Dagverslagen 1990-TT14

Mag ik je allereerst feliciteren met het feit dat je dit exemplaar in handen hebt gekregen. Van harte! Hoewel hij een ietsje belegen is, is niets van de drie jaar geleden erin gestoken kwaliteit verloren gegaan. Verheug je dus maar op een aardig uurtje leesplezier!

Nu pas TT90 lezen is misschien wel verwarrend, maar ik zal je even op gang helpen: we vertrokken op 13/10/90 met een zeer beperkt gezelschapje (naweeën van TT13?!), met slechts 3 tentjes. Nou ja, tentjes... één condensmonstertje met JW en Jo), inderdaad één tentje met Peter Gabriëlle (nieuw en misleid) en natuurlijk de grote Dassentent, met alle single ladies -Georgine, Irene en Els- en oom Jan, in de bufferzone. We vertrokken met een prima nazomerweertje naar Ettelbrück te Luxemburg. Vandaar zijn we, uiteraard via de meest fraaie paden, dorpjes, buitjes en bossen naar Kautenbach gelopen. Maar daar verhalen de volgende schrijvers uitgebreid van.

Zaterdag is een debuut verhaal van Gabriëlle. De zondag heeft Willem na 3 jaar nog eens uit de kaarten gelezen. De maandag is een genoeglijke pennenvrucht van Georgine. De dinsdag is oorspronkelijk van Irene en de woensdag een verhaal van oom Jan. Peter beschrijft tot slot de donderdag.

Veel leesplezier, Els

De eerste TT‑dag; sterker nog, voor mij überhaupt de eerste TT‑dag! Ik heb maar aangeboden het verslag van deze dag te schrijven want men blijkt zich regelmatig nerveus af te vragen of ik het wel naar mijn zin heb, of ik wel de goede schoenen aan heb, of Peter de rest van mijn loopuitrusting wel geïnspecteerd heeft, of ik überhaupt wel eens gewandeld heb en vooral: of ik de familie wel aardig zal vinden!

(Het voordeel van het verslag schrijven is, dat je de feiten naar believen kunt verdraaien, aanpassen, vergeten en aanvullen!)

Na een rustige, voor mij vooral met cryptogrammen gevulde treinreis, komen we in Ettelbrück aan. Ik denk dat we nu dan toch eindelijk aan de overlevingstocht zullen beginnen -ik ben namelijk goed bang gemaakt van tevoren; "dan kan het altijd meevallen"-, maar we ploffen vrijwel direct neer op een terras met uitzicht op een prachtig beeld van een struise vrouw en jongetje met kikker en katapult in zijn broekzakken.

En dan, eindelijk, in de hitte van deze zomerse herfstdag (was het 24 graden Celcius?) beginnen we aan een lange klim naar boven. Wat ben ik blij dat ik toch nog even een hemdje en short in mijn rugzak heb gestopt!
Het wordt een mooie tocht, verrijkt met roze beertjes van oom Jan, spekkies van Irene en appels die Peter uit de boomgaard heeft gejat.

Ik had niet eerder getrokken in de herfst òf in Luxemburg, maar het is de moeite waard; verwilderde appelbomen met kanjers van appels en pruimenbomen met van die hele zoete, rijpe, kleurrijke bossen, veel paddestoelen, afijn, voor de lezers waarschijnlijk inmiddels bekend, saai, uitgekauwd, maar ik ben nog zo naïef dat ik onder elke vliegenzwam een kabouter zoek.

Tegen vijven vinden we (na veel overleg en gezoek) een heel mooi plekje in het bos.

Jolanda kan eindelijk haar zelfgemaakte kaas-uienbrood lozen dat ze de hele dag heeft meegesjouwd en de plastic fles met soep (ik heb nog nooit soep gezien die er zo smerig uitzag en toch zo lekker smaakte. Wat aten we nou eigenlijk, kinderoortjes op sterk water?) Als voorafje een flinke hoeveelheid alcohol en pinda's en als toetje een pan "wilde appelmoes"; niet gek voor zo'n eerste dag.

De meesten zijn zo moe dat ze al tegen 20.00 uur aanstalten maken om te gaan slapen. Ik vraag me overigens af of iedereen wel zo rustig zal slapen met al die enge mannen die door het bos lopen te ritselen.
Peter en ik moeten natuurlijk eerst nog even kijken of we alle sterrenbeelden kunnen terugvinden.

Tot besluit de meest intrigerende opmerking van deze dag: JW: "De positie in de groep is volgens mij kenmerkend voor de graad van verliefdheid bij bepaalde mensen". Is het in dit verband dan niet opvallend dat ik steeds uit verhalen van vorige trektochten hoor dat JW altijd achteraan liep?

Topografische kaarten zijn voor Jan Willem een onmisbaar onderdeel van zijn leven geworden. Aantekeningen hoeft hij nooit te maken als hij een TT‑dag moet beschrijven; ALLES VALT IN DE KAARTEN TE LEZEN..., óók drie en een half jaar later.

We worden wakker in een donker beukenbos. Het is een warme nacht geweest en het luie zweet heeft zich ruimschoots afgezet in het rechter gedeelte van de slaapzak en op het rechter slaapmatje..., inderdaad, Jolanda's kant. Zij zweet uitsluitend in haar slaap......... (Uit: 'Bedgeheimen van een hondenhok', uitg. de Bezige Bij, 1988).

Mijn rug kraakt; foei!, wat ben ik stijf! Dat ben ik toch niet gewend op een bed van beukenbladeren; ik wordt oud.

Goed, het is een uur of acht, windstil en helemaal niet koud. Jolanda kruipt uít de zak, ín haar kleren en uít de tent. Zij treft OJ en Georgine al rondscharrelend aan, installeert het warempel al afgewassen etensspul tussen de beukenbladeren en begint te smeren. Ik rol zakken en matten en wanneer ik naar buiten kom zijn Irene en Els ook al aan het rommelen. Peter en Gabriëlle niet, nog láng niet; zij zijn en blijven de hele week veruit de laatste ontwakers. Het mag: give love a chance...

