Dagverslagen 1992-TT16
Voorwoord, inhoud en slotwoord:
Het is gelukt. Je gelooft het niet, maar het is echt gelukt! Als laatste dit jaar ben ook ìk bevallen. En met bijna draagmoedertrots kan ik melden: het is een fraai exemplaar geworden. Door z'n conceptie in de herfst van 1992 -door meerdere donoren- en een draagtijd van een vol jaar, is dit boek weer een typisch familiestuk geworden. Ondanks een aantal demotiverende momenten, is het toch gelukt de geschiedschrijving van TT'92 kompleet te krijgen en zelfs hier en daar een bijzonder karakter te geven.
Mag ik jullie even voorgaan.....
De voorbereidingen:
Onze 16e tocht begint met een voorbespreking in Gabriëlle en Peters nieuwe huis. Het animo dit jaar is twijfelachtig: Er zijn veel via via gehoorde afmeldingen. Het is tekenend dat alleen JW en ik zijn ingegaan op de uitnodiging van Peter vooraf te komen eten of af te bellen. Daartegenover staat dat we dit jaar een nieuwkomer hebben. Je gelooft het niet: Aldert.
De trekkers:
We blijken met vier "stellen" en slechts twee solisten op pad te gaan: Herman en Joyce, Peter en Gabriëlle, Marion en (tara tara) Aldert, Jan Willem en Jo en oom Jan en Els. Dit maakt de tentverdeling even tot een wat lastiger onderwerp, maar... we hebben al vaker met z'n vieren in de Mirakel gelegen en dat kan heel gezellig zijn.
De route en de reis:
De route is, zoals gebruikelijk, keurig voorbereid. Ten noord westen van Koblenz zullen we van Andernach in een boog naar het Ahrdal lopen. (Zoals op de kaart te zien is.)
Voor de treinkaartjes zijn we dit jaar voor het eerst afhankelijk van het pretnummer van Multirail. (Even voor de liefhebbers: 06-35032040. Eerst krijg je een reclame verhaal, daarna een aantal doorkiesnummers die ook weer uitgebreid van nutteloze tijdrekkerij zijn voorzien en tot slot ben je weer bij af. Na 51 tikken begrijp je dat je beter smeergeld had kunnen betalen en ram je net zo vaak verkeerde nummers op je toestel dat ze je eindelijk een mens aan de lijn geven. Als blijkt dat die ook weer, middels dezelfde rituele handelingen op haar telefoon, jouw reis probeert te reserveren, begrijp je iets meer van die walgelijke prijsverhogingen en servicebeperkingen van de NS. Volgend jaar gewoon met zoveel mogelijk stinkende auto's hoor!)
De start van de tocht:
Jan Willem beschrijft op plezante wijze hoe dit jaar de tocht begon. Als eerste leverde hij z'n verslag in. Dat was al in november 1992 (nog niets bekend van de zwangerschap van Jo, maar ze waren er toen al wel). Hij opent dit verslag met de welhaast profetische woorden: "En toen waren er weer twee."
Mag ik jullie even herinneren aan de laatste woorden van ons verslag van vorig jaar: een vergelijking met het verhaal van de tien kleine nikkertjes:
"Op de laatste dag neemt het tiental trekkertjes snel af... Er blijft er maar één over... En toen hoe zat dat?... Kwamen er niet binnen de kortste keren weer een aantal nieuwe trekkertjes?..."
Het is bijna eng om te constateren, maar uit de geboortes van afgelopen jaar blijkt dat onze familie, kost wat kost, een trektochtverslag op waarheid wil laten berusten (vooral Prinsen zijn hiertoe gedreven!).
Hoe onwaarschijnlijk het verhaaltje ook mag zijn, voor onze familie is het geen probleem. We zijn binnen de acht maanden al over de helft!
Welkom gastjes, welkom! Dat kan leuk worden over 15 jaar met Gijs, Tosca, Mark, Alex, Aron en Eva!
Terug naar de inleiding op het verslag:
ZATERDAG. Dit is dus een pennenvrucht van Willem (dank voor de plakaanwijzingen).
ZONDAG. Dit verslag ontving ik ook voor 1993. Het is een beschrijving van leuke belevenissen, prettig leesbaar èn koninklijk onderscheiden: dus van onze hofleverancier J.Das.
MAANDAG. Na een half jaar kwamen de negen regels "klad-aantekeningen-tot-aan-de-koffie" van het duo Pabon-de Moor boven water. Samen met de foto's hebben de Pabon-zussen uiteindelijk in mei 1993 de belevenissen van die maandag weten te reconstrueren. Toen ik er een verhaal van maakte bleken allerlei smakelijke details toch nog bewaard te zijn gebleven.
DINSDAG. Dit verslag was bijtijds. Ook is, dankzij zorgvuldige notities op de dag zelf, het waarheidsgehalte van het verslag van deze dag hoger dan dat van enkele andere dagen. Kortom, twee beginnersfouten van onze nieuwkomer Aldert. Nou ja... fouten... misschien kan hij wel een nieuwe trend inzetten.
WOENSDAG. Een serie problemen teisterden de totstandkoming van dit verslag: Herman hà;d de dag nauwgezet vastgelegd... in klad. Eerst wist hij niet hoe de precaire situaties van die dag in een aardig verslag te beschrijven. Daarna was het probleem: tijd. Er moest dringend aan een kinderkamer worden gewerkt (hij heeft wat afgesmoesd die jongen). Toen was het probleem: aantekeningen weg. Tijdens het familiekamp werd bedacht dat, met de foto's, er wel een parodie, een soort sprookje over die dag geschreven kon worden. Toen 14 juli z'n herinneringen opgefrist werden met voor die woensdag passende krantenkoppen, kreeg Herman het helemaal moeilijk. Tijdens z'n vakantie legde hij daarom de hand aan een fraai stuk algemenere geschiedschrijving. Van voor af aan. (En dan bedoel ik van vóór af aan, vanaf het ontstaan van de tocht in oertijden tot ongeveer nu.) Deze pennenvrucht heeft hij maandag avond TT'93, op de heuvel boven Echternach, het (maan)licht doen zien en horen en is integraal opgenomen, als sluitstuk van dit boek.
Het laatste probleem (het verslag van die woensdag) heb ik -hopelijk naar genoegen- verholpen met foto's, herinneringen en een enkele krantenkop.
DONDERDAG. Wat kan ik zeggen... Bijtijds aangeleverd en ook al op schijf! Het is een treffende, vlotte, echte Marionse weergave van de slotdag.
SLOTWOORDEN. Nu het verslag eindelijk klaar is, is er nog een laatste dilemma gerezen: Willem wil het origineel van dit verslag hebben, want een collega kan het misschien drukken. Aan de ene kant is het heel aantrekkelijk om op zijn verzoek in te gaan, aan de andere kant..... 1990 is ook op die manier in zijn handen terechtgekomen...... Oké, niet meer aarzelen, ik waag het erop! Kijken welk boek het eerst uitkomt: 1990, 1992 of 1993.
Veel leesplezier, Els
En toen waren er nog twee....
Dit jaar begint voor JW (de schrijver van dit stuk) de TT op vrijdagochtend. Dan stapt hij met zijn twee zonen op de trein... naar Zwolle, waar de oudste een weekje mag logeren bij zijn lieve neefje Wolf. De jongste wordt gemakshalve ter hoogte van Harderwijk uit het treinraampje geworpen, waar hij maar nèt door zijn grootouders gevangen wordt. Aan een boom binden is er niets bij. Dit pré-TT‑gebeuren kost de hele dag en 's avonds bijkomen is er ook niet bij, want er moet gepakt worden!
