TT‑verslag 1988-TT12

voorblad TT1988

Gelukkig hij ligt er weer. De gebruikelijke enveloppe, met de gebruikelijke uitnodiging, voor het gebruikelijke overbodige, doch zeer gezellige vooroverleg, waarbij wij de gebruikelijke afspraken maken voor ons ongebruikelijke familiegebeuren: de TT.

Buitenstaanders - en wellicht nog een enkele binnenstaander - menen dat het een aflopende zaak moet zijn. Alles behalve dat! Steeds vaster komt te staan dat we doorgaan! Ja, de twijfel rijst wel eens, maar lopend op het Vulkaanpad tussen de Weissmühle en de Ehem Schneidersmühle, in dat depridalletje, stellen we vast dat we waarschijnlijk over deze twijfelfase zijn heen gegroeid.

De behoefte om hèt te doen en om het in familieverband te doen is wellicht veranderd, maar zeker versterkt! Vroegen waren daar de loopprestaties, het avontuur en de natuur. Nu zijn er ook: de jubileumprestaties, het elkaar weer eens langdurig over van alles en nog wat spreken, het deel uitmaken van een belangrijke historische gebeurtenis, het je gedurende een kleine week terug kunnen trekken in het relatief veilige een rustige familieverband (voor de zo broodnodige weerstand tegen de arbeidsvirussen) en natuurlijk stevig lachen als vanouds om Reintjes geintjes.

Maar wat maakt 't uit? Ieder heeft of maakt tegenwoordig zo z'n eigen redenen om de tocht zeker te stellen. Zelfs nìet meegaan heeft vaak de diepere bedoeling toekomstige tochten met nog meer genoegen tegemoet te kunnen zien.

Vandaar dus vooroverleggen we bij Irene (gefeliciteerd met je nieuwe woonplek en dank voor de gastvrijheid!). Vandaar dus schikken we ons ook dit keer zonder morren naar wat de kaartcommissie nog zal gaan bedenken. Vandaar dus verwachten we gewoon de paklijst en zelfs zonder dat staan we de eerste zaterdag van de herfstvakantie 8.00u bepakt en bezakt bij Bruna.

Veel lees- en blader plezier, Els red.

De TT begint dit jaar met een telefoontje van Jan naar George op vrijdagavond. George moest zaterdag om 7.15u op het station zijn. George is niet gek, weet dat het een grapje is, maar besluit het voor de lol toch te doen: gelukkig maar! Op zaterdagmorgen, in alle, alle vroegte, stapt hij in de Meern op de bus. Hij rent om hem te halen en hijgend komt hij in de bus tot de ontdekking dat hij reeds één schoen verloren is - weinigen kennen deze droeve geschiedenis. Hij stapt bij de eerstvolgende halte uit en neemt een taxi terug, om nog maar op tijd te zijn. De taxi blijkt niet te wachten. Hij vindt z'n schoen, maar een bus naar Utrecht is er voorlopig niet. Liftend loopt hij in het schemerdonker langs de weg, krijgt een lift tot de snelweg en loopt verder. In Utrecht pakt hij weer een bus en is 8.15u op het station. Wie, behalve George zelf, heeft ooit zo'n ellendige start van de TT meegemaakt?

En hoe zit dat nou met die kaartjes tot aan de grens? Kan je die nou wel op of niet aan een gewoon loket kopen? Alleen Els lukt het dit jaar, omdat ze er bij vermeldt dat er reeds gereserveerd is. Volgend jaar dit gebeuren iets meer structureren, zodat frustrerend wachten in vele rijen voorkomen kan worden!

De treinreis is relatief rustig. Steeds meer TT'ers hebben moeite met de abrupte overgang vanuit hun beschaafde wereldje en verstoppen zich achter ontelbare stukken krant. Na enige tijd wordt er gezamenlijk gecryptogramd. Nog later staan Irene en Els op van de gereserveerde plaatsen om deze af te staan aan oude dametjes die te krenterig zijn om zelf te reserveren. Vervolgens nemen Els en Irene ongemerkt de plaats in van Peter Pa en Herman, die vervolgens staande verder moeten - vrouwelijk vernuft -. (Maar allee hè, niet alleen krenterige dametjes, maar ook het ons welbekende reserveringsnoodlot treft ons! Dubbel reservering! Volgens de 'Zugbeambte' veroorzaakt door domme - Nederlandse - handmatige - de laatste minuut - reserveringen, 'Dumm'. Red.)

Koblenz. Dezelfde tijd en dezelfde plaats als vorige keer. Ook nu in de stationskroeg de onduidelijkheid bij ons en de verwarring bij de serveerster. Waarom willen zes mensen zeven koffie en vijf heisse chocola? En waar blijven die dingen als ze ze op tafel zet? De helft van de groep zit buiten. Dit alles lijkt een déjà vu!

treinreis 1988
Kicks voor nicks 1988

En dan na 40 min in de boemel: Klotten.
Eindbestemming van onze treinreis en begin van onze voettocht. Het tuig in ons legt Beatrix - in de vorm van een stuiver - op de rails. Ze wordt keurig geplet en uitgerold. Kicks voor nicks 1988! De rugzakken worden gewogen. De vraag is wat een ieder bij aanvang van de tocht in z'n al dan niet slappe zak had (bedoeld worden hier de bebinnen- of bebuitenframede zak).

De tocht begint. Door het dorp Klotten gaan we langzaam uit het Moezeldal omhoog. Het is vochtig en een beetje mistig weer. Bij een van de laatste huizen van het dorp staan twee buurvrouwen te praten over de heg. Als ze de troep bepakt en bezakt langs zien sjouwen zijn ze verrast. Een van hen roept met haar buurvrouwen-kletspraatjes-stem: "Ganz toll".

We klimmen verder tot we weer hoog boven de Moezel zijn.
Een leuk pad en net als vorig jaar tussen de - nu zoete - druiventrossen. Als het mooi weer is, is het uitzicht vast erg mooi. Een klein kaartprobleem en een snelle stijging brengt het eerste zweet. Naar adem happend, blijven we hevig met elkaar praten alsof we elkaar in jaren niet hebben gezien. We nuttigen de eerste chocolade, proeven de druiven (zoet?! Een goed jaar!) en verbruiken het eerste wc-papier.

wandelen

Aan het eind van de "Hoheweg" is een "Märchenwald". Slecht onderhouden volgens oom Jan. George moet nog even poseren naast de trol van het restaurant, het bord in zijn hand.

Als we uiteindelijk om 4.30u Cochem zien liggen in de diepte, onder aan de stoeltjeslift, dan is daar het eerste TT‑besluitvormingsmoment: gaan we met de stoeltjeslift naar beneden, of gaan we lopend… en dan eerst de stad in of eerst naar de camping? We besluiten het laatste.
Over een nat bospad naast de stoeltjeslift dalen we af. We buigen, voor we Cochem bereiken, naar rechts af het dal in waar de camping ligt. We lopen horizontaal langs Moezelwijngaarden tot boven de camping. De dappersten onder ons, namelijk Els, oom Jan, Peter 2x en Evelien, stortten zich rechtstreeks langs een modderige puinhelling rücksichtslos naar beneden, naar de camping. Ze komen daar veilig en voldaan aan. De rest waagt zich er niet aan en arriveert 20 min later over de asfaltweg.

