mis haar.

Terwijl Herman en Joyce een heerlijke macaroni-met-prut maken gaan de borrels rond. We zitten op grote boomstronken om het vuur, etend, drinkend en vrolijk en onbekommerd pratend, alsof dit niet weer een unieke uitzonderlijke belevenis is. Tot iemand in de verte twee dansende lichtjes ziet naderen, soms verdwijnend en dan weer verschijnend. Aleid, enkele jaren uit de gevarenzone van de TT‑nachten, verstijft van schrik. Wer sind das? Was wollen sie? We schermen direct het vuur af met onze zitmatjes en doven de hoofdlampen. Het is nu pikkedonker en doodstil. Gespannen wachten we af. Het is een spel dat iedereen al jaren meespeelt. De lichten lijken niet dichterbij te komen. De gesprekken worden hervat. We geloven het wel. Boswachters en jagers zijn eerder bang voor zo'n hele groep dan wij voor hen. En misschien zijn het wel straatlantaarns, op de andere helling.

De avond verloopt verder in een weldadige rust. Soms klinkt er de roep van een uil of kraakt er een tak. Deze week is er geen maan. Boven de bomen zien we duizenden sterren. Jan Willem zegt dat we morgen vroeg op moeten staan. Want hij wil bijtijds vertrekken. Ons wacht een zware dag met flinke afdalingen en klimpartijen. Hij voorspelt dat het wel tegen de twintig kilometer kan worden. Maar wat is vroeg? Niemand durft die vraag te stellen, laat staan te beantwoorden. Sommigen duiken bijtijds in de tent. Voor Aleid is dat heel zielig, want haar Frans komt pas morgenavond. She is alone, with the beating of her heart...
Een paar blijven bij het vuur tot het is uitgebrand. We horen ze niet meer naar hun slaapzak gaan. Een zachte wind waait door de bomen. Zo nu en dan valt er een takje op de tent.

Jan Willem sommeerde ons gisterenavond om vroeg op te staan. Ik meen tòch, dat hij "zeven uur" lispelde tussen twee pekeltjes door, maar het kunnen ook de whisky's van neef Paul zijn geweest.
Welnu. Vanaf zes uur lig ik al te hanewaken in mijn slaapzak. Maar het is overal nog doodstil. En - wat erger is - het is nog donker. Door de tijd van het jaar. Door een afwezige maan (maar die zou toch al weg zijn geweest). Maar ook door het dichte bladerdak boven ons. En wellicht door een zware bewolking. Zoiets vòel je, liggend in je tentje. Rond half zeven klinkt klokgelui uit het Saardal omhoog. De moederkerk blijft proberen haar dolende schapen te bereiken. Dan wordt het weer stil. Alleen de eenzame uil van gisteravond roept ons zo nu en dan toe, vanuit verschillende hoeken van het bos en op klagend hoge toon, alsof hij afscheid wil nemen van ons en van de nacht. Mijn romantische gevoelens slaan weer op hol.

Ik laat door beweging, gemompel en zacht geneurie aan mijn tentgenote Els merken dat ik wakker ben. Want ja... de plas dringt. Voorzichtig rits ik mij de slaapzak en vervolgens de tent uit. Nerveus gebonk van mijn bergschoenen-met-losse veters over de bosgrond in de richting van een dikke boom. Takken breken. Zacht klatert water in de ochtendvree. Als ik terugduik in de tent kan ons gesprek onbekommerd beginnen, zoals vele jaren gewoonte is. Het is kwart over zeven. Donker nog. En somber. Uit de andere tenten klinken gedempte stemmen, maar niemand maakt aanstalte om op te staan. Ik overweeg het wel, maar denk aan het ochtendritueel van het scheren. Daarvoor is het nog te schemerig. Smoesjes. Els meldt dat ze Evelien uit haar tent hoort komen. Voor mij is dat het signaal mij aan te kleden en de slaapspullen in de rugzak te doen. Je moet! Dat is de harde waarheid van elke TT‑morgen.

Half negen staat of zit iedereen rustig, soms peinzend te ontbijten, rond de nu uitgedoofde kampvuurplek. De lucht is wat opgeklaard. Het belooft een mooie dag te worden. Iedereen heeft zo te zien goed geslapen. Irene ontdekte verse sporen van wilde zwijnen dicht bij onze tenten. Hadden we vannacht bezoek? Niemand merkte wat. De beukenbomen zijn nog volop in het groen. De bladeren waarop we zo lekker gelegen hebben zijn van voorgaande jaren. Volgens de kaart zitten we in het Scheidwald, in een gedeelte dat Fittinerwald heet, op 323 meter hoogte. Een prachtig gebied, deze westkant van de Saar. Vandaag steken we over naar de oostelijke kant. Dat wordt dalen en klimmen. Tweemaal zelfs, zullen we straks merken.

Half tien staan we klaar, opgewekt pratend, de rugzak om, wachtend op de laatsten. Jolanda loopt nog beredderend rond. Goed, dat ze er weer bij is! De zon schijnt tussen de bomen door. Het is koud als we op pad gaan. Handschoenen aan of handen in de zak. En we zijn met z'n allen 's morgens nog één brok vitaliteit, vergeet dat niet! De route gaat over brede bospaden, met links en rechts menig Hochsitz, die bedenkelijke houten gluurhokjes voor autochtone jagers. Bij een hoge stapel stammen poseren we even voor een foto. Dan dalen we af naar de Saar in de wetenschap, dat we straks deze zelfde helling weer op moeten voor een mooi uitzichtpunt. De weg slingert door een naaldbos naar beneden.
Even passeren we een asfaltweg waar ergens een Salzmühle moet zijn. Bij een bushokje ligt een kartonnen verkiezingsplaat van het CDU met de tronie van Jürgen Schreier erop. Die beste Wahl. Ron krijgt die achterop zijn rugzak gebonden en loopt daarmee een tijdje voor joker. We duiken weer het bos in, naar later blijkt een verkeerde route, maar dat maakt niet veel uit. We moeten en zullen namelijk eerst diep beneden ons de rivier bereiken, alvorens we weer een steile klim mogen gaan maken naar het beroemd uitzichtpunt. Dat zien we van hieruit al in de verte hoog boven een scherpe bocht van de Saar liggen.

