TT‑verslag 2006-TT30
"HARZTOCHT"
Als je aan buitenstaanders zou moeten vertellen, dat dit al weer de dertigste familietrektocht is zouden ze het bijna niet geloven. Toch is dat zo. Mede dank zij een ijzeren formule: het is een meerdaagse voettocht in de herfst, in het buitenland op zaterdagmiddag te bereiken, lopen met rugzak, met alles d'rop en d'ran. Wildkamperen in kleine tentjes en liefst elke avond een kampvuur. En dit allemaal alleen bestemd voor de neven en de nichten van de Reintjesfamilie met hun partners en voor niemand anders. Mijzelf dan uitgezonderd.
Sommigen vinden dat een zekere pikorde van belang is. Dit op grond van het aantal jaren van deelneming. Neem nou de groep van dit jaar 2006. Die bestaat uit acht personen. Ik stel ze voor aan de hand van die pikorde:
allereerst Jan Willem, hij loopt voor de 30e keer mee;
dan oom Jan, hij scoorde 27 trektochten;
zijn dochter Georgine, is voor 't 24e jaar van de partij;
nicht Els, tekent voor de 23e keer;
en Evelien, doet het voor de 22e maal;
neef Albert, staat voor 15 TT's;
en tenslotte dit keer het enige echtpaar op de tocht:
Marion, maakt haar 11e trektocht mee
en haar man Aldert, sluit de rij met 8 trektochtjaren.
Sinds we met auto's naar het wandelgebied reizen, ontmoeten we elkaar meestal in een wegrestaurant aan de grens. Het is nu zaterdag, de 21e oktober en ons reisdoel is de Harz. Dat is voor de derde keer, want wij waren er ook vijf en tien jaar geleden.
Om half tien rijden we met twee auto's de parkeerplaats van Raststätte Bentheim op. Het eerste Duitse plaatsje over de grens. Even later zitten we gezellig keuvelend aan de koffie. Enkele topografisch onderlegde familieleden spreiden direct de stafkaarten van de Harz breed op de tafel uit. Zij zoeken een startpunt van onze tocht en dat wordt na veel vijven en zessen Darlingerode, aan de noordrand van de Harz. Dat is zo'n 400 km van hier.
Dan neemt nicht Els het woord. "Jan Willem!! Dit is onze dertigste trektocht en jij bent de enige die alle tochten hebt meegelopen. Jij bent daarom onze Gouden Eikel".
Dan tovert zij met schitterende oogjes een zijden eikenblad te voorschijn met daaraan hangend drie vergulde eikeltjes. Het is nu Jan Willems beurt om zich verguld te tonen. Hij zit tenminste te stralen met een big smile…
Dit is een mooi moment om ook mijn jubileumgeschenk voor deze trouwe neef in de hulde te betrekken. Al was het maar omdat ik dan van het gewicht af ben. Ik geef hem een doosje waarin een koffiebeker met zijn afbeelding erop. Op die afbeelding zit hij peinzend op zijn rugzak, met als toegevoegde tekst: "Hoe nu verder?".
Op de buitenkant van het doosje staat de pikorde van de totaal 32 deelnemers in die jaren en een overzicht van de reisdoelen in de loop van de dertig jaar. Acht maal gingen we naar Luxemburg, twee keer naar België en maar liefst twintig maal naar Duitsland.
Pas om kwart over tien bestijgen we onze auto's weer en spoeden we ons via de Duitse A1 richting Hannover. Evelien zet er meteen de sokken in en verdwijnt uit het zicht. Jan Willem volgt met het busje. We rijden via Hannover en Braunschweig en benaderen de Harz aan de noordoostelijke flank. Het is prachtig weer deze eerste dag. De zon werpt haar stralen over de laagvlakte aan de voet van de Harz, die met haar donkere heuvels een geheimzinnig decor biedt. Daarvóór liggen vriendelijke dorpjes verscholen tussen goudgele herfstbladeren. Rode appeltjes hangen veelbelovend aan oude fruitbomen.
We rijden op de afgesproken tijd half drie het romantische Darlingerode binnen. Het is een stil en vriendelijk dorpje met een ratjetoe aan huisjes met bloembakken en vakwerkboerderijen, bedekt met kleurige klimop.
We zetten de twee auto's op een parkeerplaatsje achter een huis, tussen struiken met weelderige rode bessen. Het is nu tijd voor laatste handelingen aan de rugzak en een slokje water. Want een gezellig café is in geen velden of wegen te bekennen. Tien jaar geleden hebben we in dit dorp onze trektocht beëindigd. Jan Willem kondigt aan dat we zullen proberen vannacht weer op dezelfde plek te gaan kamperen als we toen op de laatste nacht deden.
Om tien over drie gaan we eindelijk op pad. Binnen vijf minuten zitten we in het bos, waar een weg geleidelijk omhoog stijgt richting Plessenburg, een Waldgasthaus. De gedachte aan dit gasthaus met de herinnering aan tien jaar geleden geeft ons even vleugels.
Toch is deze inspanning ook weer even wennen. Na drie kwartier pauzeren we, staande met rode koppen en natte ruggen. Maar het is al vier uur, dus verder gaat het weer. Een half uur later komen we bij Waldgasthaus Plessenburg aan. We pleuren onze rugzakken tegen een picknickbank, alsof er in die jaren niets is veranderd, en nemen pontificaal plaats rond een grote houten tafel.
Omdat we straks willen gaan kamperen in het oude sparrenbos achter de heuvel voorbij dit etablissement hebben we nu goodwill èn drinkwater nodig. Dus is het zaak ons bij de beheerder in te likken. Dat lukt met alle charmes die we beschikbaar hebben. Bij navraag blijkt dat de dochter van de toenmalige beheerster van tien jaar geleden nu de scepter zwaait in de keuken.