Het ontbijt: rond een knappend vuurtje werken we onze boterhammetjes naar binnen tot in mijn gezichtsveld plotseling een viertal enggroene jagerslaarzen binnenwandelt...... GATVER!, niet weer hè. Het eerste echter dat me aan beide heren opvalt is de afwezigheid van ook maar enige agressie, dat scheelt. Het tweede is het goedkeurende gebaar wanneer ze Peters vuur bekijken; ze bedoelen het zorgvuldig ontbladerde grondoppervlak, waarop het vuurtje is aangelegd. Dat scheelt ook. Het zijn gewoon jagers, geen boswachters en dat scheelt waarschijnlijk het meest! Of wij maar binnen een uur of zo weg willen zijn, want dan begint het schieten..., dat toch wèl! Túúrlijk, zeggen wij opgelucht; géén probleem; dóen we... Zij groeten en vertrekken. Wij eten door en sluiten rustig onze maaltijd af.

Opruimen, inpakken en om halfelf ligt alles er weer even ongerept bij als gistermiddag. We lopen door de 'buitenwijken' van Mertzig. Voor het bovenraam van één van de huizen staat een kerel in een minuscuul slipje uitgebreid zijn behoefte te doen. Wij staan er niet bij stil en lopen al appels kegelend het dorp uit naar het westen, het onbekende tegemoet.

Het zal vandaag een vrij geasfalteerde wandeldag worden, lekker om rustig op gang te komen. Er is wel veel afwisseling van akkers, bos en weilanden. Af en toe klatert een beekje langs de hellingen naar beneden. Het zonnetje wordt warm; we stoppen even bij een buste van een meneer uit het verleden om onze korte broeken aan te trekken en voort gaat het weer. Van het asfalt af het bos in, een lang, plat, recht pad. Aan het eind daarvan ligt om de bocht een aantal grote pijpen bij een in aanbouw zijnde Wasserbaustelle o.i.d. Wij pauzeren, want we zijn moe. Chocola, kauwgom, pepermunt en, naast water, een appeltje voor de dorst, gevonden door OJ. Peter probeert zijn nek te breken op een lege elektriciteitskabelhaspel en komt een heel eind.

Het volk draalt; Els en ik brengen het zakie weer op gang. We dalen de berm af, het bos in en slingeren stroomopwaarts een idyllisch beekdalletje door. PRACHTIG! Voor zoiets doe je het nou. Bovendien wacht ons, volgens het geheugen van OJ, in Pratz, dat zo'n 3km. verderop ligt, een soort luilekkerland. Het pad leidt ons door bramen en brandnetels, hetgeen Peter en zijn vriendinnetje veelvuldig en langdurig achter doet blijven (Citaat: 'Mijn God, waar zijn ze weer gebleven...').

Wij lopen Pratz binnen; het blijkt een zeer, zéér langgerekt dorp te zijn, waarbij alle dorpsvoorzieningen aan de voor ons verkeerde kant van het dorp zijn gesitueerd. Maar het beloofde land wacht, wij lopen wel, daar zijn we niets te beroerd voor en ja hoor, na kilometers en kilometers vinden we een café-restaurant; geopend, dat wel, maar in die mate gevuld met schranzende dorpsbewoners (ik vond het dorp al zo leeg...) dat er voor óns geen plaats meer in de herberg is... en de koffie is er ook nog niet; nog een Viertelstunde warten bitte, daarna kan het buiten geserveerd worden. Gebak?, jawel!, Obsttorte, o.i.d. Wij vinden alles goed en installeren ons in het tegenoverliggende dorpspark op de rand van een leeg (peuter)bad met (niet werkende) fontein en twee uit oud ijzer opgetrokken fabelfiguren (ik hou het op vos en wolf).

De abrikozentaart komt, geen acht stukjes, nee, we kunnen alleen hele taarten afnemen en dat mag dan tegen inkoopsprijs. Wij laten hier de sponsoren Rutger en Hermien voor opdraaien en werken met vele dankbetuigingen zonder mankeren de hele taart naar binnen, gevolgd door de inmiddels afgeleverde koffie, thee en chocola. Omdat het inmiddels al hoog en breed lunchtijd is geweest koppelen we de daarbij horende maaltijd maar meteen aan vast. Het zonnetje schijnt, het gras ligt heerlijk zacht; Heer, wat is het leven mooi!

Oom Jan gooit zijn rugzak leeg; tientallen, honderden gigantische appels donderen er uit; de wonderbaarlijke spijziging is er níets bij... JW schilt en schilt en schilt en we eten, eten, eten... Na de allerlaatste appel is het plassen en pakken geblazen; we moeten weg! Maar weer is het Gabriëlle die het vertrek sterk weet te vertragen. Ze schijnt last van haar kleine teen te hebben en de aloude vraag -repareren of amputeren- komt weer op. Besloten wordt, hoe kinderachtig ook, tot afplakken; ze boft.

Wij gaan verder, kilometers terug, het dorp door en uit, langs de Roudbaach het Iedertwald in. In de Roudbaach komt de Breschterbaach uit. Hierlangs moeten wij verder. De kaarten beloven ons een prachtig beekdal, maar de in het bos aangebrachte merktekens leiden ons in een mum van tijd het beekdal weer uit. Tja, wat nu..... JW verkent een door de afgelopen winterstormen verpletterd stuk bos, vermoedt dat de route hier doorheen heeft gelopen en keert met zijn bevindingen terug. We besluiten boven te blijven. Het is al laat; vlakbij is het dorpje Eschette waar we water kunnen halen en snel daarna moeten we een plekje zoeken. Zo gezegd, zo gedaan.

We worden luid begroet in het dorp door (in Gabriëlles) kuitenhappende hondebeesten (ze is niet bang..., we weten weer iets meer over haar...). Water krijgen we bij de laatste boerderij, annex touringcarbedrijf, evenals toestemming om in de belendende percelen te bivakkeren. Naar beneden, bij de bosrand; daar is het redelijk vlak. Voorwaar, een mooi plekje, we treffen het. In het weiland ontspringt zelfs een beekje; het is daar niet zichtbaar, maar achter de bosrand is het een echt stroompje. Om in het bos te kunnen zetten we het hek open. Jonge essen die de toegang tot het beukenbos blokkeren worden door mij snel met mijn zakmes omgezaagd (het is, geloof ik, voor het eerst dat ik die zaag gebruik...). Bij de toegang tot het bos ligt nog iets anders; we houden het op een koeiennageboorte. Goed uitkijken vannacht; voor je het weet lig je er met je neus in.