O jee...... geen tent, geen brander.......!?? Dit kan niet goed gaan.... IK afhankelijk van andermans spullen?, nee, dat kán niet goed gaan......
Uitslapen? Nee hoor, niks niet; de trein gaat om zeven uur, maar alles verloopt eigenlijk als vanouds en op rolletjes. In de ochtendstond lopen we (ja, ja, Jolanda gaat ook weer eens mee) naar het station. Het belooft, hier althans, mooi weer te worden. (Els: foto van Jolanda in de ochtendstond verplicht!)
De trein vervoert ons naar ..... Utrecht. We rollen omhoog en lopen naar 'DE BRUNA' (u ziet het, het is inmiddels een begrip). We treffen daar een bijkans eeneiige tweeling aan. Aardig volk overigens, maar ze gaan niet mee. (Els: foto van George en OW verplicht!) Meer volk bedruppelt de Bruna; eentje is niet echt gewenst, vraag het Els (wat moest'ie nou eigenlijk van je?..). Aldert is nieuw en heeft (nog) goede zin, in tegenstelling tot zijn gezellin Marion; ze voelt zich bijzonder belabberd. (Ik vroeg haar nog: "Nicht, waarom kijk je zo zwartgallig.....?") Het zou te maken kunnen hebben met de enigszins niet verwachte aanwezigheid van haar levenspartner, maar ja.... daar mogen wij niet naar vragen.... en dat is misschien maar goed ook. Gabriëlle is ons nieuwste familielid, je ziet het zo, een vrouw met diepte. (Els: foto van Gabriëlle met zak en mat verplicht!) 's Nachts kan in ieder geval voor haar de TT niet meer stuk. Haar brave echtgenoot, we kennen hem wel, is iets verstandiger; híj liet nog net zijn bed thuis, maar ligt straks wel 10 centimeter lager dan zijn pas verworven vrouw (dan een vrouw met hoogte...). Daar heb je, ze behoren inmiddels tot de vaste kern, Herman en Joyce. De laatste is toch wat ronder dan we van haar gewend zijn; in haar ingewanden vervoert ze Hugo, het nieuwste Hellemannetje. De laatste en oudste rot in de TT, dat is, o jee, ojee: OJ. Ja, die gaat ook weer mee. Tante Georgine vergezelt hem tot hier, zij blijft, zoals altijd, thuis. Dat is alles, we missen dus nogal wat. Georgine en Robert (hem zien we eigenlijk ook nooit meer... hoe zit dat??) moeten werken, Irene, Ron, Evelien en Peter, zij willen best met vakantie, maar niet met ons (dat vergeten we niet!!!). Albert wil een weekje thuis gaan kloten, hij heeft het daar zo druk, zegt hij. Later blijkt ook Bea (ja... Bea!) zwanger te zijn en daar hoort hij natuurlijk bij te zijn. George, verrek, ook George heeft deze week vrij, maar ook hij zoekt de huiselijke rust van zijn woning. Het is duidelijk: bij een aantal deelnemers brandt het heilig vuur niet zo hard meer..... We moeten maar eens in therapie.
We lopen naar de trein, stappen in, zwaaien en rijden weg. Met z'n allen weer eens in een rookcoupé. Er is geen koffie in Arnhem, jammer, wèl in de trein. Peperduur als vanouds, maar dit jaar in waarlijk prachtige bekertjes; goed voor maandenlang drinkplezier. We babbelen bij, lezen kranten en snellen ondertussen Duitsland in en door. Andernach, gelegen tussen Bonn en Koblenz is dit jaar de uitstaphalte. We zijn er lekker vroeg. de bus die ons naar Mayen moet brengen gaat over een minuut of twintig. Wachten in het zonnetje, een paar drinken koffie. De bus komt, laat zich vullen door de talloze teeteeërtjes en rijdt richting Mayen, gelegen in een zeer interessant (zo zeggen de geologische boekjes van JW) deel van de Vulkaaneifel. De bus rijdt niet bepaald rechtstreeks, nee; we zien een dichtbevolkte streek met veel industrie, waaronder veel steengroeven. Een paar jaar geleden was dit gebied vulkanisch tamelijk actief en de producten die die vulkaantjes toen produceerden zijn bij de huidige mens zeer in trek en dat zien we goed.
De chauffeur van de bus is een aardige man, een NMB-er, hij wil meedenken: wat is voor ons een leuk beginpunt?, waar willen we heen?, hoe willen we lopen?, etc., etc. Hij lijkt er verstand van te hebben en het lukt hem uiteindelijk ons ver voor Mayen uit de bus te werken. Hij rijdt weg, het groepje achterlatend in Kottenheim, een unheimisch Duits dorpje aan de voet van de Ettringer Bell Berg. Tja..., wat doen we....? JW zoekt in ieder geval eerst een apotheek om een beginnende tandvleesontsteking de kop in te drukken. Met de lieve hulp van Jolanda wordt er al snel één gevonden die ....... helaas gesloten blijkt te zijn. Dan maar op zijn ontstoken tandvlees verder.
We gáán, JAHOE!!!! We verlaten het dorp, de Ettringer Bell Berg op, een oude vulkaan, nu voor een deel groeve (interessant zeg...) en voor een deel vuilstortplaats (hoewel ik eigenlijk geen vuilnis ruik...). Overal liggen flarden plastic. Toch schijnt het hier een soort van natuurgebied te zijn, nou ja... Achter de vulkaan ligt het dorpje Ettringen. We lopen het door en beginnen aan een plek voor de nacht te denken. De op de kaart meest geschikte plek valt tegen; een klein hutje, met daaromheen een pisbosje en met uitzicht op een vieze manege. Op de hellingen van de volgende vulkaan, de Hochsimmer, staat nog een hutje; misschien daar. Peter, Aldert en JW gaan kijken. Tja..., niet echt ideaal, maar een betere plek dan de vorige. Een hutje in het beukenbos, een stil pad beneden ervoor langs en dus ....... is een uurtje later het kampleven in volle gang. De tenten staan in een mum van tijd, de pannen rammelen in de hut, het hout wordt in vele kubieke meters van de vulkaanhellingen gestort, Pyropeter fikt z'n vuurtje, de flessen vliegen open.......... alsof TT91 vloeiend overgaat in TT92. Het is een wonder, ieder jaar weer.
Maar mijn God, wat is het koud!!! Dat belooft wat voor de nacht en zeker voor d'ouwe Das die zich heeft voorgenomen in de voortent van de mirakel te slapen en uit bezuinigingsoverwegingen z'n tweede slaapzak heeft thuisgelaten..... Dáár zal hij spijt van krijgen...
Wat we eten? Soep! Aldert vervangt Albert, de rugzak wordt als vanouds leeg gekieperd en de pannen gevuld (tijdelijk althans). Els, Schelvispekel en een verdwaald Ouzootje gaan van mond tot mond, aangevuld met cervelaatworst en pinda's. De groentesoep legt er eventjes later een warm laagje overheen........ ach, we hebben het zo slecht nog niet. De maaltijd wordt besloten met een beker koffie en/of thee, het volk draait nog even de billen naar het vuur, maar niemand maakt het laat, zeker ik niet..... GAAAAAAAP...welterusten allemaal.