De afdaling lukt probleemloos. Wat later staan we aan de oever van de historische Saar, waarnaar dit hele gebied is genoemd. Er ligt een veerpontje aan de overzijde. Op beide oevers proberen hier en daar vissers hun zondag hoopvol door te komen. Een dikke spartelende zilverkleurige vis verdwijnt met een plons in een plastic emmertje. Maar wat belangrijker is: verderop zien we langs de weg een café-restaurant!
Het uithangbord vermeldt Bruch Zwickel met erboven Biergarten. Binnen zit het vol met Duitse toeristen, maar het zonnige terras langs de weg is nog maagdelijk. Bingo!! Rugzakken af, veters los, en bestellen maar! Kaffee, Chocolade mit Sahne, Apfelstrudel und so weiter. Lekker uitgezakt genieten. Daar gaat het om. Even is er discussie of we op deze rustige plek ons slotdiner kunnen hebben. Nog maar niets beslissen.
We blijven er een uur hangen, wat betekent dat we pas rond twaalf uur opstappen. Een paar honderd meter verderop begint een slingerpad steil omhoog. Eerst langs en over beekjes met bruggetjes en steile trappen en dan verder de helling op naar het beroemde uitzichtpunt de Cloeff. Die plek behoort "sicher zu den schönsten Aussichtspunkten der mitteleuropäische Waldgebirge", las ik ergens. Hier wemelt het van zondagtoeristen, bovenover aangevoerd met auto's en bussen. We hebben vandaag de Saar al een paar keer van vanaf de heuvels bewonderd, maar dit slaat alles. De rivier neemt hier een scherpe lus, de Saarschleife genoemd, waardoor het uitzicht schitterend is. Dat levert zeer vele foto's op, die we over een paar weken op de TT‑reünie niettemin gapend zullen bekijken. Want niets gaat boven de concrete werkelijkheid van het moment suprême. Er staat een comfortabele S-vormige tuinbank, die onmiddellijk door Els, Evelien en Peter wordt geconfisqueerd.

We scheuren ons los van deze toeristische toplocatie en spoeden ons verder. Want er moet nog geluncht worden, liefst op een hooggelegen, zonnig maar rustig plekje. Straks dalen we af naar Mettlach, dat is nog zo'n zes kilometer, en daarna aan de overkant van de Saar gaan we weer omhoog. Opschieten dus! Even later vinden we zo'n plek. Op een rotspunt, met opnieuw een weids panorama over dal en rivier. We zijn weliswaar over de helft van onze dagroute, maar we zitten nu ook al op de helft van de middag!
De brander raast onder een grote pan water, de broodplank op de knieën van Jolanda doet weer goede diensten en scheidt grote stapels belegd brood af. Er is meer dorst dan honger, zo lijkt het. Enkelen zijn inmiddels behoorlijk moe. We moeten er echt weer even inkomen.
Er komen vrolijke Duitse wandelaars langs, die ons overladen mit Grüszen und Scherzen over deze Holländische Picknick. Ik leun moe tegen mijn rugzak, maar knap op van een beker broccolisoep, meegenomen voor zwakke momenten. Een tweede rondje is kruidenthee. Ik bedenk dat het dalen mij zwaarder valt dan het klimmen. Maar ik ben niet de enige. Het zijn de knieën die dan beproefd worden.
Dat merken we als we na de late lunch ijlings verder gaan. Eerst wat kletterpartijen over smalle rotspaadjes, dan een sterk dalende bosweg, die met grote zigzaggen dalwaarts gaat.

Voor we het weten zijn we beneden bij de Saar, waar een boogbrug ons brengt naar het stadje Mettlach. Schokkend voor ons rugzakkers zijn hier de drommen toeristen, die slenteren door de smalle straatjes, volgeplempt met winkeltjes. Een aantal verkopen via de outletformule artikelen van de aardewerkfabrieken van Villeroy & Boch. Die is officieel in Luxemburg gevestigd, maar hier in het dal zijn er vijf grote fabrieken, die de hele omgeving overheersen. De botanicaserviezen van deze firma zijn te bewonderen bij tante Hermien en tante Georgine. Je voelt je tussen dat toeristenvolk een beetje als zigeuners en wordt ook zo bekeken. We glippen daarom weg, via een park langs de rivier. Paul inspecteert daar een eeuwenoud fabrieksgebouw van de firma, een voormalige abdij, waar achter vuile ramen de meest wonderlijke keramische apparatuur staat. Verderop imponeert de Alter Turm, een 7e eeuws overblijfsel van een klooster van de Heilige Ludwig.

Er is een parkeerplaats voor campers, waar zowaar een kraan is met drinkwater. We vullen alle flessen. Gelukkig worden de mijne door anderen overgenomen. Het is al half zes als we de pal achter Mettlach gelegen steile helling moeten gaan beklimmen. Want zonder klim geen kampeerplek. We volgen de Saar-Hunsruck-Steig, een lange-afstand Wanderweg, die hier met grote tijdrovende slingers omhoog gaat. Maar JW vindt een nogal steile afsnijding die ons sneller naar de bossen op de hoogvlakte zal brengen. Het is een verharde bosweg van rode gravel, die meer dan honderd meter recht de helling op gaat.
We buffelen zwijgend omhoog zonder te rusten. Voor mij is het een mooie ritmische training van voetstap, hartslag, ademhaling en gestaag zweten. Alleen zo is het voor een bejaarde uit te houden. Uitgeput bereiken we bovenop een weg, die min of meer vlak door een landbouwgebied gaat. Die voert ons naar een bosperceel, waar we zouden kunnen overnachten.