Ondertussen hebben de dapperen de camping verkend. Een camping die ons bij zal blijven als de meest blubberige van alle TT's. Op de redelijk droge plekken is puin gestort, zodat de caravans relatief droog kunnen staan. Op de rest van de camping is het gras zo schaars als de haren op de bovenkant van het hoofd van oom Jan.
Het beste plekje lijkt uiteindelijk een iets hoger gelegen veldje, naar de beheerder al zijn bouwmaterialen en werktuigen heeft neergekwakt zoals het hem uitkwam. De minst modderige en meest horizontaal stukken laten de dames door de heren leeg maken. Onder gemopper, gepas en gemeet zetten we de tentjes op. Houten vlonders en spijkerplanken worden als deurmat voor de tentjes gelegd. Evelien staat alweer te schreeuwen: "Wie heeft de pannen? Wie heeft de lucifers?" De soep wordt gebrouwen: Oersoep Nieuwe Stijl voor twaalf personen. Ingrediënten: Drie uien, een prei, een paprika, een halve courgette, een winterpeen, een blik bonen, 1 kg tomaten, tien bouillon blokken, 600 g soepgroenten, een fles tomaten ketchup, water en eigengemaakte ballen.

Jannen

De borrels vliegen de flessen uit en pinda's en kaaskoekjes toen een rondedans in een poging de eerste honger vast te stillen. De hoeveelheid oersoep is perfect. We eten, wassen af en maken ons op voor Cochem.

Nu ik aan dit laatste deel van mijn relaas wil beginnen, merk ik dat ik een zeer belangrijk aspect van deze dag tot nu toe ben vergeten te noemen, n.l. DE TANDJES.
De tandjes, in de volksmond "Theo-en-Thea-tandjes" en door Jan Willem ook wel genoemd: "irritandjes", vanwege het pijnlijke tandvlees wat je van het in-hebben van de tandjes over houdt.

TT‑tandjes

Vanmorgen, nog voor we de trein in stapten, werden ze aan ons uitgedeeld door onze liefhebben de nicht Georgine. We hebben de hele dag getraind, maar pas nu, dat is na de soep en borrels, beginnen ze een fenomenaal grote rol te spelen in ons familiegebeuren. Wij verzamelen onze gezamenlijke moed en vol bravoure besluiten wij om de ganse avond onze tandjes vol trots te dragen. Dat is een hele onderneming, want we gaan de stad in. De eerste verbaasde tegenliggers brengen ons tot de slappe lach. We lopen langs de weg en ook automobilisten moet ontsteld zijn geweest bij het oplichten van onze reflecterende tandjes. (Seker familie fan elkaar.)

Cochem is groter en drukker dan we dachten; een compleet uit de klauwen gegroeid uitgaansleven. Een Boulevard vol flanerende mensen, bussen vol toeristen die afkomen op de "Federweissen und Zwiebelkuchen". Wirtschaftshäuser, uitpuilend van gearmde aangeschoten feestgangers…. Wij duiken een rustige ijssalon in, die 1 m lager dan de boulevard ligt. Met de tandjes in bestellen we koffie. Twee van ons hebben liever ijs: kiwiijs en spagettiijs (leuke woorden hè?!).
Langzamerhand trekken we echter steeds meer bekijks. De partypigs op de boulevard zien ineens onze tandjes. Mannen lopen gegeneerd door, vrouwen stoten elkaar giechelend aan, alleen de kinderen reageren normaal. Een meisje blijft staan en neemt uitgebreid de tijd om dit verschijnsel eens goed te beschouwen. Ze kijkt, lacht, wijst en ze ligt in een deuk. Ze kijkt weer, wijst en draait verlegen rond aan de andere kant van het raam. Wij komen ondertussen ook niet meer bij. De mensen buiten weten nu al voor ze bij ons raam zijn dat daar iets aan de hand is. We laten Cochem lachen!
De tandjes hebben echter een nadeel. Je tandvlees raakt namelijk gruwelijk geïrriteerd ervan. Ze moeten af en toe dus even uit.

We gaan Cochem weer in, verder verkennen. We halen bijna de hooggelegen burcht, maar vlak voor de top verzint iemand dat ie eigenlijk niet daar heen wil en ieder moet terug. (George had een trekkebeen volgens JW, dus…).

We sjouwen rond de drukte en zien elkaar weer bij de ijssalon die nog wat aan ons verdient. We maken mooie standjes op de stadsbankjes bij de fontein als we op elkaar wachten. De besluiten daar terug te gaan en op de terugreis nog even een rustige kroeg in te duiken. Na 3 min zijn we elkaar al kwijt. Vier mensen vonden namelijk een apparaat waarin je een Pfennig plat kon laten slaan tot een stokversiersel met Cochem er op. Gelijk proberen natuurlijk. Als we elkaar weer gevonden hebben duiken we aan de rand van Cochem een vreemde gelegenheid in. Buiten staat een grote druivenpers en binnen verkopen ze Federweissen und Zwiebelkuchen. Troebel, zwaar gistend en eigenlijk helemaal niet lekker.

Federweissen

Toch… de meesten willen het in ieder geval proberen. Net zo'n opgeblazen toestand eigenlijk als rond de Beaujolais. Maar sommigen van ons drinken alles, als er maar alcohol in zit. De laatste resten drab worden zelfs gefilterd door reeds gebruikte zakdoeken en servetjes. De tang van een serveerster nemen we op de koop toe.

Lekker licht in ons hoofd sjouwen we ten slotte terug naar de tenten en zoeken snel onze bedden op. Het is weer genoeg voor vandaag. En welbestede eerste dag, ja toch, niet dan? Wel te rusten van Evelien

p.s. bonen staan op de eerste plaats, daarvan laat een gemiddeld mens 25 tot 50 scheten. Uien, prei en knoflook staan twee en op drie... aldus Georgine.

Om 8.30u op: de 56ste TT‑nacht zit er op.

De eerste autobussen vol toeristen razen alweer voorbij in de richting van Cochem. Nogal vreemd zittend (warme ochtend!) met de adem van de ander in je nek, wordt het ontbijt verorberd. Het lijkt alsof we in een amfitheater op een voorstelling zitten te wachten.

ontbijt

Tijdens het eten komt de "Reintjes B.V." ter sprake. Elk familielid krijgt in deze nog op te richten onderneming een functie. Enkele voorbeelden: Jan jr. - directeur (hoezo?), George - hoofd ondernemingsraad, Herman - automatisering, Joyce - pr…

familie BV

We vertrekken om 11.00u. Iedereen is dan al een kwartier klaar, we blijken op elkaar te wachten. Binnen het volgende kwartier het eerste oponthoud: een water-radertjes-en-forellen-complex. Voor enkele Pfennige is het mogelijk een zeer oud xylofoonorkestje d.m.v. een waterrad aan het spelen te krijgen en dikke forellen van voer te voorzien. Van deze mogelijkheden maken we natuurlijk onmiddellijk gebruik en de familie is meteen weer een half uurtje zoet.

xylofoon

Iets verderop de route komen we POELEPETATEN tegen. De beestjes geven aanleiding tot een heftige woordenwisseling tussen oom Jan en enkele van zijn neven en nichten. Wat zijn nu poelepetaten? Deze beesten volgens oom Jan. Onzin menen de anderen. Het zijn gewoon kalkoenen. Men komt er niet uit.