De nacht aan de voet van de Genovefa-Hütte op de heuvels van de Hochstein (563 m) was koud. Menigeen kruipt met verstijfde spieren de tent uit en klautert na het gebruikelijke doch moeizame kleed- en loosritueel de korte steile helling op om in de aldaar gelegen blokhut te ontbijten. Een schuchter zonnetje breekt door het herfstlover, vlijtige handen produceren stapels zorgvuldig belegd brood en de dampende thee vindt gretig aftrek, doch niet nadat de koffieverslaafden aan hun trekken zijn gekomen. Daar knapt een mens van op.
Verkwikt en verzadigd roetsjen wij over de glibberige bosgrond terug naar het pad om onze tenten op te breken en de rugzakken te pakken. Alles op z'n elf en dertigst. Wij hebben geen haast. Het weer is redelijk als eenieder omgehangen is en we op pad kunnen gaan.
Jan Willem wijst, na enig peinzend bestuderen van zijn topografie, ons op een eerste attractie: ergens aan de andere kant van de berg moet een grot liggen, de Hochsteinhöhle genaamd, die je zuidom klimmend (via een legaal pad) of noordom, rechtstreeks querend en de helling volgend (maar dan door de bush-bush), kunt bereiken.
Hijzelf, Els en ondergetekende kiezen voor de laatste mogelijkheid, de rest neemt de zuidroute. Zoals verwacht bereiken wij drieën als eersten de grot, maar wij hebben het wel geweten! Het wordt een klimpartij over eindeloos veel omgevallen bomen, geglibber over de losse vochtige bosgrond en wegzakken in dikke bladertapijten. En als klapstuk de confrontatie van oom Jan met een knots van een wild zwijn dat, opgeschrikt door onze komst, met woeste sprongen zich daverend en snuivend uit de voeten maakt. Els denkt even dat er een zware boom omvalt. De rest van de groep ziet onderweg twee reeën. Zo krijgt ieder wat hem toekomt.
Bij de grot ontmoeten wij elkaar. Met brandende kaarsjes in de klamme handen schuifelen de moedigsten onder ons voorzichtig de nauwe toegang tot de stikdonkere spelonk in, later gevolgd door de anderen. In het geflakker van het spaarzame licht worden wij ingewijd in geheime tekens op de rotswanden. Buiten liggen eeuwenoude molenstenen. Later lezen we op een bord dat deze hier in de 14e en de 15e eeuw uit de vulkaanstenen rotsen werden gehouwen. Overmand door onze gevoelens besluiten we op deze historische plaats, onder een overhangende rots, een groepsfoto te maken, hetgeen door JW's zapp en zelfontspanner technisch mogelijk blijkt te zijn.
Wij hangen de rugzakken weer om en worden verderop verrast door prachtige vergezichten. Het kan niet op! Een landweg over het open veld brengt ons even op een asfaltweg, waar we bij een boerderij water halen voor de lunch, want regeren is vooruitzien. Dan lopen we door stukken bos en klimmen vervolgens door een Eiffellandschap van akkers, omzoomd door een palet van goudbruine tot blauwgroene bosranden en langs bermen met eenzame, maar daarom dierbare herfstbloemen.
In de verte op een heuvel ontwaren we de Gänzehals, een TV-toren met een breed uitzichtterras voor toeristen. Ons pad voert erlangs en de liefhebbers onder ons bestijgen niet alleen het terras, maar ook de verboden toren via een ten onrechte openstaande deur. De achterblijvenden constateren dat het zo langzamerhand lunchpauze is, dat het zonnetje schijnt en dat dit weggetje, hoewel over een heuvel lopend, heerlijk beschutte plekjes heeft. Even later strijken wij er neer in het hoge gras. Ik hou mijn notitieboekje in de aanslag om impressies van een modale TT‑lunch te noteren.
De groep blijkt in de stemming voor enige contemplatie. Iemand poneert een theorie over spinnenwebben. Een ander constateert dat alleen de vrouwen in het gezelschap een wollen muts dragen. Een neef signaleert dat Joyce geraffineerd van de kleur rood gebruik maakt: in verschillende tinten komt zij voor op haar oorbellen, muts, schoenveters en neus. Een andere neef komt terug op de kwestie van de mutsen en meldt dat 60% van de warmte die een mens verliest via het hoofd gaat. Hierop aansluitend ontstaat er een discussie over de locatie van bepaalde vochtplekken in de slaapzakken na een koude nacht. Om de aandacht van dit thema af te leiden begint iemand te zeuren over de vraag, waarom sommigen onderweg altijd torens en bergtoppen willen beklimmen en anderen absoluut niet. Die vraag blijft hangen. Dan wordt er iets tweestemmigs ingestudeerd, mogelijk olv Gabriëlle: "Let us wander", maar het kan ook "Let us wonder" zijn, of zelfs iets Duitstaligs van dezelfde woordklank. Zelf was ik inmiddels weggezakt in een krantenartikel over ene Robert Musil, een interessante man. Herman geniet van de Culturele Bijlage van NRC/H, waarin een lezing van Jan Wolkers. Jan Willem rommelt wat in zijn rugzak, een bekend beeld. Jolanda rookt steels een sigaretje. Peter strekt zich behaaglijk uit naast de primus, die ronkend brandt. Gabriëlle, Els en Joyce maken hoge stapels brood klaar. Marion en Aldert liggen genietend als op een huwelijksreis dicht tegen elkaar aan te mijmeren, ik neem aan over hun kinderen. Als de koffie en thee worden ingeschonken en de boterhammen rondgaan hebben we het goed in deze zonovergoten grasberm met zijn paarse anjertjes, roze en witte koekoeksbloemen, blauwe bosklokjes en gele muizeoortjes.
We moeten helaas verder. Na wat autowegen gekruist te hebben bevinden we ons weer op open veld met een prachtig panorama: in de verte ligt het dorpje Brenk onder een vulkaanheuvel en opzij, in de skyline van dit heuvelachtige Eiffelland, torent het silhouet van een oude kasteelruïne. Ik word onderweg getroffen door de overdaad aan verschillende soorten bessen. Laat ik er eens wat noemen. Rozenbottels, wellustig brede en andere met dieprode, langwerpige kegels. Roze, mij onbekende bessen in bolvormige trossen, de vruchten van de sleedoorn in hun bestoven blauwe kleuren, de harde ronde besjes van de meidoorn, zwartglanzende vlierbessen in uitbundige hoeveelheden. Verder op ons pad wisselen de hazelnoten en de paarsoranje kardinaalsmuts elkaar af en als we het dorp Brenk naderen passeren we een oude verwaarloosde walnotenboomgaard waar tussen de donkere stammen witte en bruine paarden, op ons reagerend, vrolijk rond galopperen.
Met het hoofd vol herfstimpressies lopen we op deze stille zondagmiddag het gehucht in en pauzeren even op het bankje onder de hoog op een rots gelegen kerk. Speelse dorpspoezen dartelen om ons heen in elegante sprongen, maar zij laten zich niet lokken. Joyce vindt hen maar arrogante tantes.
De middag schiet al op, wij moeten gaan denken aan onze overnachting. Enkelen gaan in het dorp naar huis telefoneren en halen daarna met versnelde pas de groep in.