Het is inmiddels half zeven. Onze hooggestemde criteria voor dè ultieme kampeerplek zakken met de minuut. Als er tussen de bomen maar iets horizontaals is! Links van ons loopt de helling naar boven, en rechts is een soort bosrand. Want wij zien een verderop een merkwaardig bleke steengroeve achter de donkere stammen oplichten. Tussen de bomen zijn hier en daar wat horizontale plekjes. Zonder morren bouwt iedereen hier z'n tent op, zet etensspullen klaar en gaat hout sprokkelen. Ik zie Herman, onze vuurman, sjouwen met grote stenen, waarmee hij een mooie kampvuurplek creëert. Ondertussen zoeken we mobiel contact met Frans, die inmiddels hier ergens in de buurt moet zijn. Dat lukt. Hij bevindt zich in een nabijgelegen dorp en staat even daarna ineens voor onze neus. Nadat hij zijn spullen, onder andere eten voor de komende dag, heeft uitgeladen, verdwijnt hij weer een tijdje om zijn auto beneden in het dal te parkeren. De groep is nu compleet!
Even is er schrik als er verderop een groene jeep tergend langzaam over een bosweg omhoog rijdt. Een boswachter! We houden ons koest; het vuur is nog niet aan. Hij verdwijnt en keert niet terug.

Ron en Irene maken het eten klaar, geholpen door Peter en Els, die ondanks alle vermoeienissen weer vrolijk meedraait. Ik trek mij terug in de tent om dit logboek bij te werken. Ik ben redelijk uitgeteld en vraag mij af of dit niet mijn laatste tocht moet zijn. Inmiddels is Frans er weer. Ik hoor zijn enthousiaste stem schallen door het bos. Els brengt mij een borreltje en een stukje worst. Daar knap ik van op. Ik bel naar huis en kruip gerustgesteld uit de tent. Het is een koude avond, dus regenbroek over de knickerbocker, een beproefd recept om het lekker warm te houden.
Iedereen zit op de rand van een kleine kuil, waarin met zware keien een prachtige kampvuurplek is gemaakt. De oranjegele vlammen laaien hoog op en de familieleden hebben het goed met elkaar. Gezellig gekeuvel, de vermoeide benen behaaglijk gestrekt in de richting van het vuur. Frans heeft wijn meegebracht en heeft die zojuist bij het vuur op temperatuur gebracht. Warme rode wijn, het troost je bij de kou, die vanaf de donkere hellingen naar beneden sluipt.
Dan is de maaltijd klaar. Rijst met een gekruide prut, opgediend met groot stuk koude komkommer, heerlijk voor de dorst. Na het eten en de afwas wordt er een grote pan theewater opgezet. Ik vermeld dat, omdat de pan, eenmaal aan de kook, van de brander glijdt en omvalt. Wèg al dat kostbare vocht! We taxeren het resterende groepswater. Er is gelukkig nog genoeg voor een nieuwe poging en voor het ontbijt morgen.

Paul heeft een literfles - wat zeg ik? een ànderhalve literfles - whisky bij zich. We praten over de kwaliteit. Als je moe bent kikker je ervan op en het heeft geen merkbare invloed op je motoriek, wordt er gezegd. Het is altijd bevredigend tijdens het nippen aan de borrelbekertjes met hem even over ernstiger zaken te spreken. Zoals Krishnamurti, die wij beiden gelezen hebben en die ons op goede gronden opriep het verleden los te laten. Dat lukt niet, want al gauw doen er weer sterke verhalen over vroegere trektochten de ronde, gestimuleerd door de aanwezigheid van Jolanda, Frans en Aleid, die al een tijdje niet meegingen en bijgepraat moeten worden. Jan Willem meldt dat we volgens zijn GPS vandaag 18 km liepen. Ook de hoogteverschillen zijn geregistreerd, maar die ben ik vergeten, hoewel mijn knieën die wel gevoeld hebben. Als ik in optimale conditie tentwaarts ga, ligt Els er al lang en breed in. Ze is nog wakker en we praten wat. We horen niet meer wanneer de anderen hun slaapzak opzoeken.

Heel vroeg in de schemering luiden er weer klokken en klinkt de roep van een uil, nu mooier van klank. Even later komt er een paar honderd meter verderop beweging rond de steengroeve. Vrachtwagens rijden af en aan. Er wordt kennelijk niet geladen, maar gelost. Klaterende stenen lijken het. Geroep van mannen. Eigenlijk een rotplek hier, al zou je dat gisterenavond rond het kampvuur niet gezegd hebben. Ik werk liggend dit dagboekje bij en wacht af. Het is bijna acht uur en ik hoor nog niemand opstaan. Zelfs geen stemmen uit andere tenten. Naast mij een enkel mompelend woordje van Els, waarna ze weer indommelt, weggedoken in haar volumineuze slaapzak.

Ik heb er genoeg van en sta op. Rollen, opruimen, inpakken, aankleden en de tent uit. En daar is Evelien al in stilte bezig met water te koken. Ik ga toiletteren en voel me ineens niet in goede conditie, als ik over takken en stronken strompel naar een geschikte wasplek. De eerste twee dagen laten zich voelen in pijnlijke voeten en stramme knieën. Maar als een mens zich eenmaal letterlijk en figuurlijk heeft opgericht en verzadigd en verkwikt gereed is voor de dag, valt dat allemaal wel weer mee. Stoelgang, tanden poetsen, scheren, wassen en daarna een goed ontbijt doen wonderen. Ik doe zuinig met water. Je weet maar nooit of het restant nog nodig is.

Als ik terugkeer in de gelederen is iedereen al opgewekt met het ontbijt bezig. Tussen de bladeren liggen vier enorme broden en pakken zuurkool, gisteren door Frans aangevoerd. Ondertussen loopt deze neef met een zak vuilnis van gisterenavond naar de stortplaats. We horen dat een man hem aanspreekt. Die kijkt wantrouwend in de plastic zak TT‑afval, maar geeft daarna toestemming hem in een container te deponeren. Later komt de man naar ons kampje en vertelt in een mengelmoesje van Frans en Duits dat hier het gebroken serviesgoed van de vijf fabrieken van Villeroy & Boch wordt gestort.
Wat moet zo'n man van ons denken? Wonderlijke zwervers met wollen mutsen op, rugzakken tegen de bomen, tenten half opgebroken, staande rond een plank met stapels brood en een dampende pan. Joyce met een brede band om het hoofd en een doek om haar hals lijkt op een zigeunerin en Herman met zijn roodgeblokte wollen bloes op een Canadese houthakker. Dat zijn er nog maar twee van de dertien ongeregeld! Terwijl de man maar doorpraat verdelen we het door Frans meegebrachte eten over de rugzakken. Irene en Ron nemen edelmoedig wat spullen van Els en mij over, nu ze de maaltijd van gisterenavond kwijt zijn.