(Van Dale: Poelepetaat=parelhoen; in Nederland als siervogel bekend.)

We wandelen inmiddels in het Enderttal en verlaten het die dag niet meer. Door het diepe en smalle dal volgen we de Endertbach. Het dal is mooi, maar heeft een deprimerende werking. Langer dan één dag moet je volgens mij niet hier zijn (ik vrees dat ik te Nederlands ben).
Op de meest vreemde en onbereikbare plekken treffen we vervallen en verlaten huizen aan. In het verleden draaiden hier waarschijnlijk de molenstenen. Uiteraard bekijken we een bouwval.

molen

Er is in opgeknapt en er is een - volgens oom Jan - vers graf. De beek wordt met een keurig kanaaltje langs het huis geleid.

lunch Halverwege de dag rond lunchtijd, komen wij bij een bewoond huis. De bewoner, een oud mannetje met pretoogjes, voorziet uitgeputte wandelaars van bier, koffie of cola (helaas geen gebak). Buiten het huis staan lange tafels en banken opgesteld, een deel hiervan is bezet door Duitsers. Ze doen mee met de Volkswanderung, een jaarlijks terugkerend wandel / bier evenement in Duitsland. We strijken neer aan één van de tafels en besluiten hier gelijk maar te lunchen. Na de koffie (die boven verwachting goed smaakt) onze zelfgemaakte bammetjes en een door George (wie anders) meegenomen ongeveer 1 meter lange leverworst, vertrekken we weer. De nieuwsgierigen onder ons zijn dan allemaal het huis van de oude man in geweest (alles onder het mom: heel behulpzaam de kopjes naar binnen brengen) en hebben de mooie oude kachel bewonderd. Het is een 1 bij 2 m grote kook kachel met ingezonken pannen. En het mannetje vindt het maar wat mooi dat we kijken.

Tegen theetijd spitst de groep zich in waterhalers en theezetters. Water wordt er gevonden bij een nabijgelegen openluchtkerk. De theezetters vermaken zich ondertussen met "de tandjes".

thee

Na thee, koekjes en chocola vervolgen door onze weg langs de Endert. Het begint te schemeren en al snel vindt, zoals ieder jaar, de "blijven-we-hier-of-lopen-we-door discussie" plaats.

pauze

De plek waar we op dat moment zijn is niet echt aantrekkelijk: een blokhut met vuurplaats en een iets lager gelegen nat, blubberig, donker stukje grond voor de tenten. We blijven. Het is per slot van rekening al bijna donker en verder lopen betekent de 3 tot 5 km voortsjouwen. Met veel gevloek en getier zetten we de tenten op. Het is vrijwel geen haring de grond in te krijgen. (Herman voegt weer een TT‑lesje toe aan zijn lijst: één stalen pen meenemen voor het voor boren van gaten in een harde ondergrond - oom Jans idee -.) Bladeren bedekken de ergste modder. Els doet vanavond haar eerste poging de primi aan te krijgen. (Niks hoor: de zoveelste vruchteloze poging -red-.) Resultaat: twee fakkels.

Redactioneel commentaar wat me nu toch echt even van het hart moet: ik werd opgestookt door enkele sadisten die wisten dat de ene primus te vol zat en de andere niet goed aangedraaid was. Dankzij de ervaring van de schrijver van deze dag met het familie tuig ('ondingen'), is mij een glansrol in een grootste Vulkaneifelbosbrand ontnomen! De schrijver zelf beweert vervolgens: "dankzij de hulp van George (zwaar gewond door een ernstige valpartij) lukt het toch nog de boerenkool met hutspot en worst klaar te maken."

diner

Het vuur is ondertussen aangemaakt. De drankjes gaan rond en de sfeer zit er weer helemaal in. De avond brengen we bij het kampvuur door. We staren in de vlammen en filosoferen over de trektocht in het jaar 2000-tig: straalverbindingen met oom Jan in het bejaardenhuis, een nieuwe groep pubers onder aanvoering van Bas en wij, een stelletje vijftigplussers die met moeite de nieuwe jongeren bijhouden. Leuk vooruitzicht!

9.00u opstaan. De tenten zijn aan de binnenkant kletsnat, maar dat is niet zo verwonderlijk als je zo dicht in de buurt staat van een beekje.

kampje

Vóór het eten wast men zich van boven en na het eten de onderste helft. Tijdens de waspartijen doet pyro-Peter zijn naam eer aan! Het kampvuur is alweer opgestookt voordat anderen het in de gaten hebben. Helaas hangt een slaapzak van Herman nog te drogen op één van de hoge balken bij het vuur. Voordat hij er erg in heeft is de kampvuurlucht in de slaapzak verdwenen. Absorberen maar!!!

ontbijt vuurtje

10.00u eten. Het eten vandaag bestaat uit vier boterhammen (salami, kaas chocoladehagel en pindakaas). Het drinken bestaat uit koffie en / of thee. De verhouding koffie-thee-drinkers is langzamerhand in evenwicht gekomen. In tegenstelling tot voorgaande TT‑tochten, waar de weegschaal aan de theedrinkers kant ver doorsloeg. Tijdens het eten genieten we van de handdoek droogconstructie van oom Jan (kennis van uit zijn studietijd in Leiden geeft hij zelf toe).

ontbijt

Voordat we aanvangen met onze voettocht naar Ulmen (tot de koffie ongeveer 2.00u lopen) houden we een openbare verbranding van alle etens- en worstverpakkingen en snoeppapiertjes. Bij het opbreken van de tenten stort Els neer in een veld met de brandnetEls, een Utrechtse heuvelrug op haar kont achterlatend. (Nou ja!!! Ik probeerde datgene te doen wat ieder ander ook in z'n blote kont doet. Ik hoor nog net met hoog afgeknepen stem roepen: "Nee Els… niet daar!!! Daar heb ik… èn ik…èn ik…" Dus balancerend op de krakende tenen van mijn lakschoentjes, pleepapier tussen mijn tanden, wanhoop in mijn handen…. -red-.)

11.30u pauze. We hebben nog vijf kwartier te gaan naar Ulmen en besluiten om een korte pauze te houden op een stapel boomstammen. We worden getrakteerd op chocola van Irene en Georgine (vier stukken zelfs). Tijdens het uitdelen van de chocola, schieten er twee reeën in de verte over het bospad.