De zon hangt nu laag over de velden en de wind steekt op als we in de richting van een bosrand lopen. Lange schaduwen volgen ons over de beploegde akkers, mysterieuze op de achtergrond blijvende tochtgenoten. In de bosrand aangekomen ontstaat verwarring en onenigheid over de meest geschikte kampeerplek. Zoeken we iets hierboven of verderop, tegen een helling? Of kamperen we in het dal achter de bosrand, onder de rook van het volgende dorpje Hain, in het zicht van de ruïne? Ik kan niet meer reconstrueren hoe de besluitvorming verloopt, maar het wordt een plekje onder aan een weiland in het dal, opzij van een rustig kabbelend beekje. Het kan daar vannacht vochtig worden, maar het is in ieder geval uit de wind. Het is een kwestie van geven en nemen.
Een boer nadert. De groep brengt traditiegetrouw oom Jan in stelling. De man waarschuwt ons dat wij niets, maar dan ook niets in de beek gooien, want er heerst Salmonella in het dorp. Wat? Waarom geen advies om daarom niet uit de beek te drinken? Dat ware redelijker geweest. Hij druipt af, na uitgebreid te zijn gerustgesteld over onze bedoelingen.
Als de schemering al is gevallen halen Jolanda en Joyce moedig water in het hoger gelegen dorp Hain, terwijl de rest het kamp opbouwt en het eten klaarmaakt. Op het menu staan boerenkool met worst en geraapte appelmoes.
Een kampvuur op deze plaats is de autochtone goden verzoeken, dus brengen we de avond gezellig door in de Mirakel, de tent die ons alle tochten trouw vergezelde. Dicht tegen elkaar gedrukt, zonder verder comfort, is er alleen maar ruimte voor verbale spelletjes en sterke TT‑verhalen, deze laatste mede ter introductie van TT'ers met een lage anciënniteit. Tijdens het drinken van koffie dan wel thee wordt het reeds enige uren smeulend meningsverschil uitgevochten over de vraag of deze TT'ers bij het nemen van groepsbesluiten wel of niet rekening met elkaar wensen te houden. Het uitspreken van de eigen goede bedoelingen, ondersteund door het uitdelen van Overveense arretjescake slepen ons door de dieptepunten van de discussie heen. Iedereen belooft beterschap en er wordt weer gezongen en gelachen. Over de Woman of Wright. Over Hoe jij heette (dat ben ik vergeten). Over het geheim van het lied Pridi-Pridi. En voordat wij voldaan naar de eigen tenten gaan klinkt nog het: "Gute Nacht, Freunde. Es wird Zeit für mich zu geh'n. Wass ich noch zu sagen hätte, dauert eine Zigarette und ein letztes Glas im Steh'n....".
De nacht biedt welverdiende rust aan onze afgebeulde leden. Alleen Els heeft moeite met de verwerking van de boerenkool, die ze te schielijk naar binnen zou hebben gewerkt. Zij woelt en draait in de binnentent van de (ook mijn) Mirakel, verlaat de tent om - toch niet in de beek ? - over te geven en gaat ten langen leste in de voortent slapen. Ik heb het met haar te doen, maar geloof niet dat het van de boerenkool komt en ook niet van de Salmonella. Ik houd het op de arretjescake, een product dat voortaan verboden moest worden.
Oom Jan
We worden wakker in de omstreden hoek van het eerste vlakke stuk in het natte dal. We staan nog in de schaduw. Het heeft gevroren, de tenten zijn wit en op de waterflessen naast de tent staat een laagje ijs. Na waspartijen in de frissigheid is er eerst kort kaartoverleg. We zijn gisteren niet helemaal gekomen waar JW had gepland en we hebben een inkoop probleem vandaag. Om niet teveel tijd te verliezen vertrekken Herman en Jolanda nog voor het ontbijt, om op brood uit te gaan. Uit hun wegblijven concluderen we dat het dorpje bij de ruïne geen bakker heeft en dat ze dus naar het naburig dorp zijn.
We doen het rustig aan. Op de helling, aan de andere kant van het dal, staat de zon. Daar moeten we ontbijten! Aan de andere kant van de weg, bij die bomvolle appelboom, over het hek, op dat weitje. Daar wordt water gekookt en het brood gesmeerd. 't is een stuk warmer als gisteren. De in de zon gesleepte tenten drogen voorspoedig. Rustig komen we bij van een nacht waarin een ieder de boerenkoolpureeballen op eigen wijze heeft verwerkt. In ieder geval weten we weer waar die naam vandaan komt.
De ochtendwandeling van Herman en Jolanda is succesvol. Ze komen terug met twee forse broden en chocola. Volgens hun verslag was het winkelbezoek eigenlijk een beetje pijnlijk uitgepakt. Ze hadden 2 van de 5 beschikbare broden gekocht, met nog 4 belangstellenden achten zich....
We pakken op en lopen eerst naar het dorpje bij de ruïne. Oom Jan en Herman besluiten zich hier, beneden aan de heuvel, in het zonnetje, op een bankje onder een tamme kastanje, mentaal voor te bereiden op de komende wandeling.
De rest klimt, zonder zak naar boven, naar de ruïne die ons al vanaf gisteren lokte en die de hele nacht geheimzinnig boven ons uit torende. We treffen een enorme, redelijk intacte, vierkante toren aan en resten van wat eens een fantastische burcht moet zijn geweest. Zalen, gangen, vensters, muren,... Het bouwwerk moet imposant zijn geweest. En dat allemaal op een unieke plek. Het uitzicht is kilometers ver. We kunnen de route van gisteren helemaal terug zien.
Na gebruikelijke foto's en dia's lopen we weer naar beneden.
De zakken zijn verdwenen. In de hoop ons de stuipen op het lijf te jagen, hebben oom Jan en Herman ze naar het speelweitje gesleept. Met glimmende ogen zitten ze achter een struik op het geplande succes te wachten. Maar, een "streek" is echter het laatste wat wij, lekker in de zon lopende en koutende TT'ers, van de achterblijvers verwachten. Dus wanneer er geen zakken aangetroffen worden is de enige zonnige gedachte in de groep: "De lieverds, ze hebben de zakken zeker vast naar de kroeg gesleept". Jammer, maar nee dus. Wel even lachen.
Op naar een kroeg, met koffie en gebak. Jammer genoeg is het hier een beetje onbewoond. We vinden een kroeg, maar de niet al te welwillende (of misschien wel overdonderde) dame meldt dat er alleen koffie, thee of bier te verkrijgen is. Verder niets. Geen gebak, want: "Es lohnt sich nicht"...snuf.
De koffie is smoezelig, bij Jo drijven er "stukjes" in de thee en de bedorven lucht in het etablissement verraad dat op de besloten rokerige bijeenkomst van gisteravond vooral bier geschonken is. Tot onze verbazing staat er een katoenplant in de vensterbank. Zou dit een diepere betekenis hebben?!
Buiten is het stukken beter. De tenten worden nog even in de zon gedroogd en in de buitenwc's wordt de laatste hand aan het toilet gelegd. De zon heeft onze stemming gunstig beïnvloed, wat resulteert in een aantal giechelige limericks, waarvan slechts de eerste regel van eentje bewaard is gebleven: "Er was eens een stel uit Lunetten..."
De tenten worden gepakt, water wordt ingenomen en de schoenen op lopen vastgeveterd voor de aanstaande wandeling. We volgen eerst een onverharde weg langs nog wat huizen met valse honden en daarna worden het weer bospaden. We lopen heel wat af, naar een dorp en weer terug, omhoog en weer naar beneden, we schieten er alleen niet veel mee op. Ondanks de missie van Jo en Herman, en dankzij de burcht en de kroeg, is de achterstand die we inmiddels op ons loopplan hebben groot. Dat wordt flink doorlopen, lunchen onderweg en geen kroegoponthoud!