Het is kwart over tien als we opstappen. JW voorspelde een rustig dagje, vandaar dat trage op gang komen. We verwijderen ons opgelucht van de grafheuvels van Villeroy & Boch en vervolgen de tocht.
We slaan een brede bosweg in met een merkwaardig gebogen wegdek. Duitse degelijkheid voor afwatering. Rondom ons zijn hoge Douglassparren, waar het zonlicht doorheen speelt als door de ramen van een oude kathedraal. Dan is er een open veld en even later belanden we in een landschap van dalletjes en beekjes met hier en daar aangelegde visvijvers. De forellen houden zich kennelijk koest, want de meertjes liggen er doodstil te dromen. Als het pad om zo'n meertje draait zien we aan de overzijde de anderen weerspiegeld in de mysterieuze diepte van het roerloze water. Een romantische route door een zwijgende natuur. Een verademing vergeleken met die van gisteren. Onderweg rusten we even op een stapel stammen.
We naderen het dorpje Britten. Het ligt op een heuvel al van verre te schitteren in het helle licht van de herfstzon. Mooi moment voor Kaffee und Kuche! Maar ja: Montag ist Ruhetag. Dat weten we al jaren.

Toch vinden we na enig zoeken café "Am Park", een superclean geval, want bitte, die Hände waschen bij het betreden van het etablissement, zulks in verband met de Schweinegrippe, oftewel de Mexicaanse griep, die nu iedereen in de ban houdt. Het mondaine terras ligt op de zon. We strijken er neer, gewassen handen of niet, en laten ons twee keer bedienen, goedgunstig toegestaan door onze penningmeester Peter Pi. Een dorstige enkeling waagt zich zelfs aan een Weiszbier. De uitbater, een formeel mannetje in managerskostuum, vraagt beleefd naar ons reisdoel. En vooral of wij al weten waar de nacht door te brengen. Kennelijk hoopt de man op logies voor dertien personen.
Zoals meer gebeurt, verkwanselen we bij cafébezoek onze lunchtijd. Eerst dan maar weer een stukje lopen.

We passeren een door Nederlanders gedreven camping, die opzij van de oprijlaan een picknickweide heeft. "Nur für Wanderer". We halen er water voor de thee en genieten in het zonnetje van onze lunch, liggend en zittend in het sappige gras of even wegdommelend, geleund tegen je rugzak.
Als we opstappen en omhangen leunt Frans tegen het hek bij de ingang. Het bezwijkt onder het gewicht van deze Hellemans. Slechts met vereende krachten lukt het om de houten planken weer in hun voegen te drukken. We sjouwen verder, nadat we ons hebben voorzien van water voor de komende overnachting.
Al ligt er nog een dorpje, Bergen genaamd, tussen hier en de kampeerplek. Nu hoeven we daar geen water te halen en kunnen we er met een boog omheen lopen. Het blijft hier een schitterend gebied. We volgen enige tijd een beek. Dan verlaten we de route en klauteren we naar een hooggelegen beukenbos, waar we een perfect kampeerterreintje vinden.

Het is pas half vijf. In no time staan de tenten weer en is de kampvuurplaats aangelegd. Peter maakt daarvoor een waar kunstwerk van zwerfkeien. Per slot heeft deze neef daarvoor een gedegen technische opleiding gevolgd. En Herman bouwt het vuur takje voor takje op. Ook hij draagt als brandzakman een familietraditie in het vaandel. Even later lekken de vlammetjes omhoog. Aleid en Frans verzorgen vanavond de maaltijd. Het is aangrijpend deze twee familieleden samen te zien roeren in een tot de rand toe gevulde pan met smeuïge prut. Zuurkool met spekjes en stukken rookworst. Het is smullen geblazen!
Nu ik dit in mijn dagboek schrijf is het zeven uur in de avond en het is door het heldere weer nog redelijk licht. De groep zit gezellig kletsend om het vuur. Borreltjes en knabbeltjes gaan rond. JW neemt weer talloze foto's. Dat wordt nog een puzzel als hij de komende maanden Het Grote Digitale TT‑boek 2009 gaat samenstellen. Hij is des te enthousiaster nu Jolanda weer mee is. En zij op haar beurt laat hem maar zijn gang gaan. Want in vroeger tijden, legt zij mij uit, gingen er heel wat filmrolletjes door. Nu hoeft ze daar geen zorgen meer over te hebben. Haar deelname is met haar visuele handicap trouwens verbluffend. Zij stapt, soms tastend lopend, maar in gewoon tempo mee, ook over ingewikkelde voetpaden vol steenbrokken. Alleen bij de overstap over beekjes en omgevallen bomen heeft ze wat hulp nodig.

Paul vindt tussen de bladeren een donkere dikglazige handgemaakte beugelfles met authentiek opschrift in reliëf van een Saarlandse bierbrouwer, volgens hem uit de Eerste Wereldoorlog of daaromtrent. De vondst verdwijnt in zijn rugzak voor zijn huismuseum aan de Kribbestraat.
Ik ga bijtijds naar bed. Het is pas half tien. Mijn tentgenoot Els ligt er al in. In de loop van de nacht gaat het harder waaien. Er klinkt zo nu en dan gekraak boven ons. Je hoort dood hout op lagere takken vallen. Maar zij raken gelukkig onze tenten niet. Een zwaardere tak met scherpe punt zou dwars door het tentdoek slaan.
In de loop van de avond wordt het kouder. Hoe heerlijk is dan een warme slaapzak in een klein tentje! Ik lig niettemin een groot deel van de nacht tobberig te dromen. Zou het door iets in de zuurkool komen?

