TT‑verslag 2002-TT26
"DE LORELEY-TOCHT"
Soms denk ik als oom, terugkijkend op 25 jaar trektochten: het zijn steeds variaties op hetzelfde thema TT. Wat houdt dat in? Sinds mensenheugenis wildkamperen, met lange en donkere nachten. En elke avond een kampvuur van zonder bijl en zaag verzameld hout. De Duitse bossen, heuvels en dorpjes met hun kerken en kastelen lijken het Ardennerland uit de beginjaren te hebben verdrongen. Dan is er dagelijks die drang naar een Konditorei met koffie en gebak.
Ook de paklijsten wijzigen zich nauwelijks, evenmin als trouwens de kleren van de deelnemers die, naar het lijkt, onveranderlijk dezelfde schoenen, broeken, blousen en fleecejacks dragen, inmiddels vol met kleine gaatjes van de vonken van het vuur. En achteraf steeds die op vorige jaren lijkende foto's, altijd vastgelegd in een ambiance van eeuwigdurende herfst met zijn goudgele bladeren, sombere bossen en kale akkers.
De traditie van het meervoudig verspreide TT‑logboek, waarin verschillende nichten en neven hun zegje deden en waarbij ieder een dagje trektocht beschreef, lijkt echter verlaten. Misschien komt de TT‑website daarvoor in de plaats. Op mijn schoot rust nu een klein grijs notitieboekje, want er blijft toch die ijdele neiging de dagelijkse belevenissen vast te leggen. Al blijft het onduidelijk voor wie.
Op een laag afgezaagde stronk, die van een enorme beukenboom moet zijn geweest, kijk ik terug op de eerste dag van deze 26e familietrektocht. Wij bevinden ons met z'n negenen in een hooggelegen beukenbos boven Seelbach in het Naturpark Nassau. Het is zes uur in de avond. Klokken beieren achter mij in het dal van de Lahn. De laatste zonnestralen spelen nog even op het bladeren rond mijn zitplaats.
Er klinkt gekraak van takken. Het kampvuur moet straks kunnen branden en ongevraagd zijn enkelen druk in de weer met het verzamelen van hout. Herman is met Aleid, nieuwkomer in de groep, water halen in de kantine van een naburige manege. Voor het verkrijgen van gunsten van autochtonen zijn vrouwen onmisbaar. Ook om onverwachts opduikende jachtopzieners en jagers mild te stemmen. Want dat dit een prominent jachtgebied is lijkt wel zeker. Overal hebben wilde zwijnen bosplekken ruw omgewoeld. Zij moeten hier in de nachtelijke uren in grote aantallen rondstruinen. Anita beweert dat we bij onverwachte confrontatie zig-zaggend moeten gaan lopen, zodat deze wilde viervoeters hun oriëntatie kwijt raken.
Het is koud, ongeveer zes graden, maar de wind is gaan liggen en de avondzon onder de zwarte wolkenlucht is oranje gekleurd. Oranje-Nassau. Georgine brengt mij een Bredase anijsborrel en wat nootjes. Eerder ging Anita rond met port en Frans met dikke plakken worst. Sommigen beweren dat 's zaterdags pas in de avond, als de eerste borrels de ronde doen, het TT‑gevoel over de groep daalt. Daar zit wat in. Je moet vergeten hetgeen achter je ligt, huis en haard, en je uitstrekken naar hetgeen voor je ligt, aldus Paulus. Dat vraagt enige tijd.
Wie nieuw is in de groep - zoals Aleid - moet al gauw doorkrijgen waar al die relatief zware gewichten vandaan komen. De meeste rugzakken zitten rond de twintig kilo, sommige zelfs er ontoelaatbaar boven. En dat, terwijl wij weten: àlles wat je thuis laat is meegenomen! Paul heeft deze trektocht zijn rijdende rugzak bij zich. Die rust op een door hemzelf gemaakt raamwerk, waaraan een wiel is bevestigd. Het geheel scharniert onderaan een draagstel waarmee het vehikel aan zijn rug vast zit. Paul noemt dit eigen ontwerp Follow-me. Hij is waarschijnlijk de enige die de naam trek-tocht waar maakt. Maar eerst even terug naar het begin van de dag.
Els en Georgine senior zwaaiden ons vanmorgen rond half tien uit, toen we in twee auto's vertrokken bij het wegrestaurant Bloemheuvel, gelegen aan de A 12 richting Arnhem. Els, TT'er pur sang, kan helaas niet meer meelopen, maar blijft er helemaal bij betrokken via haar TT‑website. Zo loopt ze als het ware digitaal met ons mee. Op de site is nu al een deel van de historie van 25 trektochten te zien. Mede voor dat doel maak ik notities van deze 26e tocht. Els gaf ons een zelf gebakken cake, waarmee ze eerder deze week een prijs won. En van Irene kregen we een hoeveelheid paddenstoelen van chocola mee, geheel in de stijl van dit jaargetijde. Dank. Dank.
Via Venlo ging het naar Koblenz en dan door het prachtige dal van de Lahn waar de herfstzon uitbundig scheen op de beboste hellingen, vakwerkhuizen en hotelaccomodaties. In Nassau reden we rondjes, wat we pas ontdekten toen de hooggelegen Stammburg Nassau-Oranien steeds weer boven ons opdoemde. We begonnen onze tocht in het dorpje Obernhof, ten oosten van Nassau, en lieten daar onze auto's staan bij een sportveld. Oorspronkelijk zouden we van Kaub aan de Rijn naar Nassau lopen, maar Jan Willem had ontdekt dat het aan de Rijn te lang zou duren voor we een geschikte kampeerplek zouden vinden. Bij Obernhof duik je direct de bossen in. Wij volgden een beek en klommen daarna langs de muren van het eeuwenoude klooster Arnstein met zijn vier witte torens naar een plateau met mooie uitzichten. En zo bereikten we uiteindelijk deze kampeerplek.
Kleine vlammen lekken inmiddels langs de droge takken van ons kampvuur; straks zal het in zijn volle omvang naar goed TT‑gebruik ons rijkelijk gaan verwarmen. Het is half zeven en de waterhalers arriveren met een zakvol flessen water uit de manege in de buurt. Zij hebben hun waterhalen moeten afkopen door daarbij een drankje te drinken. Voor het eerst in onze geschiedenis vraagt de uitbater ook een vergoeding voor het water. Ik begrijp dat de sjouwers totaal 13 euro hebben moeten betalen.
Waar zitten we nu eigenlijk? Die vraag lijkt overbodig, want niemand interesseert zich daarvoor. Nu niet en later al helemaal niet meer. Want iedereen loopt meestal blindelings achter onze kaartlezer Jan-Willem aan, al moet die het ook ontgelden als we een enkele keer mis lopen. Maar daarover ongetwijfeld later op deze tocht meer. Ik kijk toch maar op de kaart. We zitten in het bosperceel dat Einsiedel heet, en dat ligt boven het gehucht Singhofen en dat ligt weer ten zuiden van Nassau.