We bestellen bier, thee, Kaffee und Kuchen, terwijl de vrouwen uit onze groep op de dochter inpraten over the early days. En ja hoor, het werkt. De vrouw waarschuwt ons dat het water uit de WC's kein Trinkwasser ist. Dus zorgt zij ervoor dat onze talrijke flessen en waterzakken worden gevuld met bronwater uit die Quelle, waarvan het tappunt zich achter in de keuken bevindt. Ondertussen moeten we dus wel bekennen, dat we heute Nacht im Wald schlafen. De mensen geven geen kik, dus hopen we dat het geen problemen geeft.
Met de talloze liters water als extra last klimmen we de beboste heuvel van de Plessenburg op, om daarachter, en uit het zicht en het gehoor van caféhouders, jagers en andere enge mensen, onder de hoge sparren onze kampeerplek van tien jaren geleden te vinden.
Het waait stevig als we de tenten opzetten en het eten en het kampvuur gereed maken.
Els verrast iedereen met haar nieuwe nylon driepersoons tent, waarin zij met Evelien en Georgine gaat bivakkeren. De afschuwelijke feloranje banen heeft zij met een groene viltstift bewerkt, waardoor de tent een geraffineerde camouflageaanblik heeft gekregen.
Rukwinden razen nu door de boomtoppen. Overal liggen kurkdroge takken. Voor Albert en de zijnen een makkie om een mooi kampvuur te maken, binnen een cirkel van grote keien en dikke boomstammen. Het laait direct hoog op. De stokers temperen geroutineerd de vlammen en hebben het vuur al gauw onder controle.
Rond half zeven is het eten klaar, een eenvoudig doch voedzaam maal, bereid door Marion en Aldert, terwijl de anderen relaxed hun borreltje drinken.
Het is inmiddels donker. De neven en nichten begeven zich naar hun in het duister gehulde tenten en komen, struikelend en stappend over takken en stronken, terug met borden, bekers en bestek. Wij scharen ons eendrachtig om het vuur, zoals dat al dertig jaar de gewoonte is.
Grote flotsen boerenkool met worst gaan rond, waarna een kuipje roomboter circuleert voor de smeuïgheid. Tenslotte krijgen we in het licht der vlammen een mandarijn toegeworpen, met het verhaal dat vuile handen, harsvlekken en andere ongerechtigheden verdwijnen als sneeuw voor de zon, als je deze bewerkt met de oranje schil.
Aan het vuur is er nu tijd voor familieherinneringen. Bijvoorbeeld over de Van Leeuwenhoeklaan waar stapels stripboeken lagen en waar dag in dag uit zweetsokken met poeder werden bewerkt met als gevolg jarenlang voetpoeder als cadeautje met Sinterklaas. Ook doen talloze verhalen over onze kinderen de ronde.
Intussen blijft het droog. Geen mistige sluier, die opklimt tegen de hellingen en ons in haar vochtige greep krijgt. Deze prachtige avond kunnen we bijschrijven in de annalen van de TT.
Het vuur is nu warm en laag door een grote hoeveelheid gloeiende kooltjes. De vaat wordt afgewassen en de afwassers leggen de schone spullen netjes op een plastic zeiltje. Iemand zet water op voor de thee. Wij praten over onze trektochtnicht Anita, die deze dagen op het punt staat te bevallen, met neef Paul en Inez enige echte Reintjesen aan haar zijde. Wij zijn in gedachten bij haar en filosoferen over een aan te bevelen naam. Zo kabbelen tot laat in de avond de gesprekken voort. Borreltjes en blokjes kaas gaan rond. Hoe later het wordt, hoe ernstiger de toonzetting. We spreken over de vele opvoedingsproblemen in deze turbulente samenleving. Met als geruststellende conclusie dat een mens niet àlle lasten des levens kan dragen.
Rond half elf zoekt iedereen de tent op. De wind waait nog steeds door de toppen van de bomen en vervilt mij met romantische gevoelens. Midden in de nacht regent het wat. Takjes vallen op het tentdak. Als kampeerder weet je van het heerlijk sluimeren in je donzen slaapzak en tegelijk het wakend luisteren naar de geluiden in de natuur om je heen. Enkelen onder ons hebben benauwde dromen, wat de volgende dag toegeschreven wordt aan chemicaliën, die mogelijk aan de boerenkool zijn toegevoegd.
Om half acht sta ik op. Het waait nog steeds en het is schemerig, hoewel ik over de heuvel heen tussen de donkere boomstammen een oranje zon zie opkomen. De lucht is helder. Het kàn een prachtige dag worden. Ik ga toiletteren en verdwijn in het jonge sparrenbos lager op de helling.
Als ik terugkom in ons kampje is iedereen aan het redderen rond de tenten. Marion zet zich meteen aan het broodsmeren. Maar dat raadt iedereen haar af, want er zijn nog heel wat belegde boterhammen in de groep. We ontbijten, gezeten op de boomstammen rond de kampvuurplek van gisterenavond.
Dan blijkt dat achter de stenen die gisteren rond de kampvuurplaats zijn gelegd de droge humuslaag aan het smeulen is. Kortom: een mogelijk begin van een veenbrand!
Albert en JW gaan direct aan de slag om met stokken de smeulende humus te verwijderen. Zij halen in een wasbakje vele malen bruin moeraswater uit een beekje verderop om de zaak te blussen. Want de kooltjes in het midden blijven door de rukwinden hier en daar oplichten. Nu gaan ook de dames zich met het spit- en bluswerk bemoeien. Volgens Els lijkt de grond hier uit pure turf te bestaan. Zij is als een ware veenarbeider bezig.