Volgens de kaart zou onze route over een prachtig vlak pad langs een beekje lopen. We beloven onszelf een rustplekje langs die beek. Maar, helaas, het pad is niet vlak en de beek stroomt ook niet meer zoals die dat volgens de kaart zou doen. Het pad is dicht begroeid en het lopen is vermoeiend. We besluiten we de lunch toch nog maar even uit te stellen. Er wordt dus even kort gerust op een zijpad, met chocola en nootjes. Het is fris!
Als we eindelijk het dal uitklimmen naar het dorpje is het al later in de middag. Het waait inmiddels ook flink, dus zoeken een beschutte plek voor de lunch. Verspieders worden er op uit gezonden. Wij blijven in de luwte van het bos, aan de rand van het sportveld wachten op goede berichten. Achter het veld blijkt een holle weg langs een dalletje te zijn, waar we beschut kunnen picknicken. Marion en Herman storten zich op het smeren en beleggen, er wordt water gekookt en er speelt zich een ware ruilhandel af rond de meegebrachte zakjes soep. Oom Jan maakt zichzelf een meer dan lekkere boterham. Het fenomeen "pindakaas met nootjes" krijgt vandaag een nieuwe betekenis! We voelen ons wat bekeken en begluurd: beneden voor ons door koeien en schuin achter boven ons door een nieuwsgierig dorp. Jammer genoeg lijken we misschien wat bedreigend (heren, voortaan allemaal scheergerij mee!), want niemand meldt zich met dampende chocolademelk en warme Apfelstrudel.
Desondanks storten we ons toch redelijk voldaan op de rest van de route. Het beekpad blijkt nu een hobbelig, begroeid, sterk dalend en stijgend modderpad te zijn. Het is al later in de middag, als we in een volgend dorpje aankomen. We rusten even want de knieën van Gabriëlle en Herman doen niet helemaal meer wat er van ze verwacht wordt. Gezien de vorderende middag overleggen we over de dichtstbijzijnde slaapplaats. Volgens de kaart moet er direct na het dorp, bij een hutje, net buiten het Natur Schutz Gebiet iets te vinden zijn. Oom Jan, JW en Els gaan in hoog tempo voorop om de situatie te verkennen. Dan volgt er een groep in een aangepast knieën tempo. De rij wordt gesloten door Marion en Jo die in het dorp nog even naar huis proberen te bellen. Zij zullen de groep wel weer inhalen. Voor dit tweetal worden duidelijke pijlen achtergelaten.
Direct na het dorp gaat onze route eerst over een asfaltweg, langs perfecte, doch zeer in het zicht liggende, grasvelden. Daarna belanden we direct al in het Niet Stiekem Gamperen gebied. Langs de weg naar de hut zien we open stukken en wildbanen, maar niet echt een geschikte kampeerplek. Trekkers en boswachtersauto's rijden ons voorbij, wat allemaal toch wel wat ongemakkelijk is. Het wordt al donkerder. De hut blijkt bij een kruising van wegen te staan en donker en onguur te zijn. In het bos eromheen zou het kleinste tentje van Willem nog niet opgezet kunnen worden. Terug dus, voordat de rest overbodig ver loopt. Dan maar Wel Stiekem Gamperen in het NSG-gebied. De groep met het Knieëntempo komen we tegen bij de wildbaan. Het verspiedwerk van Albert en Aldert in het laatste licht, levert ook niets op. Het is inmiddels pikdonker geworden. Marion en Jo hebben moeite de laatste pijlen te zien, maar sluiten zich toch ook weer bij ons aan. We besluiten dan maar hier, langs de weg, achter een haag, langs de rand van de wildbaan, te kamperen. Op dat moment komt er weer een auto aan. We duiken het struweel in en duimen dat er niemand is gezien in het licht van de koplampen. Het was een boswachter....
Het is koud en donker. We zetten de tenten bijna blindelings op, tot Peter met zijn zaklampje ontdekt dat op de eerste rand waar we willen gaan staan jonge aanplant staat. Omdat we terdege beseffen dat we sowieso al fout zitten verkassen we toch maar iets. Zo gauw de tenten staan drinken we een vingerhoedje om de ergste onrust en kou te verdrijven. Dat werkt. Ook de beschutting van het donker en het feit dat er geen auto's meer langs rijden doet ons iets meer op ons gemak voelen. Er worden een paar plaggen uit het gras gestoken, stenen gehaald, hout gesprokkeld en al gauw, hebben we een bescheiden vuurtje. Het duurt lang voordat het water tot koken is te bewegen. De rode kool wonderstamppot smaakt prima. We wassen af, maar het is wel koud, koud en nog eens koud. De lucht is helder geworden, sterren beschijnen ons, het moet nu al vriezen. De borrels en verhitte gesprekken houden ons maar net op temperatuur. Jan Willem maakt nog wat truukfoto's: Peter met z'n hoofd in z'n hand en Aldert en z'n tweelingbroer. Als we hierna tanden willen gaan poetsen -zal het 20.00 uur geweest zijn?- staat het ijs al in de waterflesjes. Reden temeer om er snel in te duiken.
Om half zes verlaat ik, de enige foet van deze TT, mijn matig warme slaapzak om de dichtstbijzijnde boom van enig warm dampend vocht te voorzien. Maan en sterren staan aan een heldere hemel. Stille silhouetten van bomen tekenen zich af. De vier tenten zijn tot de nok toe bedekt met een zilverglimmende laag ijs. Snel weer terug onder het dons.
Rond acht uur begeven Jolanda en ik ons naar het dorp Ramersbach om inkopen te doen. Onderweg genieten we van de groen-geel-rood-bruin beboste heuvels en de nevelige dalen, waarboven de strakblauwe hemel de nieuwe dag aankondigt. De enige winkel in het dorp heeft alleen nog twee gesneden wit over. Ik vraag argeloos of er `in der Nähe' een bakker is. De winkelier vraagt wat ik versta onder `in der Nähe'. Een paar dorpen verderop is wel een bakker, en na elven krijgt hij zelf weer vers brood. We kopen dus maar de witte broden, plus crackers, plus yoghurt, plus melk, plus chocola, en keren terug naar de kampplaats, nagestaard door de winkelier en zijn oude moeder, die ons beurtelings vriendelijk te woord stonden.
Terug in het kamp heerst nog enige opschudding vanwege het bezoek van een boswachter in rode auto. De man had een kwetsbaar moment gekozen door tijdens de ochtendafzondering van oom Jan het kamp binnen te vallen. Els en Peter stonden hem te woord, en kregen, weliswaar op vriendelijke toon, te horen dat het hier een `Naturschutzgebiet' en bovendien wildbaan betrof, waar kamperen en zeker kampvuren uit den boze zijn. Onze delegatie bracht naar voren dat we gisteren eigenlijk de camping te Altenahr (12 km verderop!) hadden willen bereiken, maar dit door de duisternis overvallen hadden moeten opgeven. Na uitgebreide verzekeringen dat alles weer in goede orde zou worden achtergelaten, en nadat steeds meer bevallige dames uit de tenten tevoorschijn waren gekomen, vertrok de man. Achteraf bleken sommigen de ambtenaar in zijn rode auto al gisteravond voorbij te hebben zien komen. Kennelijk had hij toen een oogje toegeknepen, hetgeen volgens oom Jan een goed voorbeeld was van een Christelijke toepassing van de wet.