12.00u uitzicht. We passeren een groep houthakkers, die nieuwsgierig uit het land te voorschijn komen om de "Grossfamilie" gade te slaan. Eén van de hakkers spreekt oom Jan aan en vraagt welke kinderen van hem zijn. Het blijft angstvallig stil onder de kinderen (ik zou me als kind van zo'n vader ook schamen… hi, hi, geintje oom Jan), terwijl om Jan beweert dat "die Sechs Schönsten" van zijn hand zijn. We genieten van het mooie uitzicht op het Enderttal inlopen van der de hoogvlakte op richting Ulmen.

13.00u korte stop. Wil komen aan bij een wit kapelletje met de brandende rode waxinelichtjes. Tijdens het knabbelen op de borrelnootjes van Joyce, constateren we dat er enige versterkende middelen genuttigd worden op het "ouwelullenbankje" net achter dit kapelletje.

oJ & JW

Als we Ulmen bereiken hebben we weer braaf drie uur achter elkaar aangelopen. Hoog tijd dat ieder weer even zijns of haars weegs gaat. JW loopt langs het vulkaanmeer en de rest speurt langdurig naar het broodnodige gebak (en toilet) met alles d'r-op-en-d'r-an. Zoals gebruikelijk is alles net gesloten.

13.30u koffiepauze. Eindelijk dan komen we aan bij het door oom Henk en tante Bep gesponsorde gebak. Oom Jan koopt dit nog warme gebak rechtsreeks van de bakker. Hij wilde het net afgegeven bij de supermarkt die nog wel even dicht zou zijn. Het is heerlijk kruimelgebak in twee smaken: kersen en appel. Genietend van de zon en de stenen picknicktafel "doen" wij onze lunch- en koffiepauze. Els legt deze combinatie op de gevoelige plaat vast.

lunch

15.00 uur eten halen. Jan jr., Georgine en Herman gaan boodschappen halen in de plaatselijke supermarkt, terwijl de rest in de zon aan het "steengrillen" is. Het toilet bij de bakker achter de winkel wordt stiekem bevuild door een groep TT'ers. De boodschappers komen terug met kilo's zware pakken jus d'orange, appels, macaroni, prei, tomaten, uien, kaas, worst en Danone toetjes. Met grote hilariteit worden ze ontvangen.

15.30 uur verder. We lopen langs de supermarkt over een brug, door een weiland weer het bos in. We liggen achter op schema en moeten stevig doorstappen om op tijd een goede slaapplaats te vinden. Bij een stuk weiland stoppen we even om dit als slaapplek te inspecteren. We besluiten om nog even door te sprinten en een betere slaapplaats te zoeken. De vermoeidheid zit al aardig in de ledematen. Het besef dat we bij de eerstvolgende boerderij water moèten halen doet ons doorstappen. Lukt het niet hier water te krijgen, dan moet er 5 km verderop gehaald worden.

17.15 uur aankomst. We komen aan bij een boerderij - oud en mooi - met een blaffende waakhond. Een nadere inspectie van de boerderij blijkt een goede slaapplek op te leveren. Oom Jan en Jan jr. stellen zichzelf en de "Grossfamilie" voor aan het oude vrouwtje van de boerderij en we mogen voor een nacht kamperen op haar terrein. Op dit terrein staat een grote open schuur met een tafel die afgestemd is op de TT‑groep. Er blijkt ook nog een oude bungalowtent met caravan op het veld te staan, echter deze is niet meer bruikbaar. Terwijl een gedeelte van de groep de slaapvertrekken in orde maakt, wordt het eten gekookt door de resterende leden.

18.30 uur eten. We eten een grandioze macaronimaaltijd met een overheerlijke saus. Het toetje is een bakje Danone yoghurt. Zalig, wat een feestmaal.

diner

19.00 uur chocolademelk! Na het eten wordt er nog een fijn bekertje chocolademelk gemaakt. Het lukt oom Jan om met een bodempje chocola de hele schuur te bekliederen. Georgine en Jan jr. zien hun kans schoon om een familiegeheim openbaar te maken. Bij onvrede over het gedrag van hun vader, wordt hij mijnheer-Jan-Das-de-lul genoemd. Dit slaat aan in de groep. Er worden nu ook kerstliederen gezongen. De gemoedelijke sfeer wordt cru verbroken door een angstwekkend gehuil van de waakhond… oom Jan laait de verschrikte gemoederen nog wat op door een blik oude angstverhalen open te trekken over ratten, honden en wolven.

avond

Jan, Irene en Georgine weten hier alles van af. Zijn hebben zelfs nu nog last van een spookstadsyndroom en visioenen van opdoemende kastelen uit te diepe mistige meren. De hond sluit de reeks enge verhalen van oom Jan af op de toepasselijke wijze: en hevig gehuil! Georgine en oom Jan gaan nog even poolshoogte nemen bij de hond (reeds verscheurd door wolven?). In een felle sprint zoeken sommige TT'ers een veilig onderkomen in hun tent. 23.00 uur slapen.

morgen

Na een nacht gevuld met de wolvengehuil, mollengewroet en vleugelgeklepper staan we rond 8.30u op. Het korte regenbuitje doet er niet veel toe, het gras en de tenten staan al slap van de condens en kunnen niet meer natter. Evelien voelt zich deze ochtend nog niet zo hmm, dus ontbijt we met z'n allen wat later daar het initiatief van onze vaste broodsmeerster ontbreekt. Een gering aantal naturisten wast zich met het ijskoude, heldere en het van koeienpis schuimend beekwater om al het "zand tussen de rails" te verwijderen: heerlijk!

ontbijt

De groep neemt plaats rond de door George deze hele tocht weer zo trouw meegedragen molensteen. We eten stevige boterhammen in een waterige zonnetje. Een echte keutelochtend. Het moet nog 11.15u worden voordat we eindelijk eens op pad gaan. Oom Jan vervult zijn plicht als groepsoudste met een dankwoord voor de "Gastfreundlichkeit". Deze dankbetuiging brengt de eenzame en de gehele nacht al smachtende boerin in tranen en nu nog vraagt zij zich vertwijfeld af wat hij hiermee bedoelde. Met een "de honden huilen, maar de karavaan trekt verder" gaat de profeet ons voor. De herinnering aan het klaaglijke gehuil de vorige nacht, plaatste deze plek hoog in de top tien van speciale overnachtingplaatsen.

lopen

Een maal op gang gekomen maken we gestaag een aantal kilometers over het tennisbaangravel van de glooiende Vulkaaneifel. Tussen de boompartijen liggen maren verscholen die door hun bijna volmaakt ronde vorm verraden dat hier, dicht bij huis, in lang vervlogen tijden de aardkorst een vurige periode doormaakte. Op de rand van dit toch altijd tot de fantasie sprekende vulkanische fenomeen bevindt zich een van de hoofddoelen van deze dag: TAART. Het restaurant dat ons hiervan moet voorzien, heeft niet op onze komst gerekend en de dag tevoren alle taart aan de beesten opgevoerd. We treffen het toch wel, de kok kan toveren met een blik Jonkersfris vlaaivulling en een diepvries cakebodem en na nog geen 10 min zitten we allemaal aan de taart met slagroom en danken beide moeders: Prins Gemalin Hermien en Prins Gemalin Jolanda, die dit mogelijk maakten.