Aan alles komt een eind, dus ook aan dit kampje op de heuvel achter de Plessenberg.
We denken dat we hoog zitten, zo'n 550 meter volgens de kaart. Maar als we rond tien uur de rugzakken omhangen en op pad gaan, blijkt het dat we toch nog weer wat moeten klimmen. We genieten van mooie uitzichten, zelfs over de heuvels heen tot aan het vlakke land ten noorden van de Harz.
Door de koude wind houden de meesten hun trui of fleecejack aan, wat weer verhitte en zwetende lijven tot gevolg heeft. Op een zessprong staat een hutje, aanleiding om even te pauzeren. Er ligt een stempel met het opschrift Harzer Wandelnadel Molkenhausstern. Ik zet een afdruk in mijn logboekje, zoals we dat vroeger ook in de Alpenhutten deden.
In de verte horen we de stoomlocomotief die naar de Brocken rijdt en daar op deze mooie zondagmorgen ongetwijfeld tientallen toeristen uitlaat.
Het is een prachtige route over op en neergaande boswegen. Na opnieuw een korte pauze bij een daartoe uitnodigend bankje langs de weg, klimmen we gedwee achter de kaartlezers aan over een steil oplopend rotspad, over bomen en takken stappend, naar een plateau, vanwaar we weer geleidelijk afdalen naar een toeristische bosweg. Daar komen we lopende of mountainbikende Duitsers tegen, onderweg naar de Brocken. Zij slaan ons zwaarbepakte rugzakkers met enige verwondering gade.
We vinden een plekje voor de lunch, langs de weg. Het is nu kwart voor één en inmiddels bewolkt. Beneden ons in het dal ligt Schierke. Ook daar zijn we al eens eerder geweest.
Tegenover onze picknickplaats staat een degelijke Oost-Duitse wegwijzer, die aangeeft dat we ons op de Glashütterweg bevinden, die inderdaad leidt naar de Brocken, de hoogste berg van de Harz met een hoogte van 1140 meter. Volgens de kaart, die ik hier bij Gods gratie even mag inzien, kronkelt de beneden ons liggende spoorlijn naar de Brocken omhoog, hellingen en dalen volgend.
Georgine en Els maken grote stapels brood klaar. Jan Willem zet het restant water op voor koffie en soepjes. Omdat het hier Nationalpark is, waar je absoluut niet mag kampieren und Feuer machen moeten we straks in het dal zowel door Schierke als het daarop aansluitende dorp Elend lopen, om pas in het berggebied dààrachter een kampeerplek te zoeken.
Ik bel met mijn mobiel naar huis. Tante Georgine vertelt mij het vreugdevolle nieuws, dat gisterenavond om 9 uur Olivier Casper Reintjes is geboren. Anita wilde thuis bevallen, maar moest toch naar het ziekenhuis. Alles is nu goed. Vreugde en trots over deze jonge Reintjestelg golft door de groep.
Door dit familiebericht gesterkt dalen wij na de lunch af naar Schierke, met het vaste voornemen op de gezondheid van deze jonge neef en zijn gezin te gaan drinken. Het is een stenig pad dat slingert tussen hoge sparren. Grote keien liggen op de helling verspreid. Zij zijn typerend voor dit gedeelte van de Harz.
Het plaatsje Schierke verwelkomt ons in vrolijke herfstkleuren en vakwerkhuisjes, en met veel Duitse toeristen die door de dorpsstraatjes lanterfanten. We tappen alvast water op de begraafplaats, zodat we ons daarover straks geen zorgen meer hoeven te maken.
Zoals afgesproken stoten we direct door naar het volgende plaatsje, dat de deprimerende naam Elend draagt. We lopen over een pad langs de rivier, steken het enkelspoor van de Harzer Dampfzug over en bereiken bezweet en dorstig hotel-restaurant Waldmühle, waar we in no time onze rugzakken tegen de buitengevel kwakken, een vertrouwd trektochtbeeld.
Eenmaal binnen laten we Pauliner Bier, frisdrankjes en koffie aanrukken om allereerst te toosten op de jonggeborene en zijn moeder en in hen op Paul, naar wie dit bier ongetwijfeld genoemd is. En natuurlijk op Inez.
Vervolgens is er een dankbaar getik met lepeltjes tegen de schotels gebak, als hulde aan tante Bep, die deze delicatessen rijkelijk heeft gesubsidieerd. Dank, dank, dank!
Het is hier dat we een grote ansichtkaart voor de jonggeborene ontwerpen met onze handtekeningen erop en het volgende gedichtje erbij:
Olivier Casper, vlak onder de Brocken
horen wij overal luidende klokken:
JIJ BENT GEBOREN !! en wij lachen fijntjes,
wij zijn het niet, maar jij bent een Reintjes.
Marion en Aldert klimmen hierna, aldus gekomen in een opperbeste stemming, aan de overzijde van de weg op een zich daar bevindende stenen leeuw. Het heeft iets symbolisch.
De dag loopt op z'n eind en wij verlaten na dit inspirerende oponthoud, het plaatsje Elend en begeven ons over een steeds drassiger wordend bospad in een wat mistig dal achter het dorp. Het loopt over een helling en wij zijn op zoek naar een plek om te kamperen. Dat valt enorm tegen.
Het is met recht een Elendig bosgebied. Rommelig, moerassig, sponzige mossen, druipende bomen, modderige grond, omgewoeld door wilde zwijnen.