Tenten opzetten en hout verzamelen; hoewel, dat laatste hoeft niet echt... In het weiland ligt een beuk; een paar jaar geleden omgewaaid en beladen met zeer bruikbaar brandhout. We besluiten in de directe omgeving ervan te dineren. De Dasjes verzorgen, bij afwezigheid van ons aller George, vandaag de boerenkoolmaaltijd (mèt worst). Peter plagt de vuurplaats, anderen breken beukentakken, weer anderen zorgen voor borrelbekers en -flessen en voor iedereen het oprecht goed beseft zitten we weer in opperste gezelligheid rond het vuur te babbelen, onder het genot van borrelnootjes, pekel, Els en boerenkool -nogmaals: mèt worst. Een uil laat zich horen, maar de wespen -die zich in de beuk blijken te hebben verstopt- niet meer, want de toegang tot het nest is vakkundig door onze technoneef dichtgestopt.

Er wordt op veelvuldig verzoek direct afgewassen (voortreffelijk mensen!; de complimenten van Jolanda). Thee(water op)zetten; het geeft weinig werk en veel genot. Kortom: wat hebben we het weer getroffen! Maar ja; wat vliegt de tijd bij gezelligheid en voor we het beseffen is het al weer zo ontzettend laat dat ieder omrolt van de slaap (het zal zo'n half tien geweest zijn...). Ach, morgen is er weer een dag. Welterusten!

Om 7.30 uur worden we wakker na een nacht van draaien en zweten: slaapzakrits open om te luchten, been eruit, slaapzakrits dicht omdat dat weer net iets te koud is, en zo de hele nacht door. We liggen met z'n drieën in de binnentent 'lekker warm tegen elkaar aan' dachten we nog, met in de voortent oom Jan, die vanwege een kapotte tentrits tussen de rugzakken en bergschoenen voor de tentopening is neergelegd als extra bescherming tegen de zo gevreesde herfsttochtkou. Maar deze goed voorbereide koudepreventie werkt tot nu toe in ons nadeel. Volgend jaar pakken we het anders aan.

We kamperen op een weiland in een dal. De zon schijnt al op de bijbehorende hoger gelegen boerderij waar we gisteren ons water hebben gehaald. Onze tenten, nat van het dalenochtendvocht, staan helaas nog in de schaduw.
Met volle blaas en darmen begeef Ik mij via de nageboorte naar het bos waar het al een drukte van jewelste is. Links van me zit er iemand te plassen, voor me uit staat iemand zich te scheren en achter me komt een volgende persoon in hoge nood zijnde (vermoed ik). Dit poept niet lekker. Ik bind m'n bergschoenen goed vast en begin een wandeling op zoek naar een rustig plekje, leen in het voorbijgaan wat water van mijn dominante vader (zie mijn boek: "Herinneringen aan mijn goede vader") en vind na een paar honderd meter een uiterst geschikte locatie.

We ontbijten op de omgevallen boom (die met het wespennest) die midden op het weiland ligt en stoken nog een vuurtje. Niet vanwege de kou, maar uit de macht der gewoonte. Rond 9.30 uur komt de eerste strook zon op de tenten. Tevreden naar dit schouwspel kijkend eten we onze boterhammen en babbelen we een beetje. Er wordt een naam voor het volgende kind van Jolanda en Jan Willem verzonnen (Sjoko), en ook de kots van vorig jaar komt nog even ter sprake terwijl we smakelijk onze boterhammen naar binnen werken.

Om 10.30 uur maken we aanstalten om te vertrekken. De spullen worden ingepakt en de tenten opgebroken.
Bij Jan Willem en Jolanda In de tent blijkt een klein muisje toevlucht te hebben gezocht voor de voor muizen zo gevreesde uilen die we vannacht tekeer hoorden gaan. De muis vergat echter een ding: de gevreesde Jan-Willem! Terwijl de tent om de muis heen wordt afgebroken, vlucht hij naar een rugzak. Helaas, ontdekt! Een groot monster komt op hem af met een enorme zwarte bek (of is het een snavel) die hij in kan trekken en uit kan duwen. Walgelijk, op de een of andere manier doet het de muis aan een paard denken. De muis is dol van angst. Met zijn klauwen duwt het monster de rugzak verder weg zodat de muis geen enkele dekking heeft om aan zijn zwarte inzoembek te ontsnappen. De zwarte bek nadert en nadert zoemend in en uit. De muis doet een laatste poging en rent weg zo hard hij kan, hij rent en rent en rent ……….
en ja, dankzij zijn zorgvuldig op uilen getrainde atletische muizenlichaam is hij het zwarte monster te snel af.
In een graspol ploft de muis uitgeput neer en met kloppend hart verzucht hij: 'muizes kriebel, wat een godvergeten teringmonster'. En Jan Willem verzucht, shit, te lang gewacht met het fotomaken.

Het Is om precies te zijn 10.50 uur als we onze rugzakken omdoen en vertrekken. We verlaten het weiland en duiken het bos in, passeren een beekje, klimmen d.m.v. een trappetje omhoog tot er opeens tussen de bomen en struiken een ruïne verschijnt. Alleen de muren staan nog. We maken een stretchfoto voor het uitkijkraam en een foto met de zelfontspanner. Het is nog steeds niet helemaal duidelijk hoe ver weg je moet staan om een stretchfoto te maken.
We vervolgen het paadje over de beboste kam, dat uitkomt op een asfaltweg. Het is warm dus er worden weer wat kleren uitgetrokken.

Het breedbekfotoapparaatje - door Els
Toen dit verslag voor een laatste controle door mijn handen ging trof ik plotseling op deze plek (hieronder dus) een ijselijke leegte met daarop heel dun een aantekening in potlood van oom Jan: "hier verhaaltje over Herman/Joyce die camera gaven?"...
Zonder twijfel moet hierover even breeduit gerept worden, maar tot wie richtte de goede man zich eigenlijk? Welnu, blijkbaar tot mij, dus let op ...

Er was eens een stel. Een lang stel, je kent ze wel. Dat stel dat zo bijzonder genoeglijk met ons mee trekt tijdens de herfsttochten: Joyce en Herman. Zij gingen dit jaar niet mee. Dat wil zeggen, hun fysieke aanwezigheid werd thuis verlangd. Maar in hun hartjes ...