De tijd tikt door. Het wordt schemerig en al gauw donker. Het is volle maan, maar die is nog verscholen achter de wolken. Herman en Joyce, ondersteund door Anita, verzorgen vanavond de maaltijd. Oosterse Ratatouille met stukjes Quorn Pangan, geserveerd met een rumachtig drankje Quava Barry, volgens Herman van een 16e eeuwse stokerij op het eiland Sint Maarten. Exotische geuren stijgen op. We hebben het weer goed! De wolken drijven weg, de wind is gaan liggen en het is droog. We zien een heldere volle maan en honderden twinkelende sterren boven de donkere bomen.
Het eten is op, de afwas gedaan bij het licht van een gaslamp en we zitten tevreden rond een knappend kampvuur van kurkdroge beukenstammen. De TT kan niet meer stuk. Het wordt nog boeiend als Anita en Paul vertellen van hun gevaarlijke avonturen bij een bezoek aan de binnenlanden van Jemen, een paar jaar geleden. Voor half elf ligt iedereen moe in zijn slaapzak. Ik loop nog wat rond door het donkere bos. Het maanlicht glinstert overal op de vochtige bladeren, geheimzinnig maar troostend. Zo nu en dan schuiven wolken of hoge ijle luchten voor de maan, waardoor die nu eens wazig en dan weer ineens helder wordt. Het bos zit vol geluiden. Als we inslapen horen we een paar maal de klagende roep van de uil, heel in de verte antwoordt een andere. Joyce hoort gekraak en gesnuif dichtbij de tent. Wilde zwijnen? Midden in de nacht klinken een paar knallen, die echoën door het woud.
Zeven uur. In de tent van Jan-Willem, waarin ook Georgine en ik gastvrijheid genieten, kruipen wij omhoog naar de nieuwe dag. Mijn bril hangt aan een lusje in de nok. Ik zet hem op en rits de tent open. Buiten is het koud en stil. De thermometer op mijn rugzak onder het buitendak geeft 2 graden aan. Het is ook droog, en dat vervult ons met dankbaarheid. Want de weersvoorspellingen van Irene via haar KNMI deden het ergste vermoeden. Al moet gezegd dat de èchte neerslag pas na maandag verwacht wordt.
Het is zondagmorgen. We ontbijten staande, grotendeels nog het eigen meegebrachte belegde brood van zaterdag. De vele broden in de groep zijn en blijven deze dag onaangeroerd. Evenals de kilo's kaas, wat Anita, met haar bekende vooruitziende blik, op het idee brengt deze week een keer kaasfondue te eten, waarbij het dan oude brood nog enigszins te consumeren is.
Bij het opbreken van de tenten gaat aller aandacht naar zojuist ontdekte merkwaardige paddenstoelen. Kleine plompe bruine bolletjes in de buurt van ranke elfenbankjes die aan de bovenkant openbarsten en dan enkele langgerekte tongachtige grijparmen naar boven stuwen van waaruit kennelijk het zaad wordt verspreid. We dopen ze octopuspaddenstoelen, want zelfs Georgine, actief lid van het IVN, weet ze niet te determineren.
Tegen tien uur hangen we de rugzakken om en begeven ons op voorstel van Jan-Willem weer terug naar het Lahntal, waar hij toch nog even het stadje Nassau wil bezoeken, bakermat van ons koningshuis Van Oranje-Nassau. De koninklijke familie is met de begrafenis van prins Claus eerder deze week weer even in ons bewustzijn. Op de kaart zien we dat het slot Dillenburg, waar Willem van Oranje werd geboren, enkele tientallen kilometers noordoostelijk ligt. Misschien een idee voor een volgende tocht? Ten dele volgen we nu de heenweg van gisteren. Weer die prachtige uitzichten en open velden. De groep steekt die volgens een oude traditie in ganzenpas over. Foto!
Het wordt een dag vol wonderbaarlijke belevenissen. We passeren een grote romantische jagershut aan de rand van het veld, verscholen tussen de bomen. Twee jagers staan voor de open deur. Als we steels naar binnen kijken zien we tientallen herten- en reeënschedeltjes aan de wand gespijkerd, geprepareerde huiden en andere jachttrofeeën en de onvermijdelijke dubbelloopsjachtgeweren waar de kruitdamp nog uit opstijgt. Ons bange vermoeden blijkt waar. Opzij van de hut hangen aan een horizontale paal een deze nacht geschoten das en een wasbeer!, terwijl, volgens de trotse jagers, zich achter in de schuur nog een ree en een wild zwijn bevinden. De jagers zijn tegenover ons op hun hoede en leggen uit dat het neerleggen van deze bosdieren in het belang van de natuur is. Zo halen wasberen vogelnesten leeg. En dassen verwoesten de aanplant van de boeren. Het is voor het eerst dat ik de wasbeer, die ik ken van Vancouver Island, in deze contreien zie. Zij zijn in de dertiger jaren voor de jacht uitgezet door de naziegeneraal Herman Goering en hebben zich sindsdien verspreid over de bossen van Duitsland. Ik leg het tafereel met enige tegenzin op een paar foto's vast.
We trekken verder en bereiken na een afdaling de rivier de Lahn. Hier is een ingewikkeld sluizensysteem - Sleuse Hollerich - dat watersporters gelegenheid biedt de Lahn te bevaren. Ons pad gaat over een lange metalen brug naar de noordzijde van de rivier. Daar begint een behoorlijke klim naar een uitzichtpunt, Hohelei genaamd, vanwaar je naar beide kanten het Lahntal kunt bekijken. We komen er zwetend aan, onze conditie is nog niet je dàt. De zon schijnt over het nog nevelige dal. Alle reden om er even van te genieten, liggend en zittend op een rotspartij.
Het is inmiddels al twaalf uur en tijd om schielijk af te dalen naar Nassau, waar de klokken van de Lutherse kerk al lokkend luiden. Onder de oude toren is een Konditorei met buitenterras. Binnen is het al stampvol met gasten. Wij verkiezen de buitenlucht met het herfstzonnetje en bestellen op grote schaal warme Apfstrudel mit Vanille-sosze oder Eis, met warme chocola of cappuccino. Alleen JW waagt zich er niet aan en verorbert een groot stuk gebak. Eenzaam, maar niet alleen. Georgine, die deze tocht onze penningmeester is, rekent af. Niemand wil van haar weten wat het gekost heeft.
Zondag in Nassau! Dat schiet niet op. Eindelijk klinkt het sein voor vertrek. Rugzakken om en weer zuidwaarts, het bergland van de Taunus in. Over een oude Lahnbrug bereiken we nu het dal van de Mühlbach, die meandert tussen steile beboste hellingen. Paul's uitvinding van de rijdende rugzak heeft veel bekijks. Jammer dat ook Jan met zijn twee geiten niet meeloopt, zoals de afgelopen twee jaren. Dan stonden we nòg meer in de belangstelling van passerende toeristen. Ik mag een uurtje met het geval lopen, terwijl Paul mijn (zware) rugzak overneemt. Zijn commentaar is duidelijk: "Van jouw rugzak ben je aan het eind van de dag afgedraaid." Klopt.