Om tien uur vertrekken we, en elke schrede brengt ons dieper in het woud, waar groen, geel, rood en bruin elkaar verdringen. Slechts het ruisen van een boom, het breken van een twijg onder een schoen en een zucht van een neef of nicht verbreken de stilte. Om de twintig meter treft oom Jan een prima kampeerplek aan. We naderen een `Schutzhütte' met uitzichttoren (max. 10 personen) op een heuveltop (506 m), en beklimmen deze onmiddellijk. Een fantastisch landschap van heuvels en dalen met bossen en rivieren, dorpen, wegen, torens en kastelen spreidt zich onder ons uit. Alleen de rookpluimen en bruine nevels aan de noordelijke horizon doen ons eraan herinneren dat de wereld niet alleen natuur is. Met moeite nemen we afscheid van dit tafereel, dat met name bij Jolanda het gemoed doet overlopen van ontroering.
We lopen verder door het woud, zo nu en dan versterkt door een stuk chocolade, terwijl we ons prepareren op het menu van het Waldberghaus, dat we aanstonds zullen bereiken. Bij voorbaat kwijlend van Sachertorte en warme chocola die ons ten deel zullen vallen bereiken we de uitspanning, die het opschrift `heute Ruhetag' blijkt te dragen. Van teleurstelling bij ons is niets te merken. We vinden een plekje in het groen, en hangen de natte tenten uit op het terras. Stoelen worden verplaatst naar onze eetplek, alwaar oom Jan de melk warmt, Joyce en Gabriëlle brood smeren, en Marion en Jan Willem de kaart bestuderen.
Na de lunch pakken we alles droog in en vervolgen de weg door het woud, steeds vaker achtervolgd door een helikopter met aanhangsel die we al op de uitzichttoren hadden ontwaard. Voorbijgangers vertellen ons dat het ding geloogde kalk over de bossen uitsproeit ter neutralisatie van de zure regen. Is hier weer een paard achter een wagen gespannen, of wordt er gedweild met de kraan open, zo vragen wij ons af. Op een open plek treffen we de gelande helikopter en wachten op haar vertrek, inderdaad met een aanhangende bak met onduidelijk grof poeder.
Na enige tijd schudden we helikopter en poeder van ons af en zien door de bomen heen het langverbeide Ahrdal met haar wijnhellingen schemeren. Het grote doel der dag is voor ons opgedoemd. Na een knieënslopende afdaling bereiken we een driesprong. Linksaf direct naar de camping, rechtsaf langs de Ahr naar Altenahr, of rechtdoor over een heuveltop gevolgd door steile afdaling naar Altenahr. Een boeiend groepsproces komt op gang, leidend tot het enige daadwerkelijke schisma van deze TT. Jan Willem, Peter, en ik beklimmen de heuveltop, de anderen gaan rechtsaf. Onze route blijkt een beklimming van Zwitserse allure: glijdende zandpaadjes, uitgehakte rotsen en haarspeldbochtjes brengen ons op de top, met links en rechts de gapende diepte van het Ahrdal. We bereiken het zwarte kruis op de uiterste punt, vinden een toerist bereid een foto van ons te maken, zwaaien naar neven en nichten beneden, en dalen weer steil af.
Als na enig zoeken Els en oom Jan uit de souvenir- en kaartenwinkeltjes geplukt zijn trekt de groep ter Konditorei voor warme dranken en Kuche met Schlagsahne. Peter en Herman offeren zich op om boodschappen te gaan doen voor wat een bijzondere maaltijd zou worden. We begeven ons naar de camping aan de Ahr alwaar de warme douche lonkt en verder alles oud en vergaan is. Ons tentenkamp verrijst, en een unieke NederDuitse kaasfondue (Emmenthaler, Edammer, Leerdammer) wordt met veel smaak genoten. Ten behoeve van de afwas bezet oom Jan een nabijgelegen schuur met verlichting, alwaar we de bestofte gastenboeken van de afgelopen jaren doornemen alvorens de vaat te doen.
Om de dag waardig te besluiten trekken we Altenahr nog eenmaal in om een Stube te bezoeken. Opnieuw treedt een groepsproces in werking en de eerste twintig gelegenheden worden afgekeurd. Redenen hiervoor zijn: te oud publiek, te slechte band, teveel spiegels, te rokerig, te hoge prijzen. Na het hele dorp door te zijn geweest keren we om en nemen de eerste de beste kroeg, zonder klanten, zonder band, zonder spiegels, niet rokerig, die achteraf toch duur blijkt te zijn. Een aantal gezelschapsspellen komt op tafel, waarvan ik me vooral scrabble herinner, dat ik verloor omdat ik de anderen aan schitterende woorden hielp, die ik met het oog op de distributie van dit verslag onvermeld laat. Verder blijkt mijn bril iedereen goed te staan.
Terug op de camping leggen we ons ter ruste. Afgezien van de autoweg aan de overzijde van de Ahr, de belendende spoorweg, en de luidruchtige campinggasten die 's nachts terugkomen van een avondje stappen, is het net zo stil als toen ik vanochtend mijn slaapzak verliet. Even later valt de eerste regen van deze TT, die ons tot de volgende ochtend met haar zachte ruisen in een diepe droomloze slaap houdt.
Zo, we hebben het weer geweten. Vanavond zéker geen camping meer! Het wordt tijd dat we het eens hardop bekennen: we zijn hardleers. We sjouwen vaker naar een camping bij een dorp, wegens vermeende douche- en kroeggenoegens, maar ook deze overnachting leerde ons weer dat onze verwachtingen doorgaans mooier zijn dan de realiteit. De douches waren slechts voor enkelen warm, het campinggrasveld was knalhard en we zijn tot zeer laat wakker gehouden door die lantaarnpaal, die trein, die weg en luidruchtige en over onze scheerlijnen struikelende "campinggasten". Daar bovenop was het kroeggenoegen niet zoals vroeger, duur en warm. Gek, we verkiezen zo duidelijk een bosplek en een vuurtje en toch trappen we er weer in.
Nou ja, zo erg was het ook weer niet, alhoewel, achteraf bezien, het zat allemaal niet zo mee vandaag, misschien ook wel door dit alles... Maar laat ik even van voor af aan beginnen:
Bij het wakker worden besef ik dat Peter en Gabriëlle bij oom Jan en mij in de tent liggen. Eruit kruipend vertelt oom Jan me in vertrouwen dat hij vervelend puntige oortjes heeft opgelopen vannacht. Hij heeft z'n oren zo moeten spitsen om het geroezemoes tussen Peter en Gabriëlle te kunnen verstaan, dat hij er helemaal iebelig van is. (Lag het soms daaraan?)
O ja, ik vergeet te vertellen dat JW en Jo een nacht verlof hebben gekregen van hun chaperonewerk. Zijn hadden vannacht dus het rijk alleen in Pé en Gab's tent. (Zou het dà;t zijn geweest?!?).
Zo, tijd om op te staan. De zon staat op de berg, maar nog niet op de tenten. Dat is jammer want die zijn nog nat van de regen van vannacht. Hu, het is koud. Toch prettig dat de wasrituelen snel in een washok afgehandeld kunnen worden. Al gauw kookt het water en kunnen we tussen onze tenten ontbijten. In alle vroegte heeft Jo van die lekkere Kaiserbrödchen gehaald. De fondueresten worden uit de pan gesneden en in plakjes op het verse brood gegeten. (Aan het ontbijt lag het dus niet!) We denken in de beschutting van ons tentenkringetje wat privacy te hebben en ongestoord te kunnen eten. We worden echter genadeloos begluurd door de hele campingbevolking, vanuit, zo te zien, goed verwarmde caravans. Ai... Jo stoot de jus om en krijgt -letterlijk en figuurlijk- een volle lading over zich heen. (Dit alles was wat ongemakkelijk...)