We verlaten het restaurant en dalen af in de krater tot aan de oever van het Pulvermaar. Eindelijk gebeurt er weer iets nieuws tijdens de TT: van de groep splitst zich een viertal Spartanen af die het ijskoude en heldere Maarwater zullen trotseren, de anderen lopen alvast door met de smoes boodschappen te moeten doen. We komen overeen om niet meer dan een half uur te zwemmen en dan te volgen. Herman, Evelien en de Peters Pi & Pa trekken allemaal het adamskostuum aan. De een na de ander vordert weer 1 cm met het doorkomen. We hebben allemaal A(hhh) gezegd en zullen nu ook B.BB.B.BBB.B..B zeggen. Al onze zachte en gevoelige lichaamsdelen hebben hun contractoppervlak met het ijswater tot een minimum weten te beperken door de kleinst mogelijke bolvorm aan te nemen. Wanneer wij achter ons zeer gevat, maar in een foute taal horen vragen of het water koud is, blijkt dat een aantal toeristen ons schaamteloos gade slaat. Ongestoord gaan we door totdat iedereen een keer is door geweest. Dan komt het aller-lekkerste: het gloeiend je weer aankleden. Verkwikt vervolgen we onze weg naar Gillenfeld, maar de vooruitgestuurde groepsleden hun aanwezigheid een dikke rookwolken kenbaar maken. Zij hebben heerlijke verse bolletjes, bananen en melk met vakantiesmaak voor ons klaar staan.

De op deze tocht meegenomen totaalvoorraad van zeven en een halve liter sterke drank is flink geslonken en er is nu genoeg flesruimte om de maximale hoeveelheid water op te slaan. Bij ruimtegebrek in zijn overmaatse rugzak, klemt Herman de plastic yoghurt bakjes los achterop tussen de banden. O, wat moet deze neef nog veel leren. Reeds geruime tijd de meedogenloze broedergemeenschap achter zich gelaten hebbend, is hij niet meer zo scherp en zijn onbekendheid met het al zo populaire "rotte appeltjes gooien" zal hem lelijk opbreken. Bij dit spel treffen alleen de meest onwaarschijnlijke worpen doel. Het is een broederlijke voltreffer die de fragiele plastic omhulsels uiteen doet spatten, waarbij een dodelijk zure lading over de omstanders wordt verneveld. Zoals gewoonlijk is de enige die niet lacht het lijdend voorwerp. Een plotselinge lachincontinentie doet oom Jan de tocht tijdelijk onderbreken voor een verschoning. De straf voor George is het niet meer kunnen nuttigen van een toetje, we weten dat dit voor hem een lichte straf is vergeleken met het schuldgevoel dat hij hierover zeker zijn hele leven nog zal meedragen. Ook al wil Herman dit gebeuren niet vereeuwigd zien, het blijft een onvergetelijk moment.

De karavaan trekt verder. Toerend langs het tegenbelichte Holzmaar trekken wij trekkers naar het Trockenes Maar. Hier is de ideale kampeerplek. Een vlakke wei, een huisje met banken, hout en een prachtig uitzicht. Alleen de weg, het bord NSG en de vele met megalenzen uitgeruste vogelverspieders in de buurt garanderen ons zeker geen ongestoorde nachtrust. Wij besluiten de rust aan de rechtmatige bewoners van dit stukje natuur te laten en zetten de ons nu zwaar wordende tocht voort, op weg naar een enkele kilometers verderop liggende bosrand.

Zoals altijd rond dit vaak kritische uur van de dag is er geen dissonant te horen en ploegen we met een verende tred verder door de kale velden en een vochtig beekdal. Er is nog net genoeg ligt om verspieders uit te sturen die wonderwel allen met een gelijkluidende oordeel over de beste plek terug komen. Het wordt de zoveelste TT‑boszoomovernachting. Al deze boszoom plekjes lijken op elkaar en we kunnen van deze plekjes een algemene beschrijving geven:

"Een dicht bladerdek van hoge bomen schermt alles af van tocht, licht en geluid. De bodem bestaat uit een donkere, sterk isolerende humuslaag, waarop weinig of geen groen meer te vinden is. Dempende boven- en onderlaag beperken de wereld tot twee dimensies waardoor alle signalen die toch van daarbuiten komen een bovennatuurlijk karakter krijgen. Deze magisch claustrofobische wereld is het rijk der vleer- en bosmuizen, zo als we elke keer weer proefondervindelijk vaststellen. Het is een verraderlijke wereld met een wonderlijk zacht tapijt waarop het heerlijk warm slapen is, maar waarin ook los liggende zaken als vanzelf in het niets kunnen verdwijnen!"

avond

In deze beklemmende wereld zetten wij onze tenten op en starten de maaltijdbereiding. Na de instantvoeding van de voorafgaande dagen eten we nu rijk gevarieerd: zuurkool met spek, ananas, rozijnen en kaas met daarbij verse appelmoes. Amper klaar met dit feestmaal slaat de angst toe, is ook dit Buchenwald zo'n wondere wereld? Aan de rand van het donker bos beweegt zich een schim die, bij voorzichtige nadering door de moedige, zorgvuldig bijeen blijvende afwasgroep, in het niets opgelost blijkt.

vuurtje

Te snel geïmproviseerde afscherming van het vuur door de onbezorgde achterblijvers mag niet baten, het zal de geest van de alcohol zijn die weer zoals gewoonlijk te vampiers verjaagd. Laat gaan we slapen om de volgende ochtend op een clandestiene gifstortplaats wakker te worden.

Het beukenbos aan de rand van de BirkenHöhe, met zijn dikke tapijten van herfstbladeren, ziet er deze morgen minder geheimzinnig uit dan gisteravond. De pennen staan slapjes in de losse grond. Het tentdoek wappert in de morgenwind. Herman bekijkt trots zijn nieuwe kampeeruitrusting, ondertussen trekkerstips noterend van zich als deskundigen opwerpende groepsleden. Vannacht blijkt hij in het bovenbeen te zijn gebeten, door een steeds dikker wordende teek. Hij verwacht - in de traditie der Hellemansen - onmiddellijk actie van Joyce, die radeloos rondkijkt. Zij krijgt van de anderen de geruststellende mededeling dat het simpel een kwestie van afbijten, leegzuigen en uitspuwen is, of van het uitdrukken van een brandende peuk ter plekke.

woensdagochtend

Iemand vindt een mysterieuze tang tussen de bladeren. Peter Pi, kersvers ingenieur uit Delft, verklaart de werking. Wij kijken hem ongelovig aan.
Dan hebben de muizen Eveliens pindakaastube opengereten. De liefhebbers bespreken dit feit verontwaardigd. Zij laten zich echter niet afhouden van het nu extra smeuïge gerecht.