We blijven echter stug volhouden met zoeken. We passeren enkele altijd wat bedreigende jagershutjes, lopen wat nerveus heen en terug, zenden verspieders uit en eindelijk vinden we ergens wat zompige plekjes tussen de bomen voor onze tenten. En waarachtig ook nog een kuilachtige plek voor ons kampvuur. Wie ons hier kan zien moet van goede huize zijn!
De duisternis valt nu snel, de koplampen gaan aan en de tenten staan vlot. Evelien slaat direct aan het koken: macaroni met tonijnsaus. Mmmm! Alle reden voor mij om met haar en de andere dames een borreltje te drinken, terwijl onze stoere mannen Albert, Aldert en Jan Willem hout zoeken en een vuur maken. Even later zitten we er gezellig omheen en zijn alle zorgen en bezwaren over deze unheimische plek als sneeuw voor de zon verdwenen.
De maaltijd vervult daarin een belangrijke rol. De macaroni blijkt voorzien van stukjes venkel en kappertjes en ook gaan er grote stukken komkommer rond. Lekker!
We blijven nog een paar uur rond het vuur zitten. Ik leun achterover en zie een prachtige sterrenhemel hoog boven de toppen van de sparren. Van romantische gevoelens kan echter geen sprake zijn, want onder ons is de klamme grond voelbaar, waar een legioen kleine naaktslakken hun werk proberen te doen, vooral in broekspijpen en schoenen.
We praten niettemin over de toekomst van de familiekampen en keuvelen over andere onderwerpen. We voelen ons tevreden. Zo'n matige kampeerplek als wij nu hebben nemen we dan maar voor lief. Jan Willem zegt: "Ach, het doet er allemaal niet meer toe als het donker is". En dat is een waar woord…
Georgine gaat als eerste naar bed. Ze slaapt binnen vijf minuten als een blok. Els en Evelien proberen haar al pratend in het land der wakkeren te houden, maar dat mag niet meer baten.
In het bos is het nu doodstil. Zelfs een wild zwijn laat zich niet meer horen.
Het heeft een groot deel van de nacht geregend. Als we rond 8 uur onze tenten uitkruipen is het of we in een regenwoud vertoeven. Overal kruipen bloedzuigers, naaktslakken, spinnen en pissebedden over de vochtige bosgrond. Dus is een grote oplettendheid bij het aankleden en de inspectie van lijf en leden geboden.
Mijn neef Jan Willem zit bij het opstaan voorovergebogen in de tent. Hij heeft erge hoofdpijn en neigt tot overgeven. Bij het ontbijt staart hij zwijgend en sombertjes voor zich uit, als een ziek vogeltje.
Voor Marion en Aldert daarentegen heerst vreugde, want hun dochter Judith is vandaag jarig. Ook Els is in een vrolijke stemming. Haar lach klatert herhaaldelijk op uit de camouflagetent van de meiden. Het bos is intussen weinig opwekkend.
We zetten ons tussen de donkere natte sparren aan het ontbijt. De broodvoorraad begint aardig op te raken. Ook is er weinig water. Dat komt omdat de waterzak, die aan de bovenkant lekt, gisterenavond in het donker is omgevallen en leeg is gelopen. Vijf liter kostbaar water naar de Filistijnen!
Jan Willem meldt dat hij zich als een oude olifant in het woud zou willen terugtrekken om staande te sterven. Een groots gebaar voor deze zieke man, dat we hem echter ten stelligste afraden. Maar het bewijst dat zijn humor al weer wat aan het terugkeren is. Evelien en Aldert nemen het kaartlezen van Jan Willem over, zodat hij al voortsukkelend achter in de groep wat kan uitzieken. Nadat we in de mobiele telefoon van Aldert de nu 19-jarige jarige Judith uitbundig hebben toegezongen, hangen we de rugzakken om en gaan op pad.
We banjeren, zo'n beetje op ons kompas lopend, dwars door dit onvergetelijke regenwoud naar een verharde weg verderop. Nu volgt ineens een mooie route door schitterende bospartijen, klimmend en dalend.
Dan slaan we kleine paadjes in, passeren glibberige bruggetjes, stappen over takken en bomen die over bospaden liggen en na enige tijd bereiken we een open stuk met enorme grasvelden. We zitten in Oost-Duitsland en onmiddellijk denk je hier aan sportmanifestaties uit de communistische tijd.
In een klein driehoekig hutje aan de rand van het veld pauzeren we een tijdje.
Jan Willem is al wat opgeknapt. Hij fotografeert, eet een stukje appel en krijgt al weer wat praatjes.
We kwamen gisteren uit Elend en we bewegen ons nu richting Sorge, een onheilspellende combinatie. We fotograferen dan ook een wegwijzer, waarop beide namen staan. In de verte horen we zo nu en dan de stoomfluit van de Harzer spoortrein, maar we zien hem nog steeds niet. Op een bepaald moment volgen we zelfs de spoorlijn, die met grote slingers door het bergland loopt.
Straks moeten we ergens in een dorp inkopen doen, maar eerst zoeken we een plekje om te lunchen. Dat doen we in de buurt van de voormalige grens tussen Oost- en West-Duitsland, in de grasberm, genietend van het zonnetje.
Die grens wordt ineens barre werkelijkheid als we even later op de grensweg, terecht komen. Het is een stijgende en dalende bosweg, volgeplempt met betonnen platen. Hierover reden vroeger de Oost-Duitse grenspatrouilles met hun machinegeweren gemonteerd op hun terreinwagen. We volgen deze weg vele kilometers aan de Oost-Duitse kant.