JW beziet nog eens de kaart. Hij heeft een mooi plan voor vandaag, maar hoort ook dat Gabriëlle al rusteloos de treintijden van morgen nakijkt. Met stijgende ongerustheid beluistert hij de knieklachten van Herman en Gabriëlle. Daarbovenop worden ongesteldheden aangekondigd, de zwaarte van de tocht van gisteren wordt nog eens breed uitgemeten, met Joyce moeten we sowieso voorzichtig doen.... O jé! (nee, niet O.J. maar o jé) Je ziet hem denken: "Het plan loopt gevaar. Gisteren liep het gros ook al het mooiste stuk mis. En nu het mooiste stuk missen om morgen relaxed een trein te kunnen halen?! Dat mag niet gebeuren! Zwijgen verder! "
Maar dan -o oen- gaat het gesprek toch over het plan voor vandaag: een prachtige route, iets zwaarder dan gisteren, met een extra afdaling en een klim langs een lus van de Ahr. Enkelen vinden dit extra -mede om anderen- teveel van het goede en willen Willem vandaag niet overal volgen. Ook niet als hij zonder overleg ver voorop gaat lopen. Dit wordt op subtiele en vooral indirecte, doch niet mis te verstane wijze geventileerd.
Kijk aan, zo ontwikkelt zich een probleem. Eerst heb je een gewoon ontbijt gesprek. Daarna worden doodnormale opmerkingen door de uitspreker iets serieuzer gedaan dan normaal en door de luisteraar niet zo serieus genomen als normaal... Niets aan de hand, kan gebeuren, we pakken gewoon op, maar van binnen wel iets minder tolerant als normaal. Doorgaans schijnt de zon er een goed uurtje op, of worden enkele frustraties in bepaalde vertrouwensrelaties gedeeld en betijt het. Stress? Slaapgebrek? Drankgebruik? Iets maakt dat we vanmorgen toch ongemerkt wat feller enkele stellingen betrekken.
Het oppakken duurt wat lang, dus besluiten Jo, Marion en ik vast vooruit te gaan om in Altenahr chocola en fruit in te slaan, zodat we daar geen oponthoud hoeven te hebben.
Als we de groep op de afgesproken plek treffen, blijkt het nodig te zijn de standpunten wat minder impliciet te ventileren. Onderling zijn enkele ideeën uitgewisseld en medestanders gezocht. Oom Jan denkt -in een gesprekje met Willem alleen- een goede oplossing te kunnen vinden. Hoe het mogelijk is begrijpt niemand, maar echt succes heeft hij niet. Inmenging door neven in het gesprek versterken Willems idee dat hem een vuile streek wordt geleverd en daar staan we dan.
Het mooiste van de hele tocht naar de knoppen. Van pure frustratie rukt hij de kaart af en keert zich van de groep. Ons rest niets anders dan de kaart over te nemen en op pad te gaan. Duimen dat Willem er achteraan komt. We zijn ontdaan en tegelijk allemaal overtuigd van ons eigen gelijk.
Misschien als "minst belaste" van de groep, doet Aldert een kaartleespoging.
We moeten eerst trappen op. Boven is een restaurant en uitzicht. Koffie met gebak doen we nu maar niet. Zou Willem eraan komen? We gaan maar door.
De route is mooi en gemakkelijk. Langs wijnhellingen en op hoogte lopen we langs de Ahr. Toch genieten we er beduidend minder van als anders. We zien dat JW achter ons aankomt. Hopen dat hij er een beetje overheen is. Na een uurtje of wat besluit Jo op hem te wachten. Ze zal hem een snoepje en een kusje geven, en dan zal het wel over zijn verwacht ze. Mooi niet hoor!
Oom Jan is ook nog steeds van slag. We lopen en we lopen. Het pad wordt door meer mensen bewandeld. Ook wordt er geoogst. De druiven zijn wat zuur. De chocola wordt tijdens een kleine pauze op een krappe richel langs het pad genuttigd. Als we weer omhangen, blijkt direct achter die richel een fraaie bank te staan. Weer zo'n klein pechje. De bladeren van de wijnranken zijn bijna allemaal verdroogd en afgevallen. Zou men dat chemisch bewerkstelligen? We zullen maar niet te spontaan van de druiven snoepen.
We komen stukken tegen met blauwe druiventrossen, die bijna zwart afsteken tegen de bruine bladeren. Op een hoek blijkt een grote bak met druiven omgekiept te zijn. (Niet alleen wij hebben Misglück...) Het dal is mooi. De dorpjes lopen we voorbij. We komen ook voorbij een bord dat we in eerste instantie niet helemaal begrijpen: Wen Gott liebt, den lässt er fallen in dieses Land. Na een wat zorgvuldiger vertaling, beseffen we dat de mensen die hier wonen begenadigd zijn, maar ook behoorlijke smakken hebben gemaakt.
Na een kleine piespauze -op een uitzichtpunt- gaan we de berg over. Het is inmiddels wat betrokken, kouder geworden en het waait op de top. Op een ijskoude hoek ververst Gabriëlle de pleisters. De jacks worden ook weer te voorschijn gehaald. Het pad is niet helemaal duidelijk meer. Aldert en oom Jan leiden ons kriskras over de top, langs beienweiden. Het is gaan miezeren en foei wat is het koud. Ongemerkt heeft JW ons toch ingelopen en aanschouwt nu hoe Aldert, Peter en oom Jan tobben met de route. We lopen fout en je kunt de gevoelens hierover van enkelingen bijna proeven...
In de buurt moet een hutje zijn, waar we willen lunchen en iets warms maken. Na enig zoeken vinden we het op een uitzichtpunt. Waarom ik denk dat hier een bus langs moet komen weet ik niet meer, maar daar ging het gesprek wel over. We eten. De primus wordt gefakkeld, soep wordt uitgewisseld en we proberen elkaar warm te wrijven. Dikke boterhammen kaas en pindakaas, pure hagel en banketbakkersmelkhagel zijn nodig. Een en ander is een beetje (echt een beetje hoor) aan het betijen. Na nog meer warmwrijverijen gaan we verder.
Eerst naar beneden, naar een dorpje waar we de boodschappen voor ons slotmaal moeten doen. Er worden allerlei lekkere zaken ingeslagen en extra drank en chocola, want we moeten nog omhoog. Het water wordt uit de plaatselijke pomp/bron gehaald. We drinken voor het omhangen alvast een klein slokje Apfelkorn om warm te worden. Dan lopen we het dorp uit. Omhoog! Weer langs de wijnhellingen, later over een zigzag asfaltweg. Het is inmiddels gaan regenen (Scheisse!). We moeten elkaar moed in praten. De chocola is hard nodig om ons omhoog te helpen, want veel veerkracht zit er niet meer in. We lopen verder naar een pad dat ons bij de laatste overnachtingsplek moet brengen. Op de kaart moet dat pad naar een vlak en verlaten stuk leiden. Wanneer we het bos uitkomen, blijkt de kaart enige mankementen te vertonen. Een eng hek, enge honden en enge kerels bewaken iets engs. Hier kunnen we niet zomaar ongemerkt staan. In mijn gedachten was dit een enorm terrein met een burcht vol militaire en/of atomaire ongein. Erlangs dus. Over een breed -misschien wel door tanks bereden- bospad. De hut die we hierna aantreffen ligt nog zo vlak bij dat engs, dat zelfs de kniezwoegers hem afwijzen. Verder, alsmaar verder. Bij de laatste hut vlak voor de bewoonde wereld moeten we wel gaan staan. Verder kan niet, want de hoogtelijnen duiden niet op nog een vlakke plek daarna.