Allemaal niet zo schokkend deze morgen. De emoties laaien pas op, als er tijdens het ontbijt een sukkel de theezakjes in een pan koud water gooit. Snel er uit gerukt (handig, die touwtjes) en ze in het inmiddels wel hete koffiewater geworpen. Dit tot grote woede van de steeds nog groeiende groep van koffievoorproevers, die bang zijn nu niet meer aan hun bak te komen.

Het weer is grauw en het miezert als we rond 10.15u op pad gaan. Met één superparaplu en vele wapperende capes. Het beukenbos langs, via een brug over de snelweg en een bospad in. De gestage regen houdt in eens op als we, het bos weer uitkomend, over een dal, het dorpje Brockscheid aan de andere zijde zien liggen. Het is bekend om zijn de klokkengieterij. We slaan de capes weg en lopen naar beneden, naar een Grill-Hütte, die op dat moment gerenoveerd wordt. Iets voor de volgende keer?

Het pad gaat omhoog. Na een paar honderd meter stoppen we weer. Enkele de waterhalers gaan we rechtsaf naar het klokkendorp, terwijl de anderen wachten. Ze komen terug met een zak vol gevulde veldflessen: water wordt er wel gegoten, klokken niet! Jan Willem, die altijd droomt van onverwachte toeristische attracties als verrassing voor de groep, verwerkt zijn teleurstelling in enig stilzwijgen.

lopen

Dan begint er een schitterende wandeling door het kleurige Eifeldal van de Hützbach. Het pad voert ons beurtelings laag en hoog over de helling. Idyllische doorkijkjes op vochtige weilanden tegen een rijk geschakeerde achtergrond van loofbomen in de mooiste herfstkleuren. Ik verzamel al lopende een boeketje bloemen uit de berm. Centaurie, Kaasjeskruid, Rapunsel, Andoorn, Bosklokjes, Varentjes, Rozenbottels, Kruiskruid, Muizenoortje en Vingerhoedskruid. Wonderlijke, tot de verbeelding sprekende namen. Later schikt Els ze om het stokdasje, voor diens jaarlijkse TT‑portret.

Links beneden glinstert de beek tussen de boomstammen. Rechts huiveren donkere sparrenbossen en ritselen honderden bosmuizen. Door het palet van herfsttinten hangen flarden van mist. Je raakt er niet op uitgekeken. Via een bruggetje gaan we zuidwaarts, het dal van de Rieser in. Een heerlijke wandeling, waarbij je ongemerkt maar voortsjouwt. Mij valt steeds weer op dat neven, nichten en hun aanhang nooit raken uitgepraat met elkaar. Het vervult me met een ondefinieerbare vreugde.

Na een paar kilometer is er rechts een obscuur en zeiknat houten bruggetje. We moeten er van Jan Willem over. Aan de andere kant van de beek lijkt het pad steil omhoog naar een blokhut. Daar is weer eens rust. De rugzakken gaan af en een half uur uitwasemen en versnaperen breekt aan. De hut ligt hoog. Je kijkt over de sparrentoppen in de dampige diepten van het Lieserdal. Alles druipt hier, rot, slijkt, schimmelt, verweert, sijpelt en glibbert in één proces van niet te stuiten vergankelijkheid. Toch is dat maar schijn; ik denk opgewekt aan de lente, die ook weer komt.

Verder nu. De rugzakken omgehangen en over een smal rotspad, dat slingert langs bemost leisteen, naar beneden en weer omhoog. Waar waarachtig weer een blokhut voor ons ligt! Enkele corpulente Duitsers wachten daar met grote bakken voer en voorzien van indrukwekkende EHBO kisten, op de deelnemers aan de een of andere Keulse wandelmars naar Trier. We krijgen na enig begerig kijken aardappelsalade aangeboden, wellicht straks gevolgd door een glaasje eau de Cologne, maar we slaan dit genereus af en lopen verder. In een wat Engels aandoend landschap, met koeien die dromen aan de oever van de beek, gaan we wéér een glibberbrugje over, steeds behoedzamer stappend. Dan omhoog en over een soort Höheweg verder zuidwaarts, richting Manderscheid. George ontdekt hier dat hij zijn portemonnee met veel geld is verloren onderweg.

Vanaf nu sluipt, haast ongemerkt, het besluitvormingsvirus de groep in. Eerst op fluisterende toon, later in op overleg lijkende discussies.

pauze

Blijven we bij de Häselhütte?

Wat willen we? Het regent. In Manderscheid (dicht bij nu) is een camping. Dat is mooi, maar wildkamperen is mooier! En enerzijds is het vroeg, anderzijds het weer niet bemoedigend. Zo waaien de oude dilemma's als een herfstwind door de inmiddels verkleumde gelederen. Toch maar nog even doorlopen, wie weet.

Dan ontdekken we opzij van het pad, links omhoog op het zadel van een brede bergkam, de Häselhütte. Het blijkt een stevige blokhut, aan één zijde open, met uitzicht over het dal. Voorzien van banken, tafels en een vloer van recht op staande stammen. Nu is het pas drie uur, maar het regent. We moeten nog lunchen en het besluit is gauw genomen: hier op deze markante plaats, moet en zal zich de laatste nacht voltrekken! De rugzakken worden op de houten banken gesmeten.

We zetten ons orerend aan de eikenhouten tafels en het is al spoedig of we niet weg zijn geweest. Evelien maakt zich - dit moet te harer gunste worden vermeld - onsterfelijk door een omgevallen vuilnisbak, de enige dissonant, op te ruimen. Een vermoeiend karweitje.
De primussen snorren lustig onder het theewater, brood wordt besmeerd en belegd en spoedig hangen dikke rookwolken om de hut, afkomstig van het onmiddellijk opgebouwde en aangestoken kampvuur op het voorplateau. Het is hier dat de superparapluie van Herman voorgoed zijn markante permanente worstgeur kreeg. Luid klinken de valse sopraanfluiten door het stille bos.

Na deze late lunch spoeden Peter, Jan, Evelien en Herman zich via een stijl en spekglad bospad naar beneden, over de beek, om aan de andere kant weer omhoog te klimmen naar Manderscheid, voor het inslaan van voedsel (prut voor de traditionele Omelette paysanne de la TT) en om de bustijden van morgen te raadplegen.

Jan Willem en Peter Pa verkennen ondertussen de omgeving. Op zoek naar een betere kampplaats bezoeken ze nog twee hutten. Vooral Belvédère levert een prachtig uitzicht op Manderscheid, maar de hut is te klein. Het regent ten slotte. De achterblijvers zetten de tenten op. Op het pad onder de hut, want andere plaatsen zijn er niet, ondanks het zoeken en speuren van Peter Pi hogerop. Met een steen hakkend op stalen pennen maken we gaten in de rotsige bodem voor de lichtgewicht aluminium collega's, die anders met geen mogelijkheid de grond in kunnen. Het is weer een uniek en onvergetelijk toneeltje, zonder systeem, behalve voor de insiders. Op de achtergrond het bewolkt het dal van de Lieser. De tenten staan vlak langs de rand van een steile helling. De laten we daar voorlopig alleen, want alles speelt zich verder in de hut hoger op de berg af, waar bij de invallende schemering, onder het licht van de kaarsstompen, gezellige borrelhoekjes ontstaan.