En ik moet het hem nageven: zijn Follow-me ontlast absoluut rug en schouders. Maar zij belast wèl door de schokbewegingen, die worden overgebracht door het scharnier, je heupen en bovenbenen. Ik kom er niet helemaal uit of het wat voor me is. Paul stelt dat je hersenen op den duur gewend raken aan de schokjes en dan merk je ze nauwelijks meer. Zoveel is zeker: het vehikel is alleen nuttig voor zware rugzakken. Tot zo'n 12 à 15 kilo kun je een rugzak beter op de rug dragen. We passeren een groep Duitsers met een walm van Jägermeister om zich heen, die lallend maar bewonderend commentaar geven op Paul's ingenieuze vinding. Misschien is er hier een markt voor.
Even ondergaan we een dip, als we bij een paar open veldjes langs de Mühlbach aankomen en er een rustpauze inlassen. Is dit een plek om nu al de tenten op te zetten? We weten dat de dalen meestal koud en vochtig zijn en dat er weinig stookhout is. Herman heeft vandaag wat moeite met lopen, dus moeten we het niet te gek maken. Als de rest van de groep zich weer verder spoedt trekt hij nog even een bergschoen uit, want "het lijkt wel of ik een steentje in mijn schoen heb". Het blijken twee (!) metalen gevlochten mouwophouders te zijn, die hij gisterenavond in zijn schoen deed om ze niet kwijt te raken. Ze zijn inmiddels diep gegroefd in zijn binnenzool en hak. Herman kijkt er beteuterd naar: hoe kòn hij zo stom zijn!
We besluiten om, zoals gebruikelijk, boven op de berg een kampeerplek te zoeken. Dat betekent weer een zware klim over een rotspad en dat aan het einde van de dag. Maar zoals altijd wordt onze moeite beloond: een mooi horizontaal stuk onder hoge beukenbomen met een paar verweerde houten banken waar we op kunnen koken. Grote holle boomstammen rollen we rond de plek waar we ons kampvuur zullen maken.
Dan passeert er in de schemering een oudere man op een fiets. Hoe is die ineens hier gekomen? Hij draagt iets in een canvas hoes op zijn rug: een mitrailleur of een muziekinstrument? Het blijkt het laatste te zijn, want een kwartiertje later horen we de melancholieke tonen van een soort waldhoorn door het dal klinken.
Als de man wat later weer langskomt onderweg naar huis bieden we hem een Schnapps aan. Hij slaat dat af, maar wil wel op ons verzoek nog wat spelen. Hij zet zijn fiets tegen een boom, schroeft zijn instrument weer in elkaar en blaast wat zoete tonen. Het is een meterslange Alpenhorn en de man heet Volker Hellmeier, wat volgens ons een vrije vertaling is van Hellemans. Volker vertelt dat hij het liefst elke dag, maar in ieder geval om de andere dag, het geluid wil laten horen op een plek op de splitsing van het Mühltal en het Teufelsdele, waar de echo het mooist is. Zijn vrouw is enkele jaren geleden overleden. Dat geeft enige tragiek aan deze dagelijkse eenzame recitals in de natuur.
Hij nodigt ons uit het ook eens te proberen. Joyce blaast uit alle macht, maar komt niet verder dan wat gekreun. Maar dan komt Frans Hellemans himself aan het mondstuk en hij laat, geheel in de traditie van Nassau-Oranienburg, het complete Wilhelmus horen. De man is zeer verrast, maar kan het niet laten Frans erop te wijzen, dat je zijn instrument niet als een trompet mag bespelen: de tonen zijn te hard en beproeven het materiaal teveel.
Even later gaan JW, Paul en Aleid met de man mee om in zijn woning water te halen in het nabij gelegen dorp. Hij brengt ze met de auto terug. Een tas met volle waterflessen en drie pakken melk.
De man legt mij uit dat we op historische grond kamperen. Onder aarden wallen rond ons kampje zijn oude Romeinse muren verborgen, restanten van een oude burcht. De plek heet daarom al eeuwen Alte Burcht.
Inmiddels hebben Georgine en ik de avondmaaltijd klaar gemaakt. Boerenkool met gehakt, uien, cashewnoten en geraspte kaas. Opgediend in onze plastic eetkommen met gedroogde uitjes er overheen. Lekker na al die borrels vooraf. We eten rond het kampvuur, gezeten op boomstammen. Het is droog, maar bewolkt. De maan laat zich niet zien.
De een na de ander duikt na half elf in bed, ik dit keer als eerste. Het kost moeite in slaap te vallen, want de boerenkool werkt nog wat na in maag en middenrif. Enkelen blijven tot twaalf uur rond het kampvuur zitten. Daarna valt de stilte over de bergen en bossen van Oraniënburg.
De dag laat op zich wachten. Schemer hangt nog lang over onze tenten en in onze hoofden. Luidruchtige uilen van vannacht hebben zich zwijgend verscholen in de beboste hellingen rond het Mühltal. Om half acht steekt ineens een zuchtje wind op en brengt onrust brengende regendruppels met zich mee. Buiten klinkt er enig gerucht. Wij schenken er geen aandacht aan. Misschien een wildplasser uit een andere tent, voor wie de nacht te lang werd.
Na achten wordt het toch tijd voor opstaan en aankleden. Actie! Want inmiddels ruist een milde regen op het tentdak. Wij nemen in onze tent de tijd. Maar ééns moet je er uit. Dan zien we bij de houten bankjes opzij van de kampvuurplek, een mandje en een rugzakje met 18 Kaiserbrötchen, drie kannen koffie, twee pakken melk en een paar flessen bronwater. En daar tussen gestoken een groene stafkaart van het zuidelijk deel van Naturpark Nassau, waarvan wij geen goede kaart hebben. Zoiets beleefden we nooit eerder! Wie is die boskabouter? Dat kan niet anders zijn dan Volker Hellmeier, der Alpenhornbläser von Singhofen! Maar dan moet hij zich nog hier ergens ophouden...
Inderdaad meldt de man zich even later. Wij bedanken hem uitbundig voor zijn geste en nodigen hem uit om met ons mee te Waldfrühstücken, maar dat slaat hij af. Hij komt straks terug, als we vertrekken. Dus verdwijnt hij weer met zijn fiets over het bospad. We ontbijten met z'n allen in Jan-Willems boogtent, die door hem is voorzien van een voorluifel. Het druilt nog steeds een beetje. De zwarte koffie met de broodjes en een beker melk smaken goddelijk. Hoe eenvoudig is gastvrijheid en hoe groot het effect!