Weer klinkt er ook hier in de verte gelui van klokken. Meneer pastoor blijft het proberen. Het is nog koud in het bos. We ontbijten staande, de kleumende handen om de warme beker thee of koffie. Maar boven de bomen lokt een blauwe lucht. Wat hebben we mazzel met het weer dit jaar! Het belooft een mooi dagje te worden en iedereen is fit en opgewekt. Als we klaar staan voor vertrek deelt Frans Fisherman's Friend uit en zijn broer Herman pepermunt. En anderen nu en straks ongetwijfeld andere lekkernijen die het voordeel hebben, dat ze gram na gram het gewicht doen afnemen. Om tien uur zet de colonne zich in beweging.
Het is het begin van opnieuw een prachtige afwisselende route door donkere bossen, langs kabbelende beken, over heldergroene velden en door stille dorpjes. Hier en daar staan er weer van die S-vormige tuinbanken in het bos voor de verwende Duitse toeristen. Wij laten ons niet meer verleiden.
Ik kijk zo nu en dan mee op de kaart en zie dat we grote slingers door het landschap maken. Op een open veld maak ik van de groep de traditionele rij-foto, waarin men als domme ganzen achter elkaar moet lopen. Dat kan alleen als er een weids panorama is. En als iedereen deze onzin nog slikt...

We naderen nu het gebied rondom Losheim, een plaats met vele supermarkten, zo hebben JW en ik tevoren al op internet uitgezocht. We passeren een Kneipp-centrum, te bereiken via een aangegeven "Barfusz Massage Pfad". Kneipp... altijd gedacht dat het iets met masserend knijpen te maken had.
Het staat er ook: Kneippen für Ihre Gesundheit. Maar hier lezen we op een informatiebord, ten bewijze voorzien van oude foto's, dat er een Pfarrer Sebastian Kneipp is geweest, die leefde van 1821-1897.
Een Wasserdoktor, die in plaats van het Evangelie te verkondigen, zijn parochianen met voetbaden, koudwaterdouches, lichaamsbeweging, geneeskrachtige kruiden en massage tuchtigde. De man is met zijn gezonde Pruisische leefwijze net zo oud geworden als ik dit jaar ben (76) en dat maakt een mens bescheiden.

In de verte zien we tussen de bomen door een groot meer schitteren. Het is de plaatselijk wereldberoemde Losheimer Stausee. We volgen het meer over het lang en slingerend Vogel-Wasser-Pfad.
Tot we op een asfaltweg komen waar de ingang van een camping is. Een groot bord geeft aan dat in het restaurant aldaar goedkope Kaffee und Kuchen verkrijgbaar zijn. En dat het slechts 200 meter lopen is. Nooit doen eigenlijk. Maar we trappen er in en dan blijkt na 500 meter zoeken het restaurant gesloten te zijn. Teleurgesteld strompelen we terug, aangegaapt door corpulente stacaravanners.

Aan de kopse kant van de Stausee ontdekken we een splinternieuw restaurant, annex bistro, annex midgetgolfbaan, met een royaal terras met uitzicht op het meer. Eigenlijk òòk niets voor ons, maar we strijken er neer en - het is niet te geloven - we blijven er anderhalf uur zitten. In het zonnetje, dat wel! Dit keer zijn de remmen los. Er wordt fors Weiszbier gedronken. Daar knap je van op, maar het zakt ook in de benen. Ik zie dat mijn dochter Irene achter zo'n hoog smal glas goudgeel godendrank zit. En zij is niet de enige die daarvan geniet.
De reden van ons lange verblijf op dit toeristische terras is dat Evelien, Paul en Peter, na hun drankje, inkopen gaan doen in Losheim. Ze blijven lang weg. Daarom trekken we ons na twee rondjes terug op de helling achter het restaurant. Eindelijk zijn ze er weer, beladen met verse broodjes, beleg, vijf (!) kartonnen pakken rode wijn en de maaltijd voor vanavond. Die bestaat uit macaroni, een lading gerookte zalm, afgemaakt met peterselie en ik geloof kaas of room. Dit moet lekker worden!! "Vet is het medium," beweert Paul, die later op de avond met Aleid het eten kookt. Ron, Aleid en Jolanda maken, comfortabel gezeten op wéér zo'n Saarlandbank, onze lunch klaar. Verse broodjes, wat wil een mens nog meer?

Daarna gaan we snel verder, nu zwaarder beladen. We doen het onszelf aan. En dan moeten we ook nog voortdurend klimmen. We bereiken op het hoogtepunt het gehuchtje Scheiden, van waaruit je aan de ene kant een grandioos uitzicht hebt op de omgeving. Aan de andere kant lonken donkere bossen voor een passende kampeerplek. Want het einde van de dag nadert.
We hebben veel bij ons, maar nog geen water. Achter een kerkje is een begraafplaats, maar er staat maar één kruis en er is dus geen kraan. We lopen verder. Links van ons is een oud huisje, dat vrolijk versierd is met ballonnen. Boven de deur hangen letters:

H-A-P-P-Y  -  B-I-R-T-H-D-A-Y

Het blijkt het huis van Aloys, een achtjarig jongetje met donker krullend haar. Hij verschijnt ineens in de deuropening en roept ons toe: "Haben Sie doch keine Angst. Kommen Sie herein!" Hij begrijpt al gauw dat we drinkwater willen. En dat kan zijn glunderende vader ons bieden. Die zet meteen vier flessen bronwater voor ons op de drempel. Maar wij willen tot zijn verbazing "nur Leitungswasser". We moeten in ieder geval even binnenkomen. Het is een eenvoudig interieur van mensen met een bescheiden beurs. Moeder de vrouw blijft wat op de achtergrond, waardoor wij vermoeden dat het allochtonen zijn, met een ontwapenende drang om gastvrij te zijn. Als we met onze 26 flessen op de proppen komen gaat de man er meer van begrijpen. We maken wat foto's en ze lopen daarna een eindje met ons op. Bij het afscheid geven we das kleine Bübchen wat snoepjes. Hij bedankt ons netjes. Vader en zoon zwaaien ons hartelijk na, als we in de bosrand verdwijnen. In Scheiden beleef je nog eens wat!