Boven op een heuvel bevindt zich het restant van een enorm hek, door Churchill het IJzeren Gordijn genoemd. Er staat een wachttoren, een hoog wit geval met een bewakersruimte achter glas en een plat dak met een hekje erom voor een geschutsopstelling. Op de muur van toren is een paneel bevestigd met een verhaal over de geschiedenis van deze plek. Heel indrukwekkend... Iets verderop is een meer eigentijds monument in de vorm van omgehakte bomen in een kring, met picknickbanken voor de toeristen. Blijkens een bordje heet dit de Ring der Erinnerung. Iets minder imposant, omdat het nogal gekunsteld is.
De grensweg waar we over lopen gaat nu een dal in, een kaarsrechte betonweg die naar beneden duikt en zich na het diepste punt weer omhoog verheft. Ik kan het niet anders beschrijven. Op het diepste punt zijn twee werklieden bezig, waarvan één op een heftruck. Zij stapelen enorme veldkeien op, voor de zijkanten van een brug over een beek. We bekijken het tafereeltje vol bewondering.
Dan zitten we ineens in Hohegeisz, een wit Harzdorpje dat indertijd nog nèt in West Duitsland lag. Het is volgens de kaartlezers op deze trektocht ons enig West-Duits routedeel. Voor de rest gaat de tocht door het voormalige Oost Duitsland.
Hohegeisz is een dorpje met veel houten huizen, vaak nog in het begin van de vorige eeuw gebouwd, en misschien nòg ouder. Vanuit de dorpsstraat is er een prachtig uitzicht op de kleurige herfstbossen aan de andere kant van het dal tegenover het dorp. Langs de weg staan grote goudgele kastanjebomen te pronken. Een idylle, waarvoor we weinig oog hebben, want we schuiven onmiddellijk het nogal ouderwetse café Wedler in.
De rugzakken kwakken we buiten tegen de pui, we doen een plasje, wassen de handen en schuiven dan genoeglijk aan de dikhouten tafels, bedekt met groen tafellinnen, waarop weer witkatoenen kleedjes met kantwerk uit de vijftiger jaren. Het kàn niet op!
We trekken meteen alle registers open. De waardin draagt grote pullen Weiszbier aan en Hausgemachte Torte, waar Hohegeis zo beroemd om geworden is. En Marion en Aldert nemen allebei Ein Windbeutel mit Kirschen und Eis, een gigantisch stuk gebak, zogenaamd ter ere van hun jarige dochter Judith.
Georgine, Els, Albert en oom Jan zitten stralend achter een glas bier, terwijl de nog wat zieke Jan Willem met een glaasje appelsap peinzend aan de hoek van de tafel zit, naast zijn zus Evelien, die helemaal opgaat in de Hausgemachte Torte.
Het is ook tijd om inkopen te doen. Els, Georgine en ik begeven ons plichtsgetrouw naar een elders in de straat gelegen supermarkt. We slaan voor twee warme maaltijden in, want we weten niet wat ons morgen te wachten staat. En, op aandringen van Els, òòk nog wat "reservedrank". Het blijkt bij elkaar een enorme hoeveelheid gewicht, dat met veel opofferingsgezindheid wordt verdeeld over alle rugzakken.
We gaan pas om half zes weer verder, nadat de kaartlezers ons verzekerd hebben dat we al na een paar kilometer buiten het dorp een kampeerplekje zullen vinden.
Het blijkt een hele klim vanuit Hohegeis en al gauw zijn we alweer helemaal opgenomen in loodzware sfeer van de Oost-Duitse bossen. Steile hellingen opzij van de bosweg beloven weinig goeds voor een zoekende kampeerder en op de vlakke stukken hogerop is de begroeiing te dicht om tenten te plaatsen. Wat nu?
Op een viersprong bij een blokhut ontdoen we de rugzakken even van onze bezwete lijven, een gevoel van heerlijke opluchting, waarna we enkele verspieders uitzenden om de omgeving te verkennen. Het schemert al als Evelien terugkomt met het bericht dat er verderop een horizontaal stuk bospad is, waarop we onze tenten deze nacht kwijt kunnen. De anderen verspieders hebben niets geschikts gevonden.
Het is bewolkt, er vallen al wat spatjes regen, dus spoeden we ons naar Eveliens pad en zetten snel de tenten op. Vòòr de tunneltent van JW spannen we de tarp, een nylon zeil dat de etenklaarmakers een droog onderkomen geeft. Dat zijn Georgine en Els en zij maken puree met roomspinazie (ja! ja!) en stukjes reeds gebraden frikandellen er doorheen, met een onvermijdelijk mandarijntje toe. Allemaal vandaag in het dorp gekocht.
Ondertussen maken Albert en Aldert het kampvuur klaar. De anderen rusten in hun tent. De borreltjes gaan rond en wij genieten intens van dit moment van welbevinden.
Als we gaan eten is het gelukkig droog. De wind is gaan liggen, het kampvuur knappert en liert dat het een lieve lust is, en we hebben het weer goed met elkaar. Hoe simpel is onze trektochtformule toch, dat we primitieve omstandigheden als deze met enige improvisatie beleven als een onvergetelijk hoogtepunt!