De groep van Manderscheid komt terug met haar buit: 130 eieren, zeven knotsen van uien, vijf blikken champignons, een paar kilo ham, een pond kaas, vier grote stronken prei, 1 liter Apfelhannes, 4 liter Riesling (Bernkastel 1987), 2 liter jus d'orange en dan nog vlaaien van Herman, waarbij, met de spiritualiën van George, de Hellemansen zich wederom niet onbetuigd laten.

De primussen worden weer aangestoken en tot grote hitte opgepompt. Ernstige, vrolijke, onwaarschijnlijke, vertrouwelijke en soms ook ruige verhalen doen de ronde, even als de deze stimulerende kleine bekertjes. Het mistige dal wordt geroemd, de blokhut geprezen, de schepping gunstig beoordeeld. En de talloze in de hut her en der verspreide voorwerpen krijgen alle in deze uren hun bijzondere lading. De lucht is zwanger van impressies. Irene die met anderen roert in grote dampende pannen, roept enkele malen op hoge toon (in opdracht van de opperomelettiste Georgine):
"Is iedereen GREET om TETE?"

Het wordt haar niet duidelijk, maar ineens circuleren daar de borden met de traditionele heerlijkheden en worden de bekers klokkend gevuld met het goudgele vocht. Men zou zo'n maaltijd bevredigend kunnen noemen.

diner

In de vreugdevolle bezwete gezichten glanst de opmaat voor een onvergetelijke avond in het licht van kaarsen. Wat hebben we het weer goed met elkaar!

taart
Joyce en Herman jubileren?!

Avond in de Häselhütte. Een waterige halve maan boven een geheimzinnig met wolken bedekt dal. Boven de sparrenboomcontouren aan de andere kant, twinkelen de lichtjes van Manderscheid. Het is overal vochtig. Georgine ziet ver achter de hut een groot donker beest over het pad gaan; zij drukt huiverend haar pleerol tegen zich aan en is 1-2-3 weer bij het kampvuur. Rond de vlammen heerst een toenemende uitgelatenheid. Binnen in de blokhut nippen ernstig sprekende groepsleden achter flakkerend kaarslicht aan hun kelkjes, met Els als spiritueel middelpunt.

laat

De aanwezigen wisselen voortdurend tussen blokhut en kampvuurkring. In het schijnsel van de lamp zien we de muizen over de pannen rennen. Joyce grijpt - het is nog maar haar tweede tocht - naar de vrijheid, door het vuurstoken te claimen. Ze bewijst haar natuurtalent ter zake. Opgewonden maakt ze vervolgens rondedansjes om de lekkende vuurtongen.

Rond 10.30u zakken de eersten af naar hun eenzame tenten op de rotsrand onder ons. Op het plateau boven praten achterblijvers nog wat na, Jan erboven uit. Elders in het dal is het doodstil. Geen buizerd kan vermeld worden, noch een uil die angstig piepende muizen opjaagt, noch wilde zwijnen die de wegrand openwroeten, noch een trillend reekalfje, snuivend naar gevaar. Alleen de torenklok van Manderscheid laat zich op de hele uren horen. En de regen, die vredig neerdaalt op de natte tentdaken. Als er rust rond de Häselhütte heerst, klinkt ineens het krijsen van twee uilen: links- rechts- onder en boven ons zwevend, op zoek naar lekkere hapjes. De klok slaat plechtig twaalf slagen over de slapende TT'ers in hun doorweekte tenten. Ik blaas na deze notities mijn kaas uit, kruip dieper in mijn slaapzak en glij tevreden weg in een droomloze slaap.

Leatsten dach; het verhaal van de verloren vader…

Het is nacht, een mistige stikdonkere nacht. Op het duistere paadje beneden de Häselhütte staan de tenten met daarin het stil, slapend Reintjesvolk en daar onder, vrolijk ronddartelend, horden bos-, veld- of voor mijn part heidemuizen. In deze mistroostige atmosfeer valt de eerste regendruppel…PATS!!… En de tweede en de derde… PATS, PATS!!!

Langzaam nemen aantal, ritme en snelheid toe en tegen de tijd dat het daglicht zijn eerste glimpjes vertoont is er al sprake van een gestadig neervallende regen, die met haar regelmatig gerikketik op geen enkele manier de indruk wekt te willen wijken voor Willems toch niet zulke wulpse wensen, met name (in de oude betekenis) zon en een strakblauwe lucht. Dat heeft hij immers nodig om z'n familie eindelijk de reeds in 1982 beloofde burchten van Manderscheid te tonen. Maar in dit Manderscheissewetter is daar letterlijk en figuurlijk geen kijk op! En dan heb ik het nog niet eens over de Belvédère gehad… oooh, de Belvédère… spreek het uit zoals het zou moeten, langzaam, uitgereikt en zo Frans mogelijk. Je hebt geen uitzicht meer nodig als je dit woord goed op je laat inwerken. Je hebt gegeten en gedronken. Je kunt naar huis!

Maar goed, wanneer Peter Pa en ik er gisteren niet als verkenners waren geweest, was Friedrich Wilhelm van Pruisen de enige kroonprins gebleven die ooit deze Belvédère heeft bezocht, vandaag komen wij hier niet langs.

Ander onderwerp: Jan Willem heeft een nieuwe tent, dat is inmiddels wel bekend, maar dat zich tijdens de al beschreven weersomstandigheden wat probleempjes zouden openbaren nog niet, want verdikkie, het lijkt wel een vergiet!!! Daar zit je dan vent, met je o zo dure tent... Ja, ja, ik spreek die jongens van Slee nog wel, George en Herman, gaan jullie ook mee? Ik vraag Joop ook,... mèt kettingzaag!

Wij allen zouden, ten einde al het genoemde schoons te kunnen bewonderen voor ons vertrek uit deze streek, een uurtje eerder opstaan. En ja hoor, ook al hoeft het eigenlijk niet meer, vóór achten al (en dat is uniek deze week) klinken er uit verscheidene tenten uiterst actieve geluiden, aangevuld met een hoogstwaarschijnlijk inwendig geuit (ik heb het niet gehoord): gadverdamme!!! van de heer J.Das, die voor zijn tent twee drollen aantreft. Eén fakedrol van zijn dochter Georgine èn een andere, een faecedrol van zijn neef, die met deze daad de bijnaam Petertje pervers weer volop verdient... De kranten stonden er dus weer vol mee.