Zij hadden echter een fijn plan bedacht om toch een bijdrage te leveren aan het TT‑genoegen en tegelijk het gemis aan hun brede blik wat te verzachten. Zij gaven hiertoe een speciale camera mee. Een zogenaamde breedbekcamera, die in één klik wel twee keer zo breed of twee keer zo hoog fotografeert.

En kijkaan, zowel dat stel, als wij hebben raak geschoten met dit unieke geschenk. Zo kwam het dat wij veel genoegen beleefden aan de afwezigheid van het lange stel. Afgezien van de eindeloze discussies over de reikwijdte van het ding, wie hem mag dragen, de stand die je moet aannemen om hiermee te fotograferen en wie "het" mag doen, wie de negatieven moet hebben, enz. enz.

Na een stuk asfaltweg, gevolgd door een bospad komen we bij een mooi dalletje uit. Op het kruispunt strijken we neer om een heerlijk stukje arretjescake te eten van Jolanda en Jan-Willem. Een mooie gelegenheid voor Peter om wat te communiceren met de aldaar aanwezige jonge koeien. Niet lang na deze pauze komen we In een dorpje:..' Hoewel niemand echt honger heeft na de arretjescake besluiten we toch te gaan lunchen bij een cafeetje op het terras omdat het nu eenmaal lunchtijd is. Uiteindelijk werkt Iedereen een behoorlijke lading brood naar binnen.

Els belt Ernst (de Oostenrijker) om hem te feliciteren met zijn verjaardag. Nog helemaal in de feeststemming van dit telefoontje maakt zij een dansje met een paraplu op het terras. M.n. haar kleding geeft het geheel nog wat extra aroma.

Om 14.15 uur verlaten we het dorp en stijgen we over een asfaltweg omhoog en dalen daarna af naar het stuwmeer. We pakken het bospaadje dat langs het stuwmeer loopt; omhoog, omlaag, omhoog, omlaag; mooi, maar knap vermoeiend in deze transpievocht-stimulerende omstandigheden, het is nl. ook nog eens vies benauwd weer.

Om 16.30 uur vinden we een kampeerplekje op een kruispunt met een picknicktafel. Jolanda + Peter gaan boodschappen doen. De rest zet de tenten op en zoekt hout voor een kampvuurtje (wat natuurlijk gezien de kou absoluut niet nodig is, maar wederom geldt hier de macht der gewoonte). Gabriëlle en Jan-Willem gaan zich bij het stuwmeer wassen, aantrekkelijk, maar ik denk dat ik maar wacht met wassen tot we bij een café zijn. Aan de picknicktafel nemen we een lekkere borrel met wat Stegermanworst en de sterke verhalen vliegen al snel over de tafel. Ondertussen vragen we ons bezorgd af of de boodschappenploeg ook wijn zal meenemen. Iemand neuriet een toon en gelijk barst iedereen spontaan los in het zingen van het Appelvrouwenlied. Dit lied beheerst sinds gisterenavond onze hersenen en is er niet meer uit te rammen. Iedere noot in ons hoofd leidt naar dit lied, andere melodieën worden door onze hersenen niet meer toegelaten. Het is rampzalig. Daarom hier nog even de tekst:

There once was a woman of Wright,
who ate too many apples and died
the apples fermented
inside her lamented
and made cider
inside her
inside

Om half zeven arriveren Jolanda en Peter in beschonken toestand.
Ze hebben onderweg een halve fles Jägermeister achterovergeslagen. Daarnaast hebben ze Apfelkorn (jasses) en het avondeten (spaghetti met sardientjes) gekocht. Brood hebben ze niet kunnen krijgen. Gelukkig heeft Jolanda voor noodgevallen knäckebröd bij zich, dus hoeven we morgen niet met een lege maag op weg.

Een aantal mensen gaat zich bezighouden met het avondeten, ik richt me op het kampvuur, mijn ideale bezigheid en tijdens deze herfsttocht heb ik daar eindelijk min of meer de vrije hand in, gezien de kleine groep. Ik leer wat voor'n kampvuur je bij verschillende weersomstandigheden moet aanleggen. Hier volgen ze:
- bij rustig weer: een piramide;
- bij winderig weer: plat met één laag haaks erop;
- bij storm: plat in V-vorm, wind jaagt vuur in de punt.
Een bijzonder interessante materie.

Het begint een beetje te druppelen, maar niet zo erg dat we een tent in moeten duiken.
Na wat geploeter bij de gaslamp is het avondeten klaar. We verlaten het kampvuur en gaan rond de picknicktafel zitten (daar sta je dan met je verantwoord opgebouwde vuurtje). De spaghetti is sober, maar smaakt desalniettemin heerlijk.
Om half elf gaan we bedwaarts. Tot die tijd worden er verschillende onderwerpen besproken: het moederschap, overwerk, part-time werk en natuurlijk komt de familie Reintjes ter sprake, zodat Gabriëlle weet in wat voor'n familie zij nu werkelijk terecht Is gekomen.
Zware onderwerpen, zodat we uitgeput onze tent induiken en daar wederom een warme nacht tegemoet gaan.

Georgine

Irene vertelt dit aan haar pa, en die vertelt het weer door aan Georgine en die weer aan Jan-Willem. En zo kwam er na maanden wachten toch nog een verslag tot stand.

Het druilregent als we opstaan. De kampeerplek hier aan de T-kruising op de hoogvlakte ten noorden van het Lac de la Haute-Sûre doet vriendelijker aan dan gisteren. Peter en Gabriëlle staan met hun tent onder de donkere bomen achter de kampvuurplaats aan de andere kant van het pad. De rest van de groep staat op een open plek aan deze kant, rond een oude eikeboom.

Wij doen onze ochtendplasjes in een straal van 100 meter, opgevrolijkt door opvallend veel prachtige rode vliegenzwammen. Els hijst zich In de groene pyjamabroek van pa, die ze van hem leende, omdat haar eigen broek het gisteren in het kruis begaf. Om 9.00 uur ontbijten we aan de picknicktafel. Gezien de kleine groep is er voor iedereen een plekje. De regen druilt maar door. We beschermen ons ertegen met twee grote paraplus, die me doen denken aan de Venz reclame, maar nu zijn de druppels helaas geen chocoladehagelslag. De broodvoorraad is definitief op. Er zijn nog crackers, kaas-uienbrood en muesli.
Deze ontbijtende TT'ers leveren een gezellig tafereeltje op. Foto! Pa en Jan- Willem voeren een fel cameraduel, waarvan de uitslag al bij voorbaat vast staat.