Als Herr Hellmeier terugkomt zijn de rugzakken grotendeels gepakt. Wij nemen de tijd voor een groepsfoto met het statief op een rechtop gezette boomstam. De stafkaart mogen we meenemen en later terugzenden; zijn adres staat er op. Wij beloven hem van onze kant de zojuist gemaakte groepsfoto van deze unieke gebeurtenis. En dan verdwijnt de man weer uit ons leven.
Pas om elf uur is iedereen klaar en kunnen we afdalen langs het rotspad van gisteren naar de Mühlbach om onze weg te vervolgen. Aanvankelijk lopen we vrolijk koutend over een breed bospad langs de beek stroomopwaarts, een afslag naar links negerend. Dan belanden we bij een eenzaam gelegen huis, waarlangs een smal en door braamtakken overwoekerd paadje verder gaat.
Dat hebben we geweten! Want na een paar honderd meter eindigt het pad bij een overhangende rots, een bekend probleem voor rugzaktrekkers. Aan de overzijde van de beek lijkt er iets van een modderig karrenspoor verder te gaan. Enkelen onder ons wagen de sprong naar de overkant, al dan niet met een geïmproviseerde polsstok, waarbij de rugzak met een enorme zwiep naar de overkant gekeild wordt. Ik en anderen lopen terug en gaan via een hek en over een soort sluisje bij het sombere en eenzame huis naar de andere zijde. Naar later blijkt tot grote woede van een oudere vrouw, die achter het raam met een brandend kaarsje op tafel onze verrichtingen gadeslaat. Haar man is wat milder en wijst ons op de onmogelijkheid om verder te gaan. Beter is het terug te keren en de eerdere afslag te nemen.
Wij zijn echter eigenwijs. JW ziet een zwart stippellijntje op de kaart en wil de beek blijven volgen tot een naburig dorpje. Waar wij lopen is een modderpad dat slingert door hoog gras tussen enorme struiken van springbalsemien, waarvan de paarsgroene stengels klokkende en soppende geluiden geven als je er op trapt. We ontdekken dat dit heilloos is, met name voor Paul, die zijn rijdende rugzak nu door het natte struweel moet sleuren. En we ontdekken ook dat we op een doodlopend dijkje zitten tussen twee beken. Als laatste poging beproeven we nog een wankel en verrot bruggetje, dat ons weer naar de andere kant van de beek brengt. We stuntelen en glibberen er overheen maar het pad daar blijkt verderop dood te lopen. Dus sjouwen we weer terug naar Af...
Er is enig gemor op onze topograaf, die zwarte stippellijnroutes altijd mooier of korter lijkt te vinden dan ordentelijke paden, die met dikke rode strepen op de kaarten staan aangegeven. Maar daarmee doen we hem geen recht, want voert hij ons anderzijds niet langs prachtige routes met interessante bezienswaardigheden? We nemen ons voor dat steeds in gedachte te houden. Na een kwartiertje zitten we weer op de normale route. Aan de andere zijde van de beek staat een groep ezels in een weiland ons aan te staren. Soms ziet de mens als in een spiegel. Wij lopen maar gauw door.
Tegen twee uur, we zijn weer aan de Mühlbach beland, ontwaren we vlak voor het dorpje Mariënfels een smetteloos wit logement genaamd Zur Käsmühle. Het is gesloten en lijkt ongenaakbaar, maar dat is een misverstand. Na een langdurig drukken op een bel verschijnt de waard en zijn vrouw, en die willen ons maar al te graag in de Gästezimmer ontvangen. Hij zet zich vervolgens aan een tafeltje en laat zijn vrouw al het werk doen. Zij brengt grote glazen bier voor de dwazen die zich het verdere verloop van deze dag niet willen voorstellen. Zwoegen door open landbouwgebieden met het bier in de benen. Anderen beperken zich tot ein Kännchen Kaffee. Vrijwel iedereen bestelt daarbij twee worstjes met twee zure Duitse boterhammen. Het duurt enige tijd voordat deze vreselijk smakende wanproducten uit de Schnell-Imbiszkultur op tafel worden gezet.
Tijdverlies, tijdverlies, tijdverlies. Maar wel verdiend na die sombere druilerige uren in het Mühltal. We lopen richting Mariënfels, een klein dorpje met een witte toren, maar laten dat links liggen. Dan steken we de Miehlener Grunde over, een barre tocht over zompige, verlaten akkers in een golvend landschap van klei en gras. Gelukkig is het nu droog en er toont zich een waterig zonnetje aan de hemel. Net als iedereen er genoeg van begint te krijgen komen we bij een soort blokhut op een driesprong. Daar kan even gerust worden. Een jonge boer komt op hetzelfde idee, want hij stopt met zijn tractor en blijft een tijdje in ons midden hangen, kennelijk gecharmeerd van het vrouwelijk schoon in ons midden.
Rond vijf uur klimmen we door de velden en later door dichte en vochtige bossen omhoog, waar we na enig zoeken ergens in de hoek van twee bosranden een kampeerplek vinden. Iets verderop ligt een grote dode vos in het gras. Dat kan er óók nog bij. We kamperen op het oosten, dus àls er morgenochtend zon is kunnen we er volop van genieten. In de hoek is een bosweg, waarop we onze kampvuurplek maken en een mooie beschutte kookhoek inrichten. Jan-Willem, Frans en Aleid gaan in het nabije gehucht Ruppertshofen water halen, terwijl Anita en Paul met het achterblijvende water hun reservemaaltijd bereiden.
De waterploeg is pas om half acht terug. Zij haalden het water in het plaatselijke café, waar Aleid achter de bar onze flessen mocht vullen en dat leverde JW een mooie foto op. Zij zijn onderweg aan de dood ontsnapt, toen een auto een andere passeerde en die rakelings met zo'n 120 km per uur langs hen scheerde. Het is donker en het gekke is dat er al een tijdje zo nu en dan harde radiomuziek klinkt uit een hoge jagerskansel langs de bosrand. Zit daar een neurotische jager op wild te wachten? We trekken ons er niets van aan, want anders had hij maar op ons moeten reageren. Toch blijft het wat knagen.
De avond maakt ons milder. De wind is gaan liggen en de maan, onze trouwe beleidster, de Guter Mond, die gehst so stille, durch die Abendwolken hin, zoals een oud kampliedje luidt. Is het op het veld, waar onze vier tenten verspreid staan, niettemin toch nog wat unheimisch, in de boshoek brandt het kampvuur en heerst gezelligheid. Mens en vuur, een fascinerende combinatie. Paul en Anita hebben inmiddels hun eenvoudig "reservemaal" klaar: spaghetti met tomatenprut en geraspte kaas. Daarna gaat er koffie rond met een scheut whisky van Frans en kruidenthee voor de gezond levenden.