Bij de brandtoren treffen we weer een bushuisje aan. Hier moet het dan. Veel plek is er niet. Met passen en meten worden de drie kleine tentjes achter het hutje gefrommeld en de mirakel tussen de toren, bramen en de hut. Een vuurtje moet wel, want het is inmiddels snijdend koud geworden.
Met de daarstraks ingeslagen Apfelkorn doe ik nog een poging wat ijs weg te smelten bij JW en OJ. Het hele flesje gaat er aan op (en ik heb er niets van gedronken!) Het vuur moet de rest doen.
De foto's verraden niet echt waar het menu uit bestond, wat ik nog wel weet: het was voedzaam en heet. Gelukkig was het hutje daar. We drogen de theedoeken bij het vuur, babbelen nog wat en gaan dan snel te bed, want nogmaals: foei wat is het koud.
Aldert is als eerste uit de (dons)veren om zich te storten op het Duitse roggebrood. Om het te snijden weliswaar, en dat met een klein mes, want uit de tent van Peet en Gaby (die het broodsnijmes onder hun hoede hebben) komt nog geen sjoege, ondanks herhaald aandringen. Zij zijn dan ook de langslapers van vandaag.
Ons laatste ontbijt gaat ook de laatste puur-hagel op. Crackers met suiker leveren ook nog de nodige energie om in vlot tempo enkele tenten op te breken. Er is namelijk een dreigende lucht. De temperatuur op onze lichtgewicht thermometer wijst 5 graden boven nul.
De regen blijft uit, de zon breekt zelfs door en maakt het bos veel vrolijker dan gisteren. Terwijl wij de rest inpakken bij onze kerststal, komen er zelfs enkele wandelaars voorbij en zien we een man op een brommer, die door sommigen van ons angstig en argwanend wordt bekeken: het zou de boswachter weleens kunnen zijn. Maar nee hoor, geen reden voor paniek, hij tuft voorbij.
We evenaren (volgens Jan Willem) de vertrektijd van '78, want iets over half tien staan we wandelklaar. Dat betekent voor Gabriëlle wel iets bijzonders: bij steile hellingen daalt ze achterstevoren, haar voeten voelen vandaag vreemd.
De diepe, donkere bossen waar we vannacht ons kampement hadden opgeslagen, blijken te grenzen aan een grooote stad. Plotsklaps hebben we uitzicht op Ahrweiler. We zien de oude stad met muren en een poort. Verderop staan flats etc. etc. We zetten ons aan de afdaling. Nu blijkt de kaart z'n beste tijd gehad te hebben. Misschien was de kaarttekenaar wat beneveld door de wijn toen hij de wijnhellingen moest weergeven. De weggetjes erlangs kloppen niet. Maar wij kennen ons doel en gaan moedig voort. Ineens staan we voor een monument voor 'vijf pils voor de houtzagerij'. Staanders voor een hoge brug torenen boven ons uit, maar de brug ontbreekt. Als echte cultuurminnaars lezen we het bordje. Het blijkt allemaal weer om de politiek te draaien: 1910 start men de bouw om erts van Elzas Lotharingen naar 't Ruhrgebied te vervoeren. De 1e W.O. stopt de bouw. In 1919 gaat men verder, maar men mag maar 1 spoor maken, wegens het verdrag van Versailles. In 1924 stopt men weer. Elzas Lotharingen is weer Frans gebied.
De stad wordt bereikt en ons eerste doel is natuurlijk een Konditorei. Er staat veel lekkere taart, er is een klein kamertje met piepkleine tafels, waar wij met onze rugzakken en bemodderde schoenen neerstrijken. Bij de Kännchen chocola, thee of kaffee, kiezen we ieder een, zelfs twee keer een stuk gebak. De Bienenstich loopt het best. Peter en Gabriëlle worden afgezoend, want hun wacht nog een treinreis dieper Duitsland in. Gabriëlle gaat zingen met haar koor. De rest van 't gezelschap eet en drinkt en bezoekt de wc die (arme eigenares) boven aan een trap ligt. En het was allemaal zo netjes toen we kwamen: vloeren schoon, plantje in de vensterbank, foto van het oude Ahrweiler aan de muur. Met het plantje hebben we niets gedaan, de foto alleen maar bekeken, maar de vloer...Joyce veegt met haar voet de modder wat opzij. De geur van een houtvuurtje zal na ons vertrek nog lang blijven hangen.
We hebben nog een uur om de oude stad te bekijken. In groepjes gaan we uiteen, de rugzakken laten we tegen de etalage van de Konditorei staan. De oude kerk (uit 12...) is gerestaureerd, maar wat kitscherig: de gele stenen blijken erop geschilderd te zijn. Meer indruk maakt op mij een kleine synagoge, waarbij staat geschreven dat die verwoest was in de 2e W.O. en herbouwd door de Burgerverein. Nu is het een culturele ruimte. De vroeger bloeiende Jodengemeente is verdwenen...
De oude straatjes bestaan vrijwel alleen uit kleine winkels. Cadeautjes, ansichtkaarten en wat lekkers voor in de trein worden gekocht. Bij de kerkfontein verzamelen. Naar 't station. Dan blijken we het leukste stukje Ahrweiler te hebben gehad. De rest is bekende moderne stad. De treinrit naar Remagen duurt
een kwartiertje, de treinrit naar Köln een halfuur. Els, Jo en Marion zijn van de restauratie en bieden ieder een broodje ham, paté of kaas (van die lekkere Duitse) Er is net tijd om nog sap te drinken en dan zijn we al in Köln.
Sommigen zijn onverzadigbaar: op elk perron staat een tentje. Van die op ons perron wordt driftig Brot mit Bratwurst gekocht.
De trein is leeg. Onze gereserveerde plaatsen zijn aanwezig, maar nu hoeven we ze niet. We kiezen plaatsen tegenover elkaar, met tafeltje ertussen. Tijd voor (je gelooft het niet) yoghurt en chocola, lezen van oude en nieuwe Volkskranten, praten, een spelletje, naar buiten kijken, stilvallen... Om tien voor half 6 begroeten George, oom Wim en tante Georgine ons in Utrecht.
Voor 3,50 wil oom Jan nog wel z'n rugzak in een te klein maar veilig kluisje persen. Herman ziet er van af om zijn enorme rugzak te laten bewaken bij het bagagedepot. Dat zou hem 7,00 kosten. "gouden handel" zegt hij en hij krijgt de wanten van Jo aangeboden wegens de koude handen die hij zou hebben.
Het Wed. Plaka. Irene en Ron verschijnen ook. Thuis wordt gebeld en alle kinderen gezond gemeld. De bestelling komt. Tante Georgine krijgt een kwart lam om te bewerken. Ouzo gaat er wel in. Dan volgen, als vanouds, de verhalen. Aldert en ik knijpen er stilletjes tussenuit, want het huisfront trekt. Kus, Kus en tot ziens de 7e november bij Irene en Ron.