Volgens de kaartinsiders -altijd dezelfden- wordt het vandaag ene flinke route. Toch vertrekken we weer eens veel te laat: rond kwart voor elf. Peter en Gabriëlle hebben zich ondertussen lekker kunnen wassen, helemaal beneden aan het meer.

Wij volgen een mooi pad aan de noordkant van het meer. Ruim twee uur lopen we daarover, dalend en stijgend, door de stromende regen. Alles is nu even nat, ook door het zweten. Rond één uur komen we in Liefrange, een klein Ardennendorpje met een grote camping. Daarop is een café, het enige dat open is in dit verlaten oord. Het Is er warm en droog en dat is nu net wat we nodig hebben. De wat oudere Luxemburgse campinggasten die er uitgebreid zitten te eten, staren ons wat verbaasd aan. Wij hangen onze natte kleren zoveel mogelijk over kapstokhaken, stoelen en verwarmingsbuizen en bestellen Luxemburg-Soupe met brood.

Er worden diepe borden neergezet, Peter krijgt een lepel geserveerd met bloed eraan. Pa heeft dorst als een dolleman (volgens hem) en bestelt herhaaldelijk Coca-Cola. De soep wordt in grote witte schalen opgediend. Zij bestaat uit een soort bouillon met geklutste eieren, peterselie en tomaat. Jan Willem ontdekt er ook een klein dood vogeltje tussen. Het smaakt goed. De soepborden worden ongegeneerd leeggeslurpt en schoongelikt. Hierdoor aangemoedigd bestellen we een tweede ronde. Voor de vulling wordt er nu knäckebröd doorheen gebrokkeld.

We vertrekken om 14.00 uur. Het is Inmiddels droog en we zitten halverwege de route. Ik probeer al lopende wat bij te komen van een acute diarree-aanval (ook dat nog), hetgeen enigszins lukt door het stralende weer en misschien ook omdat het pad door een prachtig veld vol bloeiende kamille gaat. In een bosrand verderop hebben mijn darmen het weer even te kwaad. Lichte paniek bij pa, die terugdenkt aan de dramatische voedselvergiftiging op onze tocht van vorig jaar. Maar het valt mee.

De route heeft niettemin veel ups en downs (bewust of onbewust), al gaat die door een prachtige omgeving met mooie, heldere uitzichten over het stuwmeer. Dan daalt het pad helemaal naar beneden en vandaar weer zeer steil omhoog. Puffend, zwetend, vloekend of zwijgend hebben we nu ineens andere zorgen aan het hoofd, o.a. of dit wel het goede pad is, of dat we zo weer terug moeten. Dit soort twijfels zijn slopend.

Aan het einde van onze krachten bereiken we het hoogste punt, waar een bankje staat en je schitterend uitzicht hebt op de hele omgeving. Het berglandschap is nu overgoten door de zon en we knappen onmiddellijk op van onze inzinking. Fototoestellen klikken, de breedhoekcamera, geschonken door Herman en Joyce, maakt historische opnamen en Els is in gedachten bezig dit panorama in een omslagontwerp van dit TT‑boek 1990 te verwerken. Heel even heeft iedereen een kick.

Het pad gaat verder en komt op een asfaltweg uit, die richting Esch-sur-Sûre loopt, ons einddoel van deze dag. Het ligt In het dal van de Sûre. We kunnen die weg volgen (versie pa, die roept dat we op onze tijd moeten letten), of de mooie, oorspronkelijke route nemen, met dalen, stijgen en weer dalen over een pad langs de helling (versie Jan-Willem). Meeste stemmen gelden: het wordt de gemakkelijke asfaltweg. Jan-Willem stoomt nu zwijgend, maar op volle kracht vooruit, om de woede de in hem is opgekomen te onderdrukken. Hij verdwijnt om de bocht van de weg en uit het zicht, ons in grote onzekerheid en onrust achterlatend. Later komen we hem In Esch weer tegen.

Toch heeft zijn kwaadheid dit voordeel: Jan-Willem komt voor vijven bij de winkels en doet alvast inkopen. Hij staat met een kartonnen doos vol spullen en dat zou ons nooit gelukt zijn, want wij arriveren pas na sluitingstijd in het dorp.

Esch-sur-Sûre kennen de meesten al van de kakkerlakkentrektocht van 1981 (waar blijft de tijd?). Het is een schilderachtig plaatsje in een scherpe meander van de rivier, met nauwe straatjes en witbepleisterde, eeuwenoude huisjes en een duizendjarige kasteelruïne, die we niet zien, maar wel indruk maakt, aldus een ANWB-gids. Wij lopen het dorp door en de brug over naar de camping aan de andere zijde. Die blijkt gesloten, de zaak ligt overhoop door een verbouwing. Gelukkig geven de werklui, die net aan het afsluiten zijn, ons water en dat is het enige, dat we nu nog nodig hebben.

We zetten na wat gezoek de tenten buiten de camping op, In een soort gemeenteparkje, kompleet met speeltuin. Komt een dorpsbewoner op de fiets die vraagt wat we er doen en of we wel toestemming hebben van de gemeente? Pa biedt de reddende hand: hij vraagt de man of hij zelf van de gemeente is. Nee dus. Welnu meneer, deze camping is gesloten, terwijl we het plan hadden hier te gaan kamperen. We wilden toestemming van de gemeente, maar ook die was gesloten. We kunnen op dit late uur toch moeilijk verder gaan lopen, vindt u niet? De man was opeens een en al begrip.

We koken ons eten aan de oever van de rivier, bij een plantsoenbankje, terwijl de avondnevel door het dal trekt. Het menu is Rijst met Macedonische Groenten & Gehakt en een Appel toe. Dan afwassen en klaarmaken voor een avondje kroeglopen. Want dat laten we ons hier niet ontgaan.