Inmiddels zijn we er achter wat de oorzaak is van de harde dreunende beatmuziek die straks steeds opklonk. Paul en Frans ontdekten eerder op de avond hoog in de jagerskansel een geheimzinnig houten kastje waarin een radio, een speaker, een accu en een sensor waren gemonteerd. Zodra zich iets in het open veld beweegt gaat de radio spelen. Kennelijk om dieren uit het belendende maïsveld te houden. Wat niet veel hielp, want bij aankomst sprongen uit dat veld drie reeën weg. Grote kanjers met donkerbruine vachten. Om onze rust niet te verstoren zijn de heren de wankele houten trap van het jagershutje opgeklommen en hebben het stekkertje uit het apparaat getrokken.
Het is zacht weer. De Wildtiere, waarvoor borden in dit natuurgebied ons steeds waarschuwen, houden zich achter de donkere bosrand verscholen. Met grote safarilampen zouden we de gele en rode ogen kunnen zien gloeien. De maan zeilt langs de oostelijke hemel naar het zuiden weg, al gedurende de avond. Talloos zijn weer de onderwerpen aan het kampvuur. Gezellige kout als vanouds. Iedereen is tevreden. Pas tegen twaalven gaan we de slaapzak in.
Dan klinkt er ineens vanuit de bosrand keiharde muziek. Zonder twijfel een geintje van de Hellemansen, misschien met hulp van Paul, die beter moet weten. De act is duidelijk. De heren hebben het radiokastje gedemonteerd, hier weer opgesteld en aangesloten en de gevoelige sensor bij al die warme lichamen doet de rest. Niemand geeft een kik, dus wordt het lawaai na een minuut of tien afgebroken. De stekker er uit. Zo eindigt een vredige avond met signalen uit een verre beschaving.
Om acht uur opgestaan. Het is bewolkt en het heeft de hele nacht bij vlagen geregend. Dan lig je heerlijk in je tent en je gelooft het wel. Maar nu is het droog en al gauw breekt de zon door.
De meesten zoeken een plekje in het bos om te toiletteren en komen er als herboren van terug. Dan wacht het ontbijt. Eindelijk kunnen we onze broodvoorraad en het beleg aanspreken, al dagen ongebruikt meegezeuld. Dit wordt een uniek ontbijt! Staand of zittend luisteren we al etend en drinkend naar prachtige klassieke muziek, die uit het houten doosje opklinkt. Paul vond dat, nu het apparaat toch in ons midden vertoeft, we best een klassiek programma op het radiootje konden opzoeken, en zo genieten we in het zonnetje van een symfonie van Rosetti, muziek van Johan Christian Bach, Mozart en andere klassieken.
Aan alles komt een eind. Het kastje wordt weer braaf door Herman in het jagershutje gemonteerd. Zou hij de oorspronkelijke beatzender weer hebben ingesteld? Ik vraag het me af. Dan duiken wij bepakt en bezakt de vochtige druipende bossen in, het eerste deel over boomstammen en takken stappend, waarbij Paul onverschrokken zijn Follow-me over deze obstakels heentrekt. Hij doet weer een les op: het wieltje moet bij een volgende versie dicht zijn, want tussen spaken gaan stokjes steken, en op de sleurpunten kan er beter een soort sleeband zitten dan een buis. En het scharnier kan beter met kogellagers worden gemaakt.
Zolang je door donkere naaldbossen loopt overheersen hier wittig-bruingrijze paddenstoelen en rottend hout. Maar dan ineens lichten de goudgele bladeren van beuken en eiken op. We verlaten de bossen en steken weer eens een open stuk golvend landschap over, waarbij we door het doodstille gehuchtje Kasdorf lopen en vervolgens opklimmen naar de volgende bosrand. Twee oude appelbomen leveren lekkere appels op tijdens de rustpauze aan de bosrand. We zijn er aan toe. Verder gaat het nu door bossen en langs bosranden die allemaal op elkaar lijken. We gebruiken al enige tijd de kaart van Volker Hellmeier. De man moest eens weten.
De route brengt ons in het propere dorpje Auel, ook weer stil en verlaten. Het is al kwart over een, dus pauzeren we in en rond een bushokje, waarvoor een grote waterpomp staat die het nog doet ook. Maar: Kein Trinkwasser. We koken een pan resterend water voor een cup a soup, waarvan de privé-voorraden nu voor het eerst worden aangesproken. Stapels besmeerde en belegde boterhammen gaan rond en eindelijk is er voor de liefhebbers gelegenheid om boterhammen met pindakaas mèt pinda's te nemen.
Langzamerhand naderen we het Rheintal. Volgens JW komt morgen de Loreley in zicht. Het zal wel een toeristische afknapper worden, volgeplempt met asfaltwegen. Willen we er eigenlijk wel naar toe? De wind steekt op. Donkere wolken jagen over de heuvels. Het wordt koud. Taunus im Herbst. Wat staat ons nog te wachten? We turen met Jan-Willem op de kaart. We moeten weer een kale heuvel oversteken, niets aan te doen. Aan de andere kant van de heuvel moet het dorpje Reichenberg liggen, op een kruispunt van wegen. Een burcht overheerst daar de omgeving. Zouden er winkels zijn? En is er drank te krijgen? De vrouwen willen geen Konditorei-bezoek, want zij willen liever bijtijds aankomen op de volgende kampeerplek.
We dralen op een heuvel en verkennen het schootsveld. JW scharrelt beneden ons langs de bosrand en ontdekt op de kaart een superstippellijn van een pad uit voorbije eeuwen en zo dalen we daar langs naar beneden, zigzaggend en laverend tussen rotsen en oude muren, struikelend over brokken steen, glibberend over verzakte kleilagen en vechtend met bramentakken naar het dal, waar een kruispunt van asfaltwegen ons wacht.
Het idee om hier lekkere dingen te kopen, zoals daar zijn kaasfondue en eindelijk eens een paar flessen van die beroemde Rijnwijn, en dan in de buurt te gaan kamperen laten we varen, omdat in het dorp en de verre omgeving geen winkel te bekennen is. Dat verzekert ons althans een oude molenaar die bij het kruispunt woont en waar we alvast water halen voor de avond. We zetten daar Herman voor in, een man met een rustige uitstraling, want de vrouw des huizes, stellig de Schöne Müllerin van weleer, is nogal nerveus als ze achter Herman die groep trekkers met rugzakken ziet. Watermolens zijn hier veel in de buurt. Hier waren vroeger een raapoliemolen en een graanmolen.