Zo gaan we dankbaar de nacht in, gelegen op de karrensporen van dat eenzame bospad, hoog in de Harz. Ieder hoopt in stilte dat er in de morgenschemering geen tractor met bosarbeiders over onze slecht zichtbare tenten zal daveren. Sommige dingen moet een mens overgeven…
Het wordt een nachtelijke traditie op deze trektocht, want ook nu heeft het grotendeels geregend. Ik droomde dat er water van een bergpad naar beneden stroomde. Dat hoeven wij hier niet te duchten, want we staan op een hoog punt en ook nog eens op een helling. Opzij van mij loopt die helling steil naar beneden, eerst langs een open stuk met hoge grassen en moerasplanten en daarna overlopend in een donker dennenbos. Ik lig in de tent van Jan Willem op de rand van een karrenspoor en glij gedurende de slaap steeds naar de zijkant van de tent, zodat ik een groot deel van de nacht besteedde aan corrigerend schuiven in de richting van een zacht ronkende Albert, die in de tent een wat hogere middenpositie inneemt, omdat hij tussen de karrensporen ligt.
Het is droog en zelfs een beetje zonnig, dus gaan we na het opstaan en toiletteren al gauw ontspannen en welverdiend ontbijten. Dit keer is er veel water in de groep, zodat er royaal gedronken kan worden. We zitten in een kring rond de dampende pannen theewater, waaraan met enige moeite voor de liefhebbers het koffiewater ontknepen moet worden, een eeuwigdurend trektochtprobleem.
Ineens gaat het wat betrekken. Wolken jagen dreigend boven de donkere bossen van de Harz, al zien we zo nu en dan ook wat blauwe lucht. Dan is het zaak zo snel mogelijk op te breken. Het opruimen en inpakken voltrekt zich volgens een dertig jaar oud ritueel, dat hierop neerkomt dat ieder zorgt voor zijn eigen spullen.
Tenslotte staan er acht rugzakken keurig ingepakt op het bospad en is er aan niets meer te zien dat hier gekampeerd is. Behalve dan de kampvuurplek. Die camoufleren we dus wat met takjes, bladeren en modder.
Dit lijkt een goed moment om even een groepsfoto te maken. Dankzij een klein statief op een rugzak geplaatst lukt het ons om alle acht tochtgenoten op de foto te krijgen.
Daarna gaan we op pad. De weg kronkelt op hoogte langs een dal door een bos dat nu eens romantisch aandoet en er dan weer verwaarloosd bijligt.
Georgine, die met een IVN-blik in haar ogen speurend voorop loopt op zoek naar padden en reeën, ontdekt opeens in de berm een grote vuursalamander, een prachtig exemplaar, zo'n 15 cm lang, met de karakteristieke zwarte en oranjegele huid. Ze raapt hem op en het beest gaat van hand tot hand, terwijl de camera's klikken. Even later scharrelt ze opnieuw tussen het gras, nu op zoek naar vuurvliegjes.
Via kruip-door-sluip-door-paadjes belanden we voor de tweede maal op een grensweg. Het beton is hier vervangen door zachte grijze gravel, dat heerlijk loopt.
Daarna duiken we opnieuw de bushbush in, stappend over omgevallen bomen en glibberend over kale gele takken. Tot we een arcadisch dalletje bereiken dat in het voorjaar als een alpenweide vol bloemen moet staan, maar ook nu met zijn grashellingen en boomgroepen er liefelijk en vredig uitziet.
Op een hoog punt van dit beschermd stukje natuur staat een picknicktafel en het is hier dat Jan Willem met een geraffineerd gevoel voor decorum zijn door Jolanda Hausgemachte arretjescake aansnijdt en dikke plakken ronddeelt.
Het wordt ineens kouder en we naderen het middaguur, zodat de behoefte aan een Konditorei stijgt. We dalen af door een weide met grauwe schapen die ons blatend en mekkerend naroepen, en lopen het dorpje Benneckerstein in, een wat wanordelijk gebouwd Oost-Duits plaatsje, waarvan menig huis aan een schilderbeurt toe is.
Café Wenneker krijgt de eer van ons bezoek. De waardin roept ons in de deuropening toe dat we onze Bergschuhe niet hoeven uit te doen, maar JW heeft al barrevoets het pand betreden.
De menukaart gaat van hand tot hand, wat tot gevolg heeft dat we, de alternatieven ziende, enigermate van de koffie-en-gebak-gewoonte gaan afwijken. Misschien wel door het koude weer. Evelien zit al gauw achter een bord worst en salade, Georgine heeft tosti's en ik laat mij een kom Ochsenschwanzensuppe inschenken.
Daarna ga ik voor vanavond bij een slijterij om de hoek twee flessen Rotwein en bij een supermarkt daarnaast een karton witte zomerwijn, chipjes en blikjes pinda's halen. Het is immers de laatste avond van deze dertigste TT, en dat moet gevierd worden.
De groep blijft lang in het café hangen. Er is toch wel sprake van een toenemende decadentie op dit punt, gegroeid in de loop van die dertig jaren. Maar het kan ook door de gezelligheid zijn. Zo praten de aanwezigen (ik hou mij erbuiten) druk over het nut of onnut van chirurgische verbeteringen aan gezicht, borsten, billen en buiken. Menigeen laat er zijn of haar fantasieën op los.
De trektocht gaat echter genadeloos verder. Afrekenen en omhangen en snel het dorp uit. Al gauw wandelen we weer door dichte dennenbossen.
De middag is al ver, te ver gevorderd, en als straf gaat het ineens regenen. De paraplu's, onderweg als antennes op de rugzakken gestoken, doen nu goede diensten. Terwijl de regen goed doorzet, doemt ineens aan de bosrand het dorp Sophienhof op. En dat was ook de bedoeling, want daar moet straks water worden gehaald. Geen ideale plek om te gaan kamperen: in het zicht van het dorp. Maar het regent inmiddels pijpenstelen, dus we moeten wel. We vinden een plekje onder hoge bomen achter een dicht bos van jonge sparren, zodat nieuwsgierige dorpelingen een eventueel kampvuur nauwelijks kunnen zien. De tent van de meiden staat het eerst. De anderen wachten in de stromende regen op een gunstiger moment. Dat lukt tussen de buien door.