Tegen achten vertrekken we naar een plaatselijk café, waar we een aantal uren mist, regen en kou vergeten. Verschillende soorten bieren worden beproefd, alsmede Rieslings en rode wijnen, terwijl er tussendoor steeds iemand naar de toiletten verdwijnt om zich eens heerlijk te wassen. Els verleidt verschillende afgematte en ongemotiveerde TT'ers om met haar een kansloos partijtje Russisch Biljart te spelen. Zij blijkt daarmee in Tirol goede ervaringen te hebben opgedaan. Ook wordt er druk getelefoneerd met het thuisfront.

Rond half elf gaan we terug naar de kletsnatte tenten. Terwijl wij vrouwen ons klaarmaken voor de nacht hangen pa, Peter en Jan-Willem nog uren aan een kinderachtig kabelbaantje in de speeltuin. De piepende en knarsende katrollen en hun domme gelach verstoren nog tijden de rust van de arme eenden, die ineengedoken, dommelen aan de oever van de Sûre.

Irene c.s.

Esch sur Sûre.
De mist hangt laag in het dal. Een troosteloze motregen doorweekt de tenten. Zij stimuleert niet tot opstaan. Klapwiekende eenden vliegen nerveus kwakend over het water, dat gisterenavond nog rimpelloos het oranje licht van de lantaarn aan de overkant weerspiegelde, maar nu, door de overloop van het stuwmeer, onstuimig zijn weg zoekt, takken, bladeren en drijvend gevogelte draaiend en kolkend met zich meevoerend.

Jolanda ritst behoedzaam haar tent open, terwijl Jan-Willem snurkend en schurkend zijn dromen nog wat verlengt. Zij begeeft zich vervolgens, na een resultaatloos ronselrondje, in haar eentje dorpwaarts om voedsel voor de gehele dag in te slaan. Regeren is vooruitzien, een eigenschap die helaas niet in gelijke mate bij alle TT'ers voorkomt.

Toch staan ze op, ieder op eigen wijze en in eigen tempo. Men beweert goed geslapen te hebben. Els ontvouwt een theorie over het nut van het "plaatselijk wassen" in dit soort situaties en raadt eenieder af er meer energie in te steken. Hiervan onder de indruk laat ik voor het eerst sinds jaren het scheren na, ook al omdat het blijft motregenen. Jolanda keert terug, beladen met proviand en roem. De producten verdelen wij dankbaar over de rugzakken. Eieren belanden, ontdaan van hun schaal, in een grote plastic fles met schroefdop. Ik leg dit vast op de gevoelige plaat. Liters Rivanerwijn worden met zorg overgegoten in een jerrycan, gereed voor een klotsend gistingsproces.

In de ouwe trouwe Mirakel vindt het ontbijt plaats. Ruimte genoeg, nu we met z'n achten zijn. Heerlijk gegeten, uitgebreid koffie en thee gedronken. Zo beschouwd is de ellende die ons buiten nog wacht relatief en situationeel bepaald, zoals zoveel in het even. Als het even droog lijkt breken we snel op en begeven ons op pad. Aan de andere kant van de asfaltweg gaat onze route omhoog. Direct klimmen dus.

De regen slaat weer zonder erbarmen toe. Wij zwoegen zwijgend de berg op, langs heggen met allerlei bessoorten, die nu glanzen van de nattigheid. Prachtige kardinaalsmutsen verbeteren mijn stemming. Aan de andere kant van de bergkam daalt het pad af naar een verharde weg, waarlangs een heftig bruisende beek stroomt. We steken beide over en stijgen weer aan de andere zijde van het dal, door een wat sombere grub. Het regent nog steeds. We zweten onder onze capes. Zigzaggend gaat het pad daarna omhoog, naar een soort Hohe weg, op de dichtbeboste westhelling van het Junge Boesch (dit lees ik tussen de regendruppels door op mijn stafkaart). Nu zijn we geruime tijd in ons element!

De interactie komt weer op gang, de capes gaan af, lekkernijen rondgedeeld en er wordt stevig doorgelopen. Na dik een uur brengt een voorlopig laatste en pittige klim ons uit het dampige dal op een hoogvlakte met mooie uitzichten, prachtige (potentiële) kampeerplekken en sympathieke koebeesten, met wie uitvoerig wordt gecommuniceerd.

We moeten echter verder. Even heerst er verwarring over de te volgen weg. Het In bezit hebben van meerdere, en nog wel verschillende, stafkaarten moest verboden worden. De impasse lost zich vanzelf op. Want alle wegen leiden naar Dahl, een dorp dat ons al van verre begroet met zijn imponerende watertoren. Een monument, gebouwd op vier, of misschien wel zes, of wellicht acht, steunpilaren, compleet met picknicktafel eronder en hek eromheen.

Het is nu al twee uur in de middag. We trekken als een militaire patrouille door het dorp, dat lijkt uitgestorven. Vermoedelijk vluchtten de bewoners in de kelders, toen onze colonne zijn intocht deed. Dan nadert er een man. Hij meldt, dat Dahl zelf iets verder ligt en op onze traditionele vraag antwoordt hij dat er maar liefst drie cafés zijn! Een paar kippen lopen kakelend weg. Een Zwarte poes steekt met dikke staart de straat over. De man is ineens verdwenen. Ergens blaft een hond. High noon dus.

In het eerste café laat niemand zich zien. Als we ons verplaatsen naar het tweede, horen we al van verre de deur schielijk in het slot gaan. De eigenares van het derde café laat zich echter door onze komst verrassen. Zij kijkt ons somber aan, is oud en der dagen zat en helpt ons na enig aandringen met trage tegenzin aan koffie en thee. Een enkele stamgast begluurt de groep met onverholen wantrouwen.

Wij zoeken hierna meer gezelligheid aan de overkant in een bushuisje en eten daar ons brood, hopend op een wonder. De Almachtige straft, maar beloont ook onmiddellijk. Er stopt een rijdende bakker, die ons een rondje vers gebak en drie liter melk levert, zij het volle. Het eerste wordt collectief, de tweede selectief genuttigd. De dassen proberen hun tenten te drogen; tevergeefs. Teleurgesteld vouwen ze het doek op, bergen het in een plastic zak en verzwaren er de rugzak weer mee.