We volgen de beek in zuidelijke richting. De weg stijgt aanvankelijk door een mooi dal, maar bij een kerkje is er een smal pad dat via stenen treden ons weer naar beneden naar de dorpskern van Reichenberg brengt. Pas daar zien we achter ons de enorme burcht, in volle glorie bovenop een rots. We moeten verder, kunnen de burcht niet meer bezoeken. We willen een bos bereiken aan de andere kant van het dal, hoog op een plateau gelegen. Dan zouden we langs de beek moeten lopen en vervolgens aan de andere zijde een steil pad omhoog volgen. De tijd dringt. Onderweg zien we een man appels in een pers doen en verwerken tot appelsap of cider. Toch maar even kijken voordat we doorlopen. Onderweg komen we een oud mannetje tegen met een bijna Indisch gezicht. Hij is verbaasd dat wij die weg volgen om naar de Schutzhütte boven op de berg te komen en wijst ons op een kortere route, waarvoor we weer even terug moeten. 's Mans stelligheid maakt indruk, dus keren we onze schreden en stijgen aan de andere kant van de beek via het plaatselijke Friedhof naar een landweg boven over de bergkam. Een kale weg, die de naam Römerstrasze draagt, een oude Romeinse heerbaan, waar een paar prachtige struiken staan van de kardinaalsmuts met zijn rode vruchten met diep-oranje kernen. De meesten hebben er geen oog voor, want we zijn moe en het een beetje zat.
Geteisterd door harde winden en regenvlagen bereiken we tot onze verrassing een prachtige blokhut met mooi uitzicht naar alle kanten, maar daardoor wel onbeschut voor het barre weer. Dit wordt improviseren volgens een beproefd recept. Aan de windzijde wordt een venster dichtgemaakt met een plastic zeil en een waslijn. In de andere vier vensters plaatsen we onze grote paraplu's. Zo wordt de leefsituatie in de hut ineens wat dragelijker, ja zelfs gezellig. Er staat een grote tafel en een lange bank. Van buiten sjouwen sterke mannen een zware houten zitbank naar binnen. In een oogwenk zetten we zo'n honderd meter verderop in de luwte van de bosrand onze vier tenten op. Zo ontstaat er een verkeersader tussen Kamp A en Kamp B van in fladderende regenkleding gedoste van zaklantaarns voorziene heen en weer sjouwende TT‑kampeerders.
Terwijl iedereen druk in de weer is, permitteer ik mij als groepsoudste het recht om na gedane zaken mij in een hoekje van de blokhut te nestelen om met een kaarsje en een glaasje els mijn impressies van deze dag bij te houden in mijn notitieboekje. De kaarsen die soms honende opmerkingen uitlokken, heb ik weer eens niet voor niets meegenomen. En mijn gaslamp hangt we aan een haak in de zoldering. Wij hebben onderweg geen ingrediënten voor een warme maaltijd kunnen kopen, dus wordt er met veel zakjes tomatensoep, wat kruidensoep en een paar bouillonblokjes een pan soep in elkaar geknutseld die, mèt de grote hoeveelheid oud brood waarover we nog beschikken, onze hongerige magen redelijk vult. Maar voor het zover is valt, door een windstoot die een paraplu naar binnen blaast, de grote pan van de brander. Schrik en verslagenheid: Een paar liter van ons kostbare water kwijt! Dan maar een deel van de ochtendvoorraad aangesproken en morgen wellicht nog wat privéflesjes inzetten. We zetten een tweede pan water op die we, terwijl windvlagen zich door de vensteropeningen persen, angstvallig in de gaten houden.
Op de weg hier naartoe passeerden we vanmiddag oude appelbomen. We namen met vooruitziende blik daarvan een hoeveelheid heerlijke sappige zoetzure en onbespoten appels mee. Die leveren ons nu, met een bodempje water opgezet, een voedzaam toetje appelmoes op. Daarmee herstellen we een oude traditie uit de tijd van de Eiffeltochten.
Er zijn weinig borrels meer in de groep, deze stille dranken die zwaar beproefde trektochters op moeilijke momenten op de been houden. Ook van mijn "Jan de Wandelaarflesje" Els, een Limburgse kruidenbitter, niet bepaald ieders favoriet, raakt de bodem in zicht. Dan tovert Jan-Willem een plastic fles Berenburger te voorschijn. Iedere liefhebber weet nu wat hem en haar te doen staat. Met begerige maar kleine teugjes worden de aluminium kelkjes behoedzaam leeggedronken. De zogenaamde alcoholdiscipline maakt zich van ons meester.
De blokhut kreunt onder de harde windstoten. Van een kampvuur is nu geen sprake meer, hoewel er buiten de hut een prachtige door natuurstenen omgeven kampvuurplek is. De groep, vermoeid door de redelijk zware dag, toont wat zij waard is. Iedereen is vrolijk gestemd, allerlei soorten koffie worden broederlijk en zusterlijk gedeeld en Jan-Willem verstrekt nog een oorlam Berenburger.
Rond half negen al, na de gezellige uren in de blokhut, gaan enkelen naar hun tent. Want de wind blijft op deze heuveltop spoken en maakt de gemoederen steeds onrustiger. Herman, Joyce, Georgine, Jan-Willem en ik blijven nog even in de hut hangen. Er zit nog een staartje Els in mijn flesje en terwijl wij de mogelijkheden van morgen bespreken (gaan wij naar de Loreley?) gaat het laatste bekertje, dat wij dankzeggende zegenen, van hand tot hand rond. We verkennen op de kaart van Volker Hellmeier een route bij regen en een route bij dragelijk weer, die ik een kwartier erna alweer vergeten ben. Want al die gedemocratiseerde topografische exercities blijven een ritueel dat zelden van invloed is - en mag zijn - op onze grote voorman JW. Want hij is de enige in ons midden, die het àlle tochten heeft volgehouden! We wachten dus maar weer af. Wat de route brengen moge, ons geleidt Jan-Willems hand. Moedig slaan wij dus de ogen naar het onbekende land. Dat zongen we vorig jaar bij zijn 25-jarig jubileum en dat geldt nog steeds.
We besluiten in ieder geval de anderen voor te stellen om donderdag met z'n allen met de trein terug te gaan naar Obernhof, waar onze auto's staan, in plaats van dat alleen de twee chauffeurs daar naartoe reizen. Samen uit en samen thuis.
De aanvankelijk flakkerende en overdruipende kaarsen waaien nu steeds uit. Bij het licht van de gaslamp praten we gevijven nog wat na over de toekomst van de trektochten. Zijn er varianten te bedenken, waarin iemand maar één of twee dagen meeloopt? Is bij het ouder worden een "meerijdende" auto een mogelijkheid om bagage te vervoeren? Of hakken die externe factoren teveel in in het groepsproces? Ik ben sceptisch over het verlaten van de formule. De anderen ook, geloof ik.
Vrijwel de hele nacht heeft het gestortregend, afgewisseld met rukwinden die nog eens volle ladingen dikke regendruppels van de blaadjes van de bomen in de bosrand over onze tenten heenplenzen. We liggen nog lang in de slaapzak. Wat moet dat vandaag worden? Ik rits de tent open en kijk in het dal beneden ons. Aan de oostelijke hemel wat lichte plekken maar verder overwegend een zwaar wolkendek en mistige verten. Dat belooft niet veel goeds.