Nu denkt de lezer dat we binnen een kwartier een fantastische kampeerplek vonden. Niets is minder waar. We volgen een langzaam stijgende bosweg, dat volgens JW ergens op een hoogvlakte moet uitkomen (en we zitten al zo hoog!) Daar moet aan de Saar-Hunsruck-Steig een mooi kampeerbos zijn. Maar volgens de kaart moeten we dan nog kilometers zigzaggen. Dus besluit onze voorman Jan Willem (bij nader inzien terecht) dat we ergens het pad moeten verlaten en steil omhoog klimmen dwars door een ongerept hellingbos, stappend over omgevallen bomen en dode takken. Maar we zijn het gewend!
Zo'n klimpartij door de bushbush is een beproeving aan het einde van een dag. Een paar keer kruisen we een pad. En ja hoor, eindelijk bereiken we zwetend en zuchtend maar voldaan het hoogste pad en zitten we weer op de route. We bevinden ons hier precies op de grens tussen Saarland en Rheinland-Pfalz. Historische grond dus. Hier zijn inderdaad onder oude beukenbomen genoeg kampeerplekken te vinden. En er zijn zelfs twee comfortabele banken! Een fantastische plek dus voor deze laatste TT‑nacht van dit jaar.

Nadat de tenten staan gaat iedereen weer aan de slag. Snel koken, hout sprokkelen en kampvuur maken. Luid klinken de krakende knallen van droge dikkere takken, die met de hefboommethode worden gebroken tussen de stammen van tweelingbomen, als genoemde lezer begrijpt wat ik bedoel. Ondertussen zijn Aleid, Jolanda en Paul met het eten bezig. Ik zie Paul met twee messen de zalm in minuscule stukjes snijden. Dat heeft-ie meer gedaan. Het eten is weer een succes: een romige macaroni met zalm en peterselie, een recept van een verbluffende en geraffineerde eenvoud. De kampvuurmakers hebben inmiddels rond de vuurplek zitbanken geconstrueerd van boomstronken. Het is donker als we in een grote kring rond het kampvuur gezeten van deze maaltijd genieten. Hoe vertrouwd is dit weer! We moeten in de loop van de jaren toch wel zeker zo'n 130 keer in deze familiekring rond een kampvuur hebben gezeten. Het dringt nauwelijks tot je door hoe bijzonder dit eigenlijk is.

Terwijl ik hierover op mijn driepootkrukje zit te mijmeren, voorbij de vermoeidheid van deze dag, de witte plastic zak met eigen eetspullen onder handbereik, terwijl de laatste elsjes uit mijn borrelflesje vloeien, terwijl ik daar op deze laatste avond niet meer naar taal, terwijl het droge beukenhout knappend in het vuur ligt te wachten op een spoedige executie, terwijl iedereen even afwachtend zwijgt, staat Jan Willem plechtig op. Hij vraagt het woord en kondigt na wat inleidende zinnen aan dat er één in ons midden is, die een dubbel jubileum te vieren heeft. Ik denk even aan Evelien, maar hij wendt zich tot mij.
Vijfenzeventig jaar oud èn de dertigste tocht. Dat is waar. JW bekent, dat hij dit pas onderweg had bedacht. En dat dit feit hem bracht tot enige verzen op een kerkelijke melodie, die de anderen wellicht niet kennen. Hooguit Evelien, die van alle religieuze markten thuis is. Vandaar dat deze broer en zus nu samen een lied ten gehore brengen op de wijs van Maarten Luthers gezang: Ein festen Burg ist unser Gott, gecomponeerd in 1533, treffend voor iemand uit 1933 op de 33e trektocht.
JW heft het lied aan en Evelien zingt het hooggestemd en zuiver mee:

Een vaste burcht is deze Das, een toevlucht voor de Reintjes.
Vaak is hij met hen in zijn sas, al zijn het soms ook zwijntjes.
Al dertig jaren lang, gewekt door ochtendzang, draagt hij zijn rusting met
meer pijn en minder pret, maar steeds veel praats en geintjes.

Als 's avonds bij het kampvuur hij zich wentelt op zijn kleedje,
zijn praatjes domineren zo, als altijd, ja, dat weet je.
Het wordt hem ook gegund. Wij vinden dat geen punt. Het hoort bij deze man
dat hij niet stoppen kan. Zelfs ook geen heel klein beetje.

Al meer dan dertig jaren lang brengt hij in hoger sferen
een groep van neven, nichten die dit alles kan waarderen.
Kom, luister naar dit lied dat de familie biedt en zingt uit volle borst,
zelfs daarbij tranen morst, en jubelt: "Loof deez' here!"

Een ijzersterke tekst! Ik krijg als aandenken twee prachtige vilten Losheimer eierwarmers en ben zeer geroerd en er zelfs een tijdje stil van. Want zo'n vers geeft te denken.

Na dit intermezzo duiken deze broer en zuster naar de werkvloer om af te wassen. Ze zijn ook altijd de klos!Ondertussen kabbelt het gesprek rond het vuur weer naar alle kanten. Er wordt gelachen en de stemming zit er helemaal in. Ik pak mijn dagboekje en noteer wat impressies. Ik weet hoe analoog aan vorige jaren alles is wat ik opschrijf. Als er één Frans gezegde van toepassing is, dan is het wel l'histoire se repète. Want het is een eindeloze reeks van vergelijkbare situaties. Misschien is dat ook de kracht van deze traditie. Dat we weten, steeds weten, waar we aan toe zijn. Weer of geen weer, zwaar of licht, grote groep of kleine groep. Als het maar familie is!
De rook draait rond. Ieder deinst bij tijd en wijle naar achteren met prikkende ogen. Dan merk je ineens dat het buiten de kampvuurcirkel koud is en zoek je gauw weer een plekje tussen je tochtgenoten.
Paul, die een tijdje zwijgend naast mij zit, loopt naar zijn tent en komt met een arretjescake terug, gewikkeld in een zaterdageditie van Trouw. Terwijl wij zacht slurpend van de kruidenthee van Evelien genieten, gaat de krant rond, met dikke plakken cake erop. Paul maakte die van een recept, dat hij via Zuid-Afrika kreeg.

Els verdwijnt naar onze tent. Een half uur later volg ik. Ze lijkt nog wakker, maar ineens stokt onze gedempte conversatie en hoor ik een zacht gesnurk naast mij. Ik probeer slaap te vatten. Verderop hoor ik de stemmen rond het kampvuur, soms klinkt er een lach op. Dan kraken er takken en ritselen er bladeren van anderen die hun tent opzoeken. Een enkeling blijft ongetwijfeld na om het absolute doven van de gloeiende kooltjes af te wachten. En dat is maar goed, want later in de nacht steekt er zo nu en dan de wind op. We staan op een hoog punt en bij harde wind zijn vallende takken niet denkbeeldig. Ik lette er niet op bij het plaatsen van de tent en wacht gespannen af. Maar al gauw daalt de rust weer over het bos en krijgen reeën, everzwijnen, vossen en wilde katten hun kans om ons van alle kanten te besluipen.
Terwijl ik tussen hazenslaapjes door mij omdraai in mijn slaapzak luister ik ademloos naar de geluiden van dit eenzame bos en voel mij gelukkig.