De tarp van Jan Willem spannen we tussen de bomen. We rollen acht boomstronken, die hier in groten getale liggen, naar deze droge plek onder het zeildak en maken ons op voor een gezellige borrel. Het literkarton witte wijn wordt als eerste aangebroken. De wijn draagt, ondanks de geringe kwaliteit, enorm bij aan een goede stemming, waarbij weer talloze vrolijke onderwerpen de revue passeren.
Jan Willem en Aldert verlaten in de schemering dit familiesymposium om water te halen in Sophienhof. Zij komen na een uur, strijdend tegen storm en regen, terug. Uitwendig volgeladen met water en inwendig met bier, dat ze in het waterverstrekkend café om der goeden wille hebben moeten gebruiken.
De rest van de groep is inmiddels in een opperbest humeur gekomen. Eindelijk kan de maaltijd worden bereid, zoals deze gisteren al is ingeslagen. Het is rijst met Geflügel-Ragout, dat volgens Els fazantenragout moet zijn.
In close harmony, terwijl de regen geselt op het dak van de tarp, nuttigen we vervolgens dit heerlijke gerecht onder het genot van borrels en bekers wijn.
Het blijft regenen en ik besluit, overmand door een plotselinge lome vermoeidheid, even in de tent horizontaal te gaan. Ik zak weg in diepe dromen en hoor na een tijdje stemmen die verschillende keren roepen "Oom Jan, gaat u mee naar het dorp?"
Het blijken mijn tochtgenoten te zijn, die in regen en diepe duisternis, met regenkleding aan en paraplu's op, al rond mijn tent gereed staan voor vertrek.
Ik laat mij overreden, al ben ik even total loss als ik opsta, voor een barre avondtocht door de stromende regen naar Gaststätte Brauner Hirsch, in het twee kilometer verder gelegen Sophienhof. Als verzopen ganzen lopen we achter elkaar langs een stille asfaltweg richting dorp.
Het café is bedompt door rook en verschraalde bierlucht en zit vol etende en zwelgende Duitsers. Wij weten onze plaats en drinken aan een grote houten zijtafel koffie en thee. Want iedereen wil wat aftaaien van de afgelopen uren. De stemming zit er niettemin nog steeds in, vooral als er drie-euro-voorwerpen op het terrein van de erotiek worden ontdekt in de toiletten. Een vrouwelijk lid van onze groep toont een Sexy Schlüsselanhänger, waarmee we als brave familieleden na het eerste gegrinnik al gauw in onze maag zitten.
We blijven er tot tien uur zitten en gaan dan terug naar onze tenten. Het regent nog behoorlijk en er staat een straffe wind tegen als we over de verlaten asfaltweg naar ons kamp terugstrompelen. Aldert loopt vooraan en wij volgen met klapperende paraplu's. Eindelijk vindt hij de zijweg die ons naar de tenten brengt. Eenzame, in duisternis gehulde kletsnatte bouwwerkjes van nylon die ons toch een droog onderkomen bieden. Een gevoel van diepe dankbaarheid kan ik niet onderdrukken. We duiken direct in de slaapzakken, nadat we onze natte jassen in de voortent hebben achtergelaten.
Jan Willem kondigt aan dat we morgen mogen uitslapen, want er is tijd genoeg voor de terugreis naar het beginpunt. De wind loeit nog steeds door de toppen van de bomen en de regen beukt op onze tenten.
Voor mij tijd om in de tent, met de hoofdlamp op, nog even mijn logboek bij te werken.
Jan Willem vraagt zich af wat ik in godsnaam nog te melden heb op dit tijdstip van de dag. Nou, dat is wat ik hiervoor verteld heb. Zo is de cirkel van deze gedenkwaardige dag rond en kunnen we ons mentaal voorbereiden op morgen, de laatste dag van deze tocht.
Een deel van de nacht, ik word eentonig gezien de afgelopen nachten, heeft het nog flink geregend, maar als de morgen aanbreekt is het doodstil in het bos. De sparren druppen nog wat na. En de tarp met de zitstobben eronder hangt nog fier gespannen tussen de bomen, zodat het een comfortabel en gezellig ontbijt wordt. Alsof we ons geen ontbering meer kunnen herinneren. Ja, zo nu en dan breekt de zon zelfs door!
Enkelen trekken schone kleren aan. De bedoeling is dat we naar een station lopen om vandaar met de stoomtrein terug te rijden naar een noordelijk gelegen station, in de buurt van ons beginpunt Darlingerode, waar onze auto's staan.
We ruimen ons kamp weer keurig netjes op. Alleen de stobben laten we nog in een kring staan, als herinneringsmonument aan ons verblijf op deze turbulente plek.
De zon breekt definitief door als we rond tien uur vertrekken. Dat is mooi, want de route gaat door een heuvelig landschap met prachtige uitzichten. Vanuit een hoogbos zien we beneden ons al spoedig de spoorlijn liggen, ons reisdoel voor deze ochtend. De bosweg kronkelt lange tijd over steile hellingen en door mooie productiebossen waar hoge stapels boomstammen klaarliggen om te worden afgevoerd. Ik neem een paar foto's van tochtgenoten. Dan naderen we het dal waarin het stationnetje ligt.