We staan op, wassen ons wat met een bekertje water en pakken de rugzakken in voordat we gaan ontbijten in de Schutzhütte. De restanten water benutten we tot de laatste druppel. Het zwarte plastic zeil dat een van de vensters afsloot heeft de nachtelijke stormen goed doorstaan. Net als ik daar wat complimenterends over zeg slaat het zeil door een rukwind met een knal uit de sponning, waar het met touw en wasknijpers was vastgezet. De wind loeit nu weer door de hut, maar het deert ons niet meer. Na het ontbijt hangt ieder nog even uit de vensters voor een groepsfoto minus oom Jan. Dan gaat de regenkleding aan en de rugzakken om en sjokken we opgewekt het achterliggend bos in. Wij doen nog even het in het bos gelegen Judenfriedhof aan, een ontroerend stukje verleden tot in de dertiger jaren gebruikt, waarvan de doden rusten tussen donkere dennen en goudgele beuken.
Het bospad eindigt op een asfaltweg. Wij lopen daar een paar kilometer zwijgend langs, terwijl regenvlagen onze goede stemming op de proef stellen. De weg gaat omhoog naar het dorp Bornich, alweer eenzaam en verlaten. Wat moeten we hier? Aleid dringt onversaagd een bankvestiging binnen waar licht brandt en dus mensen moeten zijn. Daar hoort zij dat hier geen cafés zijn, laat staan een Konditorei om even op verhaal te komen. Maar er is wel een winkel, die om twaalf uur sluit. Het is nu vijf voor twaalf. Letterlijk. Hollen dus door de nauwe straatjes. Gelukkig is de bedrijfsleider soepel als hij zich realiseert wat we allemaal willen inslaan voor lunch en avondeten en drank niet te vergeten. Een winkelwagentje vol broodjes, schnapps, macaroni, ham, kaas, melk, sapjes, paprika, wijn, knabbeltjes, bananen, chocolade: het moet allemaal in de rugzakken worden gedaan als we elders in the open air willen lunchen, regen of geen regen. En nu moeten we nog water hebben!
Alles lost zich vanzelf op. Dit keer staat tegenover de winkel op het bordes van een gebouw, waarop staat Evangelisch Lutherisch Pfarrhaus, een ernstige man het tafereel aan te zien. Brauchen sie etwas? vraagt hij Aleid, die meer en meer voor de PR wordt ingezet. Wir brauchen Wasser für das Essen. Maar waarom eten jullie niet hier in het Pfarrhaus? En zo laten de Pfarrer en zijn vrouw ons in een zaaltje en stellen hun keuken beschikbaar. De oerfunctie van de kerk voor de vreemdeling die aan haar poorten komt. Het echtpaar laat alles aan ons over en verdwijnt. Even later zitten we Kaiserbrötchen te smeren, worstjes op te warmen, koffie, thee en melk te drinken. Kleren worden op de verwarming gedroogd, wat vuil is wordt onder de hete kraan schoongemaakt en flessen water voor straks alvast gevuld.
Daar knapt een getormenteerde TT'er van op! Zo nu en dan verschijnt het hoofd van de Pfarrer of diens vrouw om het hoekje van de deur of alles noch gut geht. Zo verblijven wij meer dan een uur in de pastorie van Bornich. Bij het verlaten laten we wat geld achter voor de Lutherische Gemeinde.
Als we het dorp uitlopen met zijn hagelwitte kerk en mooie vakwerkhuizen schijnt even de zon. Die vreugde is van korte duur. Als we buiten het dorp een stuk open landbouwgrond oversteken zijn we weer overgeleverd aan regen en wind.
We naderen nu ècht het gebied van de Rijn en daarmee verandert het landschap. Andere glooiingen, vergezichten en daar tussendoor soms al een glimp van het brede water van de rivier, die hier majestueus slingert tussen steile hoge hellingen. De zon schijnt inmiddels alsof dat zo bedoeld is bij het bereiken van het einddoel van onze tocht. Onze route komt uit in een bos boven het Rijndal met uitstekende horizontale kampeerplekken. Maar het is nog zo vroeg in de middag! Rond half drie staan we bij een indrukwekkend uitzichtpunt, met achter ons een donkere, want vrij dicht getimmerde Schutzhütte. We willen er dit keer maar geen gebruik van maken. Want er staan bordjes met verboden dit en verboden dat. Zo mogen we geen kampvuur maken en ons niet buiten de paden begeven.
We besluiten wèl, ondanks het vroege tijdstip en alle verboden, op deze unieke plek te gaan kamperen en zetten een paar honderd meter verder onder hoge beukenbomen aan de rand van de steile oostelijke helling van de Rijn onze tenten op. Maar eerst zit iedereen op de aanwezige bankjes een uurtje in het zonnetje te genieten van het schilderachtige Rijndal met zijn wijngaarden, kleine witte dorpjes, kasteelruïnes en langzaam voortbewegende Rijnschepen. Aan beide oevers passeren talloze treinen als miniatuurspoortreintjes in een landschap van Anton Pieck. Een prachtige plek!
Vandaag gaan we dus niet verder en dat is maar goed ook want enkelen zijn een beetje aan het eind van hun latijn. Je moet maar last van knie, ingewanden of anderszins hebben. En dan geen kik geven! Terwijl anderen met tenten en kampvuur bezig zijn zit ik op een bankje dit verslag te schrijven. Naast mij ligt Joyce in de zon te slapen; zij voelt zich niet goed. We hebben haar tegen de koude wind ingepakt in een stuk zwart plastic, dat hopelijk wat zonnewarmte absorbeert.
Morgen is het plan af te dalen naar het Bahnhof van Kaub, waarna we gezamenlijk met de trein terugreizen naar de auto's bij ons vertrekpunt. De Loreley laten we daarbij links liggen. We geloven het wel. Onze trein gaat daar door een tunnel, dus veel zullen we er niet van zien. Volgens de overlevering was de machtige Loreley in vroeger tijden vol mysterieuze echo's en bevolkt door bergnimfen, die met hun lokkend gezang menig rijnschipper verleidden waardoor hun schip op de rots te pletter sloeg.
Volgens Paul is dit bezoek aan het Rijndal voor hem een grote belevenis, omdat hij er al decennialang naar verlangde. Ook voor de anderen betekent het een bekroning van de tocht na alles wat wij hebben meegemaakt. Ik kijk naar beneden, naar de rivier die misschien al miljoenen jaren hier stroomt. Zo nu en dan passeert er een plezierboot met - denk ik - vooral oudere mensen die onder het genot van een glaasje Rijnwijn en een blokje kaas genieten van de pittoreske omgeving waar ze door varen. Op deze momenten vraag ik mij af, waarom ik op mijn leeftijd hier boven over glibberige rotsen sjouw met een zware rugzak en waarom ik niet samen met mijn vrouw van die goede en comfortabele reizen kan en wil genieten, zoals mijn leeftijdsgenoten dáár, zo'n honderd meter lager.