Als de schemering nog tussen de bomen hangt kruipen Els en ik al in de tent heen en weer om onze spullen in de rugzak te pakken. Ons handelen heeft de onrustige dynamiek van de laatste dag, maar het blijft routine. Aankleden, rollen van slaapzak en matje, kleren bijeen zoeken en - als het droog is - buiten alvast netjes op een plastic zeiltje leggen met de halfgevulde rugzak erachter tegen een boomstam. Steeds hetzelfde beeld door de jaren heen. Voor mij is het dan tijd om te toiletteren, al moet ik onder pressie van de koffiedrinkers (of nee, eerder van de theedrinkers) mijn beker met koffiepoeder alvast in de wachtstand zetten, zo dicht mogelijk bij de brander met de pan water. Kom je terug, dan wordt de beker geacht te zijn gevuld met heet water, als een onverlaat hem tenminste niet heeft omgetrapt.
Ik weet niet hoe de anderen dat doen (en òf ze het doen!), maar toilet maken doe ik al jaren met driekwart liter water. Ik zal niet in details treden, al moet ik wel zeggen dat de onderbeurt met slechts één schoon kopje water gaat. Tanden poetsen, scheren, uitspoelen van washandjes en handen en gezicht wassen gebeurt met de rest van het water. En als er dan nog (soms) een half kopje over is drink ik dat begerig op, leunend tegen de boom waar mijn scheerspiegeltje, dat ik al meer dan 60 jaar gebruik, nog aan een takje hangt.

Aldus gecoiffeerd loop ik vanuit de obscure bossages, mij met grote stappen over omgevallen bomen hijsend, terug naar onze kampeerplek. Soms is het even zoeken. Waar stonden we ook alweer? Mijn koffiebeker is inderdaad gevuld. Ron en Aleid zijn druk bezig brood te beleggen en keurig uit te stallen op de broodplanken. Die planken zijn dit jaar nieuw en gevernist, met vanouds een uienkant en een niet-uienkant. Uienlucht verdraagt zich inderdaad niet met de kostelijke hagelslag, die uitgestrooid wordt over het brood. Ik ben de enige die zit, op mijn lichtgewicht driepootje. De rest eet en drinkt vanmorgen staande. De twee banken dienen als buffet. Het is droog. Vroeg in de morgen was het helder, nu is er wat bewolking.
Rond tien uur - vaste prik - staan we klaar voor vertrek. Het afval wordt keurig door Ron aangestampt in een plastic zak die Irene ophoudt. Want al 33 jaar geldt het principe: laat je kampeerplek schoner achter dan je hem aantrof. Aan niets is dan ook te zien dat hier de afgelopen nacht dertien mensen in zeven tenten hebben gekampeerd en kampvuur gemaakt.

Heerlijk is steeds weer om lichamelijk uitgerust je rugzak om te hangen en op pad te gaan. Dat dat allemaal maar kàn! Het is aan anderen niet uit te leggen. We volgen de grensroute van de Saar-Hunsruck-Steig verder. Er liggen opzij van het pad wat grote stenen, met erop geschilderd de tekst:
Felsenweg höchster Punkt 585 m
Of dit ook het hoogste punt van de tocht was weet ik niet. Het pad duikt een beekdal in en op het laagste punt steken we een beekje over en klimmen aan de andere kant weer omhoog.

Ergens op deze helling lopen we langs enorme rotsblokken, met een uitkijkpunt over het dal. Dit zijn de beroemde Teufels Felsen. Er staat waarachtig weer zo'n Saarlandse S-vormige bank, dat wil zeggen: hij hangt dit keer, speciaal voor vermoeide toeristen met rugklachten. Ron en Els pakken deze kans om even schommelend te relaxen. We doen de rugzakken af en enkelen beklimmen als behendige apen de rotsblokken. Ik stel voor hier een groepsfoto te maken. We stellen ons ordentelijk op, links, rechts, voor, achter, onder, boven, leunend, zittend. Ik weet dat Evelien dit soort fotosessies vreselijk vindt. De rest schikt zich in het onvermijdelijke.
Wie neemt de foto? Frans staat al in een starthouding. Maar dan biedt een passerend echtpaar aan om de foto te nemen, zodat we er eindelijk eens allemaal op staan. De man blijkt professioneel fotograaf te zijn en maakt een paar mooie opnamen. Niemand durft daarna nog met zijn of haar eigen toestel op de proppen te komen. Dit moet dé ultieme foto van deze trektocht worden...

We dalen weer af naar een beek. Nu volgt een kronkelpad vol glibberige rotsblokken, boomstamtrapjes en dito kippenbruggetjes dat ons voert naar het Saarlanddorpje Waldhölzbach, onze laatste pleisterplaats vòòr het eindpunt Weiskirchen, vanwaar we vanmiddag de bus nemen in de richting van ons startpunt van zaterdag. Een pleisterplaats is volgens Van Dale een plaats, waar de reis wordt onderbroken om te rusten en voedsel tot zich te nemen. Met die gedachte vervuld marcheren we hoopvol het dorpje in.
De zon schijnt op de straatjes, de huisjes liggen er romantisch bij. Zelfs is er een boeddhistisch centrum waar gouden beelden ons kritisch peinzend aanstaren, de handen zegenend uitgestrekt. Maar nergens is een café of restaurant. Er zit niets anders op dan door te sjouwen. Het is inmiddels al over elven en - eerlijk gezegd - de uitgestrekte bossen lokken weer. Bebouwde kommen ontregelen het groepsproces. In bos en veld zijn we meer één met elkaar en met de natuur. Ook al lopen we soms compleet uitgewaaierd als pure solisten in gedachten verzonken vaak ver achter elkaar.

