TT‑verslag 1978 (JW)
Deelnemers:
Els, Marion, Irene, Georgine, Evelien, Jan sr., Peter, George, Albert en Jan Willem.
Ach ja ..., die tocht door de Ourthevallei; onze tweede en zoals de meesten halverwege dachten, tevens onze laatste! Deze tocht staat in het geheugen gegrift als een aaneenschakeling van rampzalige gebeurtenissen, zelfs meer nog (hoe is het in hemelsnaam mogelijk zou je denken) dan in andere jaren.
Is echter al deze uitgesproken ellende wel helemaal terecht?..., zo kunnen wij ons afvragen. Natuurlijk kunnen we achtereenvolgens vlot het verlies van oom Jan's camera, het verlies van JW's mes, het verlies van een hoop geld en het verlies van JW als hooggewaardeerd, betrouwbaar financieel expert noteren, maar daar tegenover staat zoveel moois, zoveel fantastisch, zoals… eh… eh…, , nou ja, daar komen we later wel op.
We beginnen gewoon bij het begin, vrijdag 6 okt. 1978 in het clubhuis van de Akoteh-groep te Bilthoven, waar de tocht zal worden voorbereid en de goede naam van de Dassen in Bilthoven voorgoed te grabbel wordt gegooid door resp. George die op de heenweg twee meisjes van de sokken rijdt, Albert die een kwartier in zijn onderbroek rond de hut dwaalt en Peter en nogmaals George die het haardvuur blussen, hetgeen op zichzelf nog niet zo erg is, als het maar niet ín onderbroek, vanáf het dak, dóór de schoorsteen en urinaal was geschied.
Ondanks dit alles wordt de tocht goed voorbereid en stapt de groep zaterdagochtend 14 okt. bepakt en bezakt op de trein, uitgewuifd door de tantes Dini en Georgine. Omdat er toch iets mis moet gaan laat de grote leider zijn ‘Olympus trip 35’ uít zijn p… op de grond vallen, wat tot gevolg heeft dat hij er nog wel mee kan werken, maar alleen wanneer hij erbij nadenkt.
Het doel van de reis is Hotton in de Belgische Ardennen en dit wordt verder zonder problemen bereikt. We doen hier iets wat we nog nooit eerder en daarna ook nooit méér gedaan hebben: een bezoek aan een toeristisch attractiepunt: de ‘beroemde’ grot van duizend en één nacht… Heel mooi, maar ook héél koud. Hier laat George zijn ware aard weer eens zien en ontpopt zich als pegelpikker. We gaan er gedeeltelijk naartoe per bus en reizen daarmee ook verder, iets wat de komende dagen nog verscheidene keren zal gebeuren.
De overnachting vindt plaats in Marcourt, een dorpje langs de Ourthe, in een soortement boomgaard. Na de soep volgt een wandeling; bezocht worden onder meer een kerk, met kerkhof en de dorpskroeg, waar we onszelf vergasten op witte wijn, pils en een potje vogelenpiek.
De volgende morgen verloopt alles wat moeizaam en is door oom Jan dan ook zeer plastisch beschreven als een:
Vrij om-
Vangrijk
Verhaal
Van
Vijf
Vertragingen.
Te weten:
-
de natte tent van JW
(zéér recent aangeschaft en dé trots van deze jongeman, die door deze aanschaf zichzelf op de rand van een faillissement bracht en de heer Slee uit Utrecht waarschijnlijk een onbezorgde oude dag garandeerde), - het appelmoescomplex van Peter,
-
het gedresseerde grotteneendje
(vnl. in gebruik door de jonge onderzoekers), - de fluitsonates van Johann Petrus Elsius,
- de oeverloze ontbijtrituelen.
Om 11 uur vindt dan toch het vertrek plaats richting La Roche. Het weer is prachtig, maar door het eerste zeer steile stuk naar boven wordt dat amper opgemerkt. Op het hoogste punt staat een kapel, met daarachter de ruïne van het kasteel van Marcourt. We stoppen om te rusten en te genieten van het magnifieke uitzicht.
Verderop onderweg vindt de geboorte plaats van ‘Opa’. Nu, vier jaar later, na het laatste familiekamp (1982), is de goede man zo goed als onsterfelijk geworden.
De middagpauze is voor Evelien; de ontmoeting die zij daar had, is onmiskenbaar van grote invloed geweest op de rest van haar nog jonge leven. Dáár is zij zich voor het eerst bewust geworden van de aantrekkelijkheid van het mannelijk geslacht.
Oorzaak?: een paardebeest dat overduidelijk hengst stond te wezen… De anderen laten zich ondertussen de lunch goed smaken.
La Roche en Ardenne: voorlopig nog niet zichtbaar, want de camping waar we onszelf aan het eind van de middag nestelen, ligt van het dorp gescheiden door een heuvel. Twee noemenswaardige ontmoetingen: het egeltje Kareltje en wat voor oom Jan bekende NTKC-ers. Het avondmaal bestaat uit boerenkool met ‘wors van Sjors’ en daarna: op naar het dorp, waar echter op dit moment weinig is te beleven, zodat na één kop koffie of thee de terugtocht wordt aanvaard. Dan wordt het écht gezellig; eerst in de tent, later rond het houtvuur. Inmiddels is er al enige regen gevallen, iets wat ook regelmatig gedurende de nacht het geval is, maar ach ... Ook de volgende dag echter, is het weer niet zo best en er wordt nu voorgoed besloten die dag te blijven staan en wat in de buurt te gaan wandelen.