Verderop horen we bosarbeiders met zware kettingzagen in de weer. Voorbij een bocht zien we grote omgezaagde beukenbomen over het pad liggen. Een wirwar van glibberige stammen en takken. Krakend en kreunend vallen nieuwe bomen om, hoger op de helling. We roepen de mannen toe, dat ze even moeten wachten met hun werk, zodat we er veilig langs kunnen. Het kost nog heel wat moeite en tijd om ons er doorheen te worstelen, maar het lukt. Het bospad eindigt in het dal. Een Duitse man komt ons waarschuwen dat we niet dat pad ginds omhoog moeten nemen, omdat er houthakkers bezig zijn. Wij vertellen dat we er zojuist vandaan komen, waarop de man verschrikt roept: "Unbarmherzlich!" Zo krijgen we eindelijk het begrip dat we verdienen.
Daardoor opgebeurd lopen we door naar het stationnetje, Netzkater genaamd, een Hans-en-Grietje-achtig huisje met een sober maar gezellig cafeetje, gedreven door een vriendelijk Oost-Duits echtpaar. Het is lekker weer, dus gaan we in de tuin zitten aan de houten picknicktafels. Het is half één en de trein gaat pas om twee uur. We hebben nu alle tijd.
We bestellen kannetjes koffie, gebak en voor Aldert, Albert en mijzelf iets hartigs. Ik neem, indachtig mijn leeftijd, een Strammer Max, Het blijkt bij navraag Schinkenbrot und Spiegeleiern te zijn. 't Is maar één euro duurder dan een gebakje.
Wij zijn op het station de enige treinreizigers. Dat is onze kans om ons wat op te frissen in de eenvoudige toiletruimte. Marion verschijnt zelfs in een compleet nieuwe outfit en is daarmee ineens het paradepaardje van ons groepje geworden.
Dan arriveert de trein, tot onze teleurstelling geen stoomtrein, maar een enkele wagon op olietractie. Daarom niet getreurd. Want hij brengt ons in een paar minuten naar Eisfelder Talmühle. En daar staat inderdaad de langverwachte stoomlocomotief op ons te wachten, hijgend en puffend stoom en rook uitblazend. Een open wagon voor de liefhebbers van deze gesublimeerde vorm van luchtverontreiniging is vlak achter de kolenwagen gekoppeld. En dààrachter hangen een paar ouderwetse, stugge Anton Pieck-achtige wagons voor de treinreizigers. We klimmen erin, zetten onze rugzakken bij elkaar, en gaan in de open vensters hangen om maar niets van dit evenement te missen.
Tsjoekend en hotsebotsend zet het 19e eeuwse geval zich in beweging over het enkelspoor, volgt smalle dalen, rijdt langs wildstromende riviertjes tussen zonovergoten sparrenbossen en dan weer door een open glooiend landschap, waar witte boerderijen en stille dorpjes met goudgele boomgaarden dromen in de herfstzon. Rookflarden vliegen langs de coupéramen, de stoomfluit stoot hese tonen uit en onder ons dreunen de gietijzeren wielen in een vaste cadans over de rails.
Met voldoening over de geleverde prestatie in de afgelopen dagen zien we ons bekende plaatsen passeren: Sophienhof, Benneckerstein, Sorge, Elend. In Drei Annen Hohne blijft de vrijwel lege trein een half uur staan. Het is een klassiek houten stationsgebouw. Van hier loopt ook de spoorlijn naar de Brocken. Daarom is het er aanzienlijk drukker.
Daar komt zo'n Brockentrein aan en ineens loopt onze wagon vol met merendeels corpulente Duitsers. De afgeladen trein zet zich nu moeizaam in beweging voor het laatste traject.
Wij stappen uit in Weniger Hochschule, vanwaar we via een riante natuurroute door de bossen, vol educatieve borden links en rechts, ons eindpunt Darlingerode bereiken, waar onze auto's staan. Om kwart over vijf laden we onze rugzakken in, en hiermee zijn we fysiek aan het einde gekomen van deze dertigste trektocht.
Iedereen wil nog een passend slotdiner, maar waar? We besluiten iets te zoeken langs de Autobahn, niet een wegrestaurant maar een gewoon eethuis in een ordentelijk stadje. We kiezen daarvoor de plaats Bückeburg uit, nog nooit van gehoord, maar vertrouwd klinkend. Het ligt opzij van de A2, ten westen van Hannover.
Het afscheid van de Harz is er een vol romantiek. Opnieuw passeren we witte dorpjes verscholen tussen gouden herfstbomen en rijden we weg van de donkere heuvels, waar achter de zon ondergaat in een warme oranje gloed.
Een uurtje later parkeren we in de Innenstadt van Bückeburg. Het is een stil stadje, waar verleden, heden en toekomst moeiteloos in elkaar overgaan. In een winkelpassage vinden we een Grieks restaurant, dat ook andere menu's in de aanbieding heeft. Ons etentje wordt een gezellige afsluiting van een wederom geslaagde familietrektocht.
Op de digitale fotoschermpjes, die tussen de gerechten door rondwaren, krijgen we een indruk van het verloop van deze tocht, terwijl ik met mijn analoge filmrolletjes maar moet afwachten wat er de volgende week uit de gele fotozakken van Kruidvat te voorschijn komt.
Mijn tochtgenoten bezweren mij de foto's op een diskette te laten zetten, zodat ze kunnen worden toegevoegd aan de vele honderden digitale foto's en filmpjes, die te pas en te onpas door hen zijn gemaakt. En het moet nu maar eens tot een audiovisuele productie voor het nageslacht komen.
Zo gezegd, zo gedaan. En daarmee wordt ook te elfder ure de hier uitgesproken tekst van mijn logboekje aan de vergetelheid ontrukt. Al moet je maar hopen dat het lukt.
Oom Jan