Rond lunchtijd worden we beloond. We lopen al een tijdje langs het hek van een enorm wildpark. Het blijkt een van de grootste Duitse wildparken te zijn, met vele soorten herten, lynxen en wilde katten. Ze noemen zoiets hier Wildfreigehege. In de verte zien we inderdaad tussen boomgroepen silhouetten van nieuwsgierig kijkende reeën. We passeren een schitterende picknickplaats met een lange houten tafel en ordentelijke banken om daaraan plaats te nemen. Eromheen zijn wat houtsculpturen van de categorie "simpele woodcraft". Mooie plek dus voor de laatste lunch van deze 33e trektocht.
De rugzakken gaan open om alle voedselrestanten onverbiddelijk boven tafel te krijgen. Het is nu ook hardkekstijd, hoewel er ook nog wat brood is. De boter- en de pindakaaspot gaan tot de bodem leeg. De aanwezige huisvrouwen verdelen het hartige beleg spaarzaam. Frans zie ik daarom, achterover leunend over zijn rugzak, heimelijk zijn persoonlijke voorraad worst aanspreken. Neef George ten voeten uit. Ik trakteer mijzelf op een Javaanse koffie: koffiepoeder, melkpoeder en suiker in een beker ijskoud water.

Een wegwijzer boven de picknicktafel geeft aan, dat het nog maar 5,5 km naar Weiskirchen is. Het moet dus lukken om aan het einde van de middag ergens in het Saardal een slotdiner te hebben. Aldus opgevrolijkt lopen we verder langs het wildhek. We passeren bij de ingang een paar bosarbeiders, met wie we aan de praat raken. Een paar mannen bekennen trots dat ze de door ons gevolgde Saar-Hunsruck-Steig eigenhandig hebben aangelegd en bewegwijzerd. Wij danken hen uitbundig. Want het was een prachtige route en de overvloed aan bordjes met de markante S erop heeft ons (lees: JW) aanzienlijk minder topografische kopzorgen gegeven. Het laatste stuk is nog een mooi stukje bosgebied grotendeels weer langs een beek. Als we Weiskirchen binnenlopen gaat er iets mis. De voorhoede bestormt enthousiast een hoger gelegen dorpsstraat en wacht daar tevergeefs op de rest, die o.l.v. Jan Willem het lager gelegen pad vervolgt naar het plein waar de bushalte is. De weg vragen en de mobiele telefoons lossen het probleem op en even later staan we allemaal bij het Gemeindehaus annex dorpscentrum op de streekbus te wachten, die ons naar Mertzig zal brengen.

Eigenlijk is dan al een beetje de TT‑ban verbroken, of is dat een persoonlijke impressie?
De tocht zit er namelijk op en we denken ineens aan de organisatie van de terugreis en de thuiskomst. We lopen wat rond. Ik bekijk met Jolanda de kerk tegenover de bushalte. Paul meldt dat die in de oorlog geheel is vernield en provisorisch weer is opgebouwd. Dat is te zien.
Als de bus voorrijdt, ontfermt Peter zich over chauffeur en kaartjes, terwijl wij de dertien rugzakken in het bagagedeel pleuren. De bus zet zich in beweging en rijdt schokkend en slingerend, gasgevend en afremmend kriskras door het Saarlandschap. Na een uur rijden we Mertzig binnen. We besluiten meteen om hier straks een eetgelegenheid te zoeken. Frans en Aleid stappen op de trein om hun auto in het verderop gelegen Mettlach te halen. Frans liet daar zondag zijn auto achter. De rest van de groep nestelt zich enige tijd op een hoekterras van een pleintje. Jan Willem, Paul en Ron lopen zonder rugzak naar het aan de andere kant van de rivier gelegen dorpje Fitten om de auto's op te halen bij ons startpunt van zaterdag.

De anderen wachten geduldig op hun terugkomst. Ondertussen dwaalt Peter door het rivierstadje om een restaurant te vinden waar we rond half zes kunnen eten. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig. Het lukt op de Kircheplatz, een restaurant tegenover de stadskerk. Als alle auto's verzameld zijn kunnen de rugzakken erin. Even later betreden we geheel onbelast en ontspannen het etablissement en scharen ons om een lange tafel, die al gedekt voor ons klaar staat. De gedienstige, goed zijn best doende jonge ober verklaart dat hij Alexander heet. Onze bestellingen vliegen hem om de oren, eerst de drankjes uiteraard. En daarna de menu's. Ondertussen bewonderen we enkele bij de WCtrap naar de kelder hangende zwart-witfoto's uit de oorlog. Amerikaanse soldaten in stoere jeeps met mitrailleur-op-affuit staan trots voor dit aan flarden geschoten restaurant, dat vòòr de oorlog een hotel was met een Joodse eigenaar. Overal stukjes geschiedenis voor wie er oog voor heeft. Binnen onze groep is dat vooral Paul, die geen ruïne, kerk of begraafplaats onbespied laat en voortdurend tussen bladeren en struiken snuffelt naar historische vondsten.

Hoezeer de fysieke en psychische behoeften aan het einde van deze tocht uiteenlopen blijkt uit de variatie in de menu's die we bestellen. Een bord vol salade met onbestemde heerlijkheden ertussen verborgen, vis met patatjes en fijn gesneden kool met verdwaalde tomaatjes, enorme Schnitzels met soepgroenten erop en dat alles bedekt met spiegeleieren, noem maar op. En er wordt opvallend veel Weiszbier en Rotwein gedronken. De stemming op dit slotmaal is dan ook mild en welwillend als onze voortreffelijke penningmeester Peter Pi aankondigt dat hij van ieder nog vijf en een halve euro wil hebben, waarmee alle kosten van deze tocht zijn verrekend. Dat is dus ongeveer 75 euro per persoon voor vijf volle dagen, inclusief reiskosten, voor-inkopen, maaltijden, cafébezoek onderweg en dit slotetentje.
Wij nemen na dit feestelijke en gezellige maal vervuld van dankbaarheid over de goede afloop hartelijk afscheid van elkaar in de wetenschap dat we elkaar gauw weer terug zullen zien. Een lange terugtocht wacht. De meesten zijn rond het middernachtelijk uur thuis.

oom Jan