Ratten op de camping veraangenamen het ontbijt, waarna allereerst een bezoek aan La Roche volgt. Daar willen we de bus naar een bepaalde plaats pakken om vervolgens terug te lopen, maar dit gaat mooi niet door, want de verwachte bus komt niet. In arren moede bestijgen we dan maar de rots achter de kasteelruïne en gaan vandaar hogerop, via een rotspaadje, naar een prieeltje, alwaar een prachtig uitzicht op het dorp is te bewonderen. George, die de onbeschaamdheid heeft, liggend op de hanebalken, oom Jan van zijn muts te beroven, wordt daarop door dezelfde oom Jan met diens bergstok bijkans volledig geperforeerd. Evenals dit verloopt de rest van de wandeling tot ieders genoegen; we lopen achtereenvolgens door een parkachtig aangelegd bos en door een aantal normale bossen, stijgend en dalend, door regen en zon, over zand-, rots- en asfaltpaden, totdat we in de regen La Roche weer bereiken, waar we ons te goed doen aan koffie met appelgebak in een soort konditorei. Op weg naar de camping worden we, tot ieders verrassing, achterop gereden door Een camper met tante Catoke Hellemans, oom Jaap van Cleef en kinderen. Na de maaltijd, rond het knappend houtvuur, zijn zij, onder leut, gezang en drank, onze gasten.
Rampspoed is ons overkomen ...
De volgende dag staat vooral in JW’s geheugen gekerfd als superrampdag, maar gelukkig weet hij dat ‘s ochtends nog niet en staat hij, net als de anderen met een uiterst zonnig humeur op. We moeten de bus van 9.40 u. halen, dus vroeg op. Het belooft een mooie dag te worden met redelijk weer en een prachtige wandeling. Op weg naar het dorp bij het zg. ‘dwarsen’ van een parkeerterrein galmt voor de eerste maal het inmiddels historische ‘zweetlied’ door en over de heuvels. Natuurlijk is het van oom Jan afkomstig.
De bus brengt ons naar Maboge. Hier worden de blaren aan een laatste behandeling onderworpen, de rugzakken weer omgegespt en we gaan op weg. Mannelijke wandelaars worden bij de bosrand op originele wijze gewaarschuwd voor andersoortige trekkers, maar de groep acht zichzelf groot en sterk genoeg en slaat de waarschuwing in de wind.
De wandeling voert langs de Ourthe; het is werkelijk één van de mooiste stukken die we ooit gelopen hebben en het klapstuk is de rotskam van de Herou, een magnifieke, steile helling van zeker 50m diep, waar we bovenop belanden. Op deze plaats echter, verliest JW behalve zijn goede humeur ook voorgoed (?) zijn mes. Nóóit zal hij op steile rotswanden nog sinaasappeltjes gaan schillen. M.b.v. George wordt toch nog gepoogd het ding, dat een viertal meters lager nog op een richeltje ligt, naar boven te halen, maar oom Dan, die zich toch wel een beetje verantwoordelijk voelt, staat, naar eigen zeggen, doodsangsten uit, zodat de pogingen maar worden gestaakt. Nog napruilend loopt JW. achter de rest aan weer naar beneden, waar het tot overmaat van ramp ook nog begint te hozen. We vinden gelukkig een afdak en wachten daar het eind van de bui af. George wordt eropuit gestuurd om de omgeving te verkennen en komt terug met de mededeling dat iets verderop een dorp ligt. We belanden in Nadrin, waar we in het dorpscafé de verkleumde botten opwarmen met warme sjokola, een tafelvoetbalspel en hopen hypervette patat.
Het is de bedoeling dat we hier de bus naar Houffalize pakken, onze laatste kampplaats deze tocht.
Citaat:
De bustocht naar Houffalize wordt één dramatisch, treurig, verschrikkelijk, frustrerend dieptepunt! De chauffeur rekent JW nl. 18 x 31 fr. in plaats van 10 x 31; een strop van 248 francs! Maar de grootste opwinding wordt veroorzaakt door de weigering tot terugbetalen. Niets helpt om de chauffeur (die een ‘gesloten kassysteem´ heeft) tot andere gedachten te brengen. Niet tijdens de rit, maar ook niet bij het sombere eindpunt, het busstation in Houffalize. Een deel van de groep houdt de bus bezet, een ander deel het verder verlaten busstation. De chauffeur belt koortsachtig zijn superieuren af, maar zonder resultaat....
In het donker zoeken we nog een kampeerterrein, dat vinden we bij een sportveld annex speeltuin. Na de maaltijd komt de stemming er weer een beetje in en besloten wordt de stad met een bezoek te vereren. Ook hier is op dit tijdstip weinig te beleven en na een kort kroegbezoek worden, wat Els en Marion al veel eerder gedaan hebben, de bedden opgezocht, echter niet voordat al onze wanhoop en haat jegens de Belgen is uitgeschreeuwd op een leeg, 5 x 3m groot reclamebord.
De volgende en godzijdank laatste dag: we zien nu waar we zijn terechtgekomen, het is gelukkig goed weer en op de aangesleepte parkbanken laat zich het ontbijt goed smaken. We hebben én nemen de tijd, want de bus die we moeten hebben gaat pas omstreeks het middaguur. Er worden nog wat boodschappen gedaan en de klaagmuur wordt nog eens op afstand bewonderd. De bus halen we toch redelijk op tijd en door het mooie Ardenner landschap reizen we rustig naar Gouvy, een oud grensstation. Hier vinden we de trein naar Luik gereedstaan. We stappen in en in Luik en Maastricht over. Tot slot, besluit en tevredenheid, wordt er in Maastricht gechineesd.
Het betekent een afscheid van een merkwaardige tocht. Leuk, maar in het algemeen tegengevallen, vooral wat betreft de route en de Weersomstandigheden. (Ook het veelvuldig busgebruik en kroegbezoek veroorzaakte twijfels.) In z’n kleine momenten echter vrij uniek en min of meer onvergetelijk