Het is warempel zo'n beetje droog als ik uit m'n tent kom kruipen. Peter is al een tijdje naar boven, primeren en broodjes smeren. Onder het naar boven sjouwen van wat spulletjes maakt Evelien al roepend duidelijk dat er gegeten moet worden, want het brood, de thee, de koffie èn zijzelf zijn er klaar voor. Het volk dat beneden nog hard aan het inpakken is springt - en dat is jammer voor Evelien - niet meteen en juichend op om aan haar wens gehoor te geven. Nee, men maakt af waar men mee bezig is, en zo hoort het ook. Thee en brood smaken weer buitengewoon, al steekt het mij een beetje dat thee inmiddels verbannen is naar het kleinste pannetje dat we hebben. De koffieleuten hebben de macht en de grootste pan gegrepen. Daartegenover staat dan echter weer als positief punt de vrijwel volledige vernietiging van de tube pindakaas gisteren door een muizencommando. Er bestaat nog gerechtigheid!

Binnen de groep is zonder discussie (hoe is het mogelijk…) een hoge mate van eenstemmigheid over de te lopen route deze ochtend: de kortste!!! Het zal te maken hebben met het primaire doel in Manderscheid: de Konditorei (wat anders…?) met, volgens Evelien, liefst negen (!) soorten gebak èn het zal te maken hebben met de inmiddels alweer gestaag neervallende regen. De vergiet van Jan Willem wordt als laatste ingepakt; een laatste blik op ons laatste bivak en de gaan we weer… Jan Willem voorop (voor de foto) en de rest er achteraan. Steil naar beneden, glibberend, glippend en glijdend over het zeiknatte zadelleisteen. Beneden wachten allen op oom Jan voor de brugfoto '88 met de al oude vraag: "Doet hij het door ons al jaren zo gewenste stapje achteruit te veel of niet?"

De brug is die over de Lieser. Manderscheid ligt aan de overkant. Iets verder en boven op. Wij lopen dus verder door het natte, mistige bos. Even wordt ons een heiige blik gegund op de Oberburg en ietsje later staan we in het dorp. Het is 10.30u. De bus gaat om 12.15u. We hebben zeeën van tijd. Rustig aan gaan de natte spullen uit, rustig zoekt in ieder het door haar of hem gewenste gebak uit en rustig neemt bijna iedereen plaats; zo niet Jan jr. Hij stuift naar de toiletten en komt het eerste half uur niet terug. Tanden poetsen? Douchen? Teennagels bijten? Ik heb het hem niet gevraagd, maar het zal wel zoiets zijn. De consequenties zijn duidelijk: kouwe koffie en géén gebak... Dat heb je er nu van... ! Over een kleine 12 uur heeft ieder zijn eigen bad en douche binnen handbereik, maar Jan moet nú schoon! Hij heeft het overigens niet van een vreemde; neem zijn vader, Jan Das sr.; speciaal voor de laatste dag bewaart en zeult hij iedere vakantie met een fris gewassen, gestreken en gesteven overhemd. Zijn andere hemden kunnen nog zo goor, vies, vuil, smerig, ja zelfs aan flarden gescheurd zijn. Al zou hij de laatste twee weken naakt moeten rondlopen, dit hemd is voor de laatste dag! Het mag hoor, heus... Maar heren, een zware zweetgeur kàn zo opwindend zijn... Er verschijnen ook regelmatig artikelen over in de Volkskrant bijvoorbeeld.

Na het koffie drinken versnippert men zich. Ik bedoel, we hebben nog wat tijd over en op zo'n laatste dag steken de persoonlijke belangetjes hun koppen weer op en ieder doet waar hij of zij zin in heeft. Evelien, Peter Pa en Herman gaan alsnog naar de burchten, oom Jan maar de VVV, George naar de politie (voor z'n portemonnee, maar niets hoor ze willen hem zelfs geen schriftelijk aangiftebewijs geven). Toch maar weer scheren George, zoals je nu uitziet gelooft niemand hier ooit meer... Els en Jan Willem kopen kaarten en frutsels, weer anderen poetsen tanden en de rest wacht...

De bus: lieve familieleden, mijn dank voor het door jullie aan mij geschonken vertrouwen. Ik had er niet op gerekend ooit nog buskaartjes te mogen kopen. Het is goed gegaan hè? We zijn niet opgelicht, geflest, beduveld of genaaid. Hoezee! Het achterste deel van de bus is voor ons.

bus

Met de voorwielen enigszins boven het wegdek hangend komt de bus langzaam op gang. Wij verlaten Manderscheid en daarmee tevens het praktijkgedeelte van TT88.

De rest van de reis is een getrouwe kopie van alle andere TT‑terugreizen. De stemming wat mat; bus, trein (van Gerolstein naar Keulen, naar Eindhoven, naar Utrecht), met weer vrijwel uitsluitend voor ons gereserveerde wèl-rokersplaatsen; ik krijg er een punthoofd van. George, Herman, gaan jullie mee naar de NS, HGB1. Ik vraag Joop ook… mèt kettingzaag!!

Klaverjassers, lezers, hangers en slapers, u ziet het, als vanouds. Alleen George komt met een primeur: BLUE STRATOS voor iedereen. In vroeger tijden werd stank niet door wassen maar met geurwatertjes bestreden; voor ons is het nu eveneens een prima oplossing. George, mede namens mein Frau: Herzlicher scheisse! Jan, kan je voortaan je koffie warm drinken, oom Jan, laat dat overhemd thuis... Grandioos George. Eén zo'n flesje kan kilo's uitsparen!

Als vanouds worden we in Utrecht door tante Georgine opgewacht, deze maal vergezeld door Marijke (de schat had achteraf bezien best mee gekund. Ze werkt echter niet de indruk het verschrikkelijk te vinden. Gelukkig!) Jan-Willem wisselt geld (f 18,50 terug voor iedereen), koopt een bloemetje voor zijn schoonouders, die vandaag 35 jaar getrouwd zijn en de rest probeert een half uur lang zakken in kluizen te proppen, hetgeen de meesten lukt. Daarna wandelt de meute naar de Griek, alwaar wij tante Bep, oom Henk en Marion ( die een avondje verlof heeft gekregen) zullen treffen.

Jan Willem heeft haast. Verloren vaders zijn zeldzaam en dienen bestreden te worden. Hij wil naar Bas, schiet door zijn eten heen. Neemt afscheid van alles en iedereen en haast zich naar zijn zoon ten einde een ontroerend tafereeltje te bewerkstelligen. Het is droog als hij in Haarlem komt, de rugzak neer smijt en zijn jas aantrekt. Het regent als hij weer buiten komt en op de fiets stapt voor de laatste 7 km naar zijn zoon. Alle records worden gebroken. Drijfnat komt de vader aan, feliciteert zijn schoonouders, geeft ze cadeautjes, maar het interesseert hem allemaal niet. Waar istie, waar istie..? …Ah…Oh…Wat istie groot geworden!… Bas! Bas! O Basje! Hij (Bas) kijkt even en denkt overduidelijk: "Nooit gezien die vent…"

We sluiten TT88 af, het is over en uit. Dit boek, aangevuld met wat gelukzalige herinneringen, is al wat er rest. Alle medewerkers en met name Els (in de nieuwste betekenis) wordt bedankt. Tot nummer 12 1/2 - herfst '89, JW.