De middag vordert. We verlaten het dorp aan de andere zijde en lopen over een open vlakte naar Nocher, een vriendelijk gehucht met een wit kerkje. De zon is inmiddels doorgebroken, verwarmt onze harten en maakt het wijde, stille landschap ineens bijzonder mooi. Koeien, kippen en poelepetaten trekken onze aandacht, en dat is wederzijds, getuige het oorverdovend gesnater van de poelepetaten.

In de verte, achter de hellingbossen, is het dal van de Wiltz, waarin Kautenbach ligt. Er hangt een geheimzinnige blauwe waas over. Tegen de bossen liggen dromend de weilanden. Ideale plek om te kamperen. Wij halen water bij de laatste boerderij. Ik fotografeer een heg vol met rozebottels. We slaan een pad in dat naar de bosrand leidt, op de kaart aangeduid als Hames Boesch, Daar ligt een vorstelijk weitje. Omgehakte bomen om op te zitten ter ener zijde, en droevige, vrouwenzorg oproepende koeien te ander zijde.

Wij zetten de tenten op, beginnen met de voorbereiding van de maaltijd en halen hout voor het kampvuur.

Dan nadert een boer op een trekker. De eigenaar? De procedure O.J. treedt in werking: een hartelijk welkom van oom Jan, het aanbieden van een borrel, het loven van het natuurschoon ter plaatse en de toestand van het gewas en terloops de vraag of kamperen "zugestanden ist". Volgens hem wel: het is zijn buurs wei! De vrouwen vinden dat de man "mooie bruine glansogen" heeft, dus de avond kan niet meer kapot, De borrel laat hij zich smaken. Hij legt uit, dat hij een alternatieve groene boer is. Hij is trots op zijn vee, weigert kunstmatige inseminatie en waarschuwt ernstig tegen rondsluipende vossen. Enkele dames rillen. Dan hobbelt hij weg met z'n trekker.

De avond daalt. Peter hangt zijn gaslamp aan een lange stok boven de kookplek. Jan-Willem maakt teveel foto's. Georgine geeft traditiegetrouw leiding aan de bereiding van de Omelet Paysan. Irene en Els zijn aan de borrel. Jolanda denkt aan haar Bas. Gabriëlle overziet alles, dit overleggende in haar hart. En ik lig in mijn tent met het restantje Quartz, dat de boer zojuist weigerde. Boven mij hangt de mini-peutlamp te branden, een vroeger geschenk van TT'ers. Voor mij flakkert een kaars. Die verlicht het papier, waarop ik deze woorden schrijf.

Het is inmiddels donker, een dikke mist trekt laag over de velden. De koeien zwijgen, terwijl het gepraat van de vijf vrouwen verderop heftiger en vrolijker wordt. Ik ruik de eerste rook van het vuur. Men haast zich niet. Het leven is goed, en borrel, vuur en vriendschap verkwikken en verwarmen de afgebeulde lijven. Als het kampvuur brandt kruip ik moeizaam de tent uit; de oude dag doet zich gevoelen, zowel in zijn beweging als in zijn hunkering.
Het eten, nu voor de veertiende maal zo bereid, roept weemoedige herinneringen op. De wijn doet de rest. Wij zitten nu gezellig rond het vuur, aangelegd langs het pad, op een hoekje bij het hek, De zieltjes van de kleine kinderen thuis zweven hier rond: Bas, Michael, Wolf, Bart. Ze worden vergeleken, gewogen en op één na te licht bevonden.
Dan passeren de tantes, de thuisgebleven TT'ers, en de vele interessante vrienden de revue. Het zijn oude verhalen die eindeloos herhaald worden.

Het vuur laten we uitbranden en na- smeulen. Ieder zoekt nu de tent op. Peter en Gabriëlle maken nog een boswandeling. In de Mirakel kruipen Els, Irene en Georgine in hun slaapzak, veilig In de binnentent. De mijne in de buitentent, vlak onder een kapotte rits, laat ik nog even wachten. Ik kijk dankbaar naar het nachtelijke landschap, naar de tenten die ons al die jaren een vertrouwd onderdak bieden, naar de sterren en het mistige blauwe dal. Stilte heerst over het Luxemburgse land. Satellieten trekken hoog boven ons hun verre banen. Vliegtuigen zoeken hun weg door de donkere nacht, En ik neurie het oude Duitse avondlied, dat zo echt bij dit beleven hoort:

De maan is opgekomen.
De aarde ligt in dromen.
De nacht is stil en klaar.
De donk're bossen zwijgen
en van de beemden stijgen
de nevels wit en wonderbaar.

Oom Jan

De tocht is bijna op z'n eind en de grote vraag is:
wordt deze laatste episode weer net zo'n fiasco als de vorige tocht, of zal deze TT de historie ingaan als de saaiste? Beklijft er een anekdote of een uitspraak die nog jarenlang de betrokkenen zal achtervolgen? Is het werkelijk zo dat er alleen de eerste paar tochten veel gebeurd is en dat alle verhalen terugslaan op deze periode of is er nog ruimte voor iets nieuws?
Laten we eens teruggaan naar de recente historie: de ochtend van de 18e oktober. Een vochtig weiland, slechts drie nietige tentjes, daar naast een tevreden runder Grossfamilie die rustig graast en op z'n tijd eens tevreden loeit. De rust wordt wreed verstoord als over het bospad, dat naar de tenten leidt een groene Toyota jeep komt aangereden met daarin de "Förster", maar niet die van het "parents-plan".

Hier tekent zich weer de ervaring af, JW en Jolanda, reeds wakker, zien hem aankomen maar houden zich gedeisd, wetende dat als je nu beweegt, jij degene zult zijn die als eerste tot verantwoording geroepen zal worden. Zware boswachterschoenen landen op de grond en stevenen met grote passen direct naar de grootste tent, alwaar hij onze Hauptsturmbannführer verwacht. Zodra hij oom Jan ziet, begint hij direct te brullen: "lch bin der Förster, es ist verboten", stilte..., dan nog eens: "Frei kampieren ist verboten in ganz Luxembourg" brult hij alsof heel het land van hem is.