De rest van de middag kan als bijzonder worden bijgeschreven in de annalen van de TT. In plaats van nog te zwoegen langs 's Heren wegen zitten we bij vol daglicht op boomstammen rond een knappend vuur, dit keer door Frans gemaakt. Vandaag ingeslagen whisky en kruidenbitter gaan rond, terwijl de zon ons tussen de bomen door beschijnt. Achter, diep onder ons de Rijn die zich hier door een scherpe bocht wringt. Anita maakt het eten klaar. Macaroni, uien, kaas, paprika. Paul is de meestersnijder, de rest zit te niksen. Hoewel: JW bestudeert wederom de kaart en oppert of we zo mogelijk met een boot van Kaub naar Lahnstein zullen gaan, om daar de trein te nemen naar Obernhof. Zoals we ook, vele jaren geleden, met de boot een stukje Moezel afzakten.
Zo glijden we genoeglijk voortkabbelend de avond in. Na het eten, met bij het vuur gechambreerde wijn, en na de afwasrituelen, komt Herman op de proppen met een toetje: banaan met een stuk chocolade erin, besprenkeld met een likeur (cognac of rum) en dat in folie verpakt en in de gloeiende houtskool gesudderd. Lekker maar erg machtig. Paul is er helemaal van onder de indruk (die leeft vandaag op de toppen van zijn emoties). Hij heeft al heel wat dodelijke lasagna's en vernietigende kaasfondues gemaakt, maar dit slaat alles. Tjesses! Wat lekker. Je hebt geen woord teveel gezegd, Herman! Ik noteer dit maar even om de stemming weer te geven. Dan is er weer water warm en komt ieder met zijn mok met poeder voor chocolademelk, cappuccino en wat al meer. Met de traditionele zwarte opscheplepel worden de mokken gevuld. Paul (weer!) noemt ons Het Genootschap van de Zwarte Lepel , wat een treffende typering is. De hemel is inmiddels helder geworden. We zien veel sterren en zijn in een euforische stemming.
Het is al laat en de meesten gaan naar bed. Frans en ik kijken nog wat mijmerend over het nachtelijk Rijndal diep beneden ons. Een enkel schip pruttelt langzaam voorbij, een lichtje voor en in de mast en een verlichte kajuit achter. Weer horen we, zoals elke nacht, de roep van de uil en het ritselen en kraken van takken. De vlammen van het kampvuur zijn gedoofd. Duizenden oranje kooltjes gloeien nog na. Het is dan alsof je vanuit een nachtelijk vliegtuig naar de lichtpuntjes van een immense stad kijkt.
Onbegrijpelijk na die heldere avond, maar het heeft een groot deel van de nacht geregend. Tegen de ochtend houdt het op. Als we opstaan, en dat is zo tussen acht uur en half negen, is er redelijk veel blauw in de lucht en het is fris. Al gauw komt er weer bewolking. De Rijn stroomt grijs, grauw en koud door het dal. We ontbijten op de boomstammen rond de kampvuurplek van gisteren. Er is nog een half zes-dagen-oud brood uit Nederland over en voldoende hardkeks, die hoofdzakelijk met boter en chocoladehagel worden gegeten.
Nadat de tenten zijn opgebroken lopen we langs een grote dassenburcht via een rotspad naar beneden en door een zijdal van de Rijn weer opklimmend naar het hooggelegen dorpje Dörscheid, dat ons met langdurig gebeier van de kerkklokken begroet. Hier is verder niets te beleven, dus snel door naar ons eindpunt, het Rijndorpje Kaub, waar het Bahnhof al op ons ligt te wachten.
Inmiddels schijnt de herfstzon weer tintelend over het landschap en betreden wij, aldus in een milde afscheidsstemming gekomen, het echte Rheintal met zijn kastelen, wijnvelden en witte dorpen. Het uitzicht is hier adembenemend. Het beloofde land. Er moet nu flink gedaald worden, voordat we tussen de wijngaarden lopen en vandaar, via een steile stenen trap, midden in de nauwe straatjes van Kaub belanden.
Op de Rijnboulevard nestelen we ons eerst even op een paar bankjes met uitzicht op de rivier. Terwijl JW noordwaarts op zoek gaat naar een passagiersboot, begeef ik mij zuidwaarts naar het station om de treintijden te noteren. Die blijken redelijk frequent en we kunnen goedkoper een tienpersoons kaart nemen dan kaartjes voor alle negen afzonderlijk. Je doet er wel ongeveer anderhalf uur over. De boottocht zit er buiten het seizoen niet in. Dan maar straks de trein.
We hebben nog een uurtje de tijd voor een maaltijd. Vrijwel alles is gesloten. Uiteindelijk vinden we een hotel-restaurant in de buurt van het station. Als we er al pontificaal gezeten zijn, na het handenwassen en toiletteren, blijken de gerechten op de kaart voor ons te duur, hetgeen we beleefd maar zonder op te staan aan de gerant melden. Hij stelt een ijlings een frisse salade voor met ham en kaas. Die is heerllijk, vooral onder het genot van een hoog glas bier of een bokaal rijnwijn. Alleen Frans kijkt beteuterd naar het groenvoer en glipt tijdens de lunch even weg naar een Schnell-Imbisch aan de rivier om een paar voedzame worsten te verorberen. En Paul eet de hele dag niets, omdat zijn maag van streek is. Een merkwaardige groep.
De trein brengt ons terug naar Obernhof in het Lahntal. Bij de bocht van de Loreley hangen we allemaal nieuwsgierig uit het raam. Het valt tegen. Voor dat we het weten duikt de trein een donkere tunnel in. In Koblenz stappen we over op de trein die ons langs de Lahn via Bad Ems en Nassau naar ons eindpunt brengt. Daar komen we kwart over vier aan. Wat verstijfd van de reis strompelen we naar de auto's, die even buiten het dorp zijn geparkeerd. Boven ons op een rots prijkt nog steeds het trotse witte klooster Arnstein met zijn vier torens. Hier gingen we afgelopen zaterdag via een bospad omhoog, de heuvels van het Taunusgebergte in, nog onbekend met wat ons te wachten stond.
Voordat we de terugtocht vanuit Obernhof aanvaarden duiken we nog even in een restaurant bij de brug over de Lahn. Daar worden we (te) uitbundig ontvangen door een forse hooggeblondeerde en geboezemde vrouw, die haar jolige Duitse woordenschat ook nog met wat niet al te fijnzinnige Hollandse zinnetjes lardeert. Het èchte klantgerichte werk dus. De potten bier komen op tafel, uiengebak gaat rond, Käsetorte, jonge witte wijn, koffie, het kàn niet op. Een mooie afsluiting van deze toch wel weer bijzondere 26e trektocht. Rond zes uur zoeken we de auto's op en rijden we door het drukke Duitse autoverkeer via Koblenz naar het noorden. De ban is gebroken.