Oom Jan pareert deze aanval met een meesterlijke tegenzet door in een keurig Nederduits dialect te vragen: "Sind sie die Eigentümmer?!?" "Nein, nein, ich bin der Förster" is zijn antwoord en de beste man wil, zoals elke ambtenaar aan wiens autoriteit getwijfeld wordt, nu duidelijk bloed of alcohol zien. Alle drank is op, en de dames zijn nog lang niet moreel en fysiek in staat hun honingzoete glimlachen in de strijd te werpen. Ook de ervaren rust die oom Jan uitstraalt, lijkt hij te verwarren met ongeïnteresseerdheid. Het gaat hem niet snel genoeg en hij begint vervolgens te dreigen met een "Protokol", waar hij direct de voorwaarde aan verbindt dat dat gebeurt als we niet voor twaalven weg zijn. Dit is voor ons genoeg informatie om ons nog eens een keer om te draaien in de slaapzak; wat een goeierd.

We ontbijten rustig met crackers en brood, in de tent. Alles volgt het bekende patroon, borden gevuld met stapeltjes en onhandig geknoei met koffie en thee. 't Motregent, van die regen die op de lange duur gaat doorsijpelen. We breken de tenten op, voordat alles droog is en ruimen ruim voor twaalven 't veld. Persoonlijk heb ik een diepe teleur stelling te verwerken. Ik ben er, door stille hinten van familieleden achter gekomen dat onder de linkerbil van m'n broek een groot plakkaat koeiestront verzegeld zit. In het donker bij het kampvuur dacht ik nog wel slim te zijn door niet met m'n kont in het gras te gaan zitten maar op m'n knieën met m'n kont op m'n hielen. Zo komt dat dus.

De tocht voert door een vochtig dal, dat van de Moor Bach richting Kautenbach. Alles lijkt hier van de zangcultuur doordrongen te zijn. Het is niet de snelste maar wel de mooiste route. Bij een bankje vindt oom Jan nog een Hollands kandijbusje, wat door mij dankbaar wordt meegenomen. Het is voor iedereen toch allang duidelijk hoe ik aan mijn spullen kom.

We laten 't station van Kautenbach rechts liggen en gaan fluitend op weg naar het restaurant al waar ons al dat lekkers wacht waar we tot dan toe alleen van konden dromen. In hotel-restaurant Hubert rest ons nog een halve vlaai en wat schuimgebak. De vlaai ziet er lekker uit, maar is wel erg klein. Zijn er acht gegadigden, dan worden dat acht kleine stukjes. Bij zes gegadigden worden dat zes iets minder kleine stukjes, terwijl bij een optimale verdeling toch meestal een getal tussen één en twee in het spel is. Irene en Georgine bestellen zusterlijk ieder een stuk vlaai en laten vervolgens zien dat zij deze elementaire wiskunde beheersen. Vernietigend kijken ze iedereen aan die het waagt de spoeling dunner te maken door ook een stuk vlaai te bestellen, Ik heb me voor niks druk gemaakt en m'n nichten voor niks beschuldigd. De smaak stelt weinig voor en hoe groot de vlaaipunt ook is, ze zal nooit groot genoeg zijn om alle honger te stillen.

Oom Jan, een man van de wereld, meldt luid en duidelijk dat hij hier "regelmatig komt" en zegt dat hier toch een klein winkeltje naast was? "Het winkeltje is hier al zeker tien jaar niet meer", is het antwoord van de bediening. Om maar snel op een ander onderwerp over te gaan begint hij hardop voor te lezen uit het gastenboek. Dat is niet handig. We werden bij binnenkomst direct in het Nederlands aangesproken en ook alle andere gasten (voor zover ze niet gevlucht zijn) spreken Nederlands. Jolanda noemt oom Jan een voyeur zoals hij verlekkert voorleest uit het gastenboek, een bewering waar allen zwijgend mee instemmen; als we luid zouden instemmen konden we niet meer verstaan wat hij zegt toch?

Jan Willem en oom Jan gaan gelijk aan de trappist terwijl Jolanda een "Schneider Weisse" milva maakt. JW heeft ook wel wat te verdrinken. Eerst helemaal naar het station teruglopen om te treintijden te controleren die hij in Nederland doorgekregen heeft en dan vervolgens bij de ingang van de kroeg nog eens de mogelijkheid krijgen voor een dubble-check. Zekerheid gaat bij hem boven alles. Geen winkel, geen brood, dus zijn we aangewezen op een middageten bestaande uit friet en tosti's.
Snel hierna spoeden we ons naar het station. We hebben nauwelijks de tijd ons wel zeer harmonische blokfluitconcert af te maken in de stationshal.

De nog uitgepakte fluiten komen nu goed van pas en doen hun werk snel en meedogenloos bij het veroveren van de coupé. Uit pure wraak saboteert de laatste mede passagier de verwarming waardoor de temperatuur tot tropische hitte stijgt en onze lusten en (bal)dadendrang tot een suffig dieptepunt dalen. Pas wanneer we in de drukke avondspits van Luik geworpen worden, leeft de zaak weer op. Vanuit de trein worden de Belgen bekritiseerd. Volgens de dadas (dames Das) zijn de Belgen veel minder kleurrijk gekleed dan hun vergelijkbare Nederlandse specimen. Het is wel duidelijk waar ze de voorkeur aan geven. De trein naar Maastricht, niks bijzonders te melden. Maastricht-Utrecht het bekende protocol; Jolanda, nu eens niet de kredietbank, verzorgt wel de eindafrekening en regelt het wisselgeld. Natuurlijk wordt er gekaart. Bij afwezigheid van de klaverjassers Albert en Evelien wordt er Amerikaans gejokerd. De man van de koffie is weer dezelfde als die van de heenreis. Hij heeft weer géén thee, hij heeft nooit thee, geeft hij grif toe. Dan moet ik weer water koken en dat vind ik zo'n gedoe. Ik vraag me stil af hoe hij dan koffie zet. Als we weer iets anders uitzoeken, zegt hij: "een goede keus" daarbij zichzelf ettelijk herhalend. Op de heenreis zei hij precies hetzelfde. Z'n variatie in drankwaren blijkt even gevarieerd als z'n variatie in spraakwater.

De trein is stampvol, en we zitten verspreid onder de mensen. Er is een lichte toename te bespeuren in de frequentie waarmee de naam "Bas" genoemd wordt, wat als een teken opgevat mag worden dat we het thuisfront naderen. Op het station wachten ons Robert, tante Georgien, Herman en Joyce en een paar straten verder de Griek.
Dat was 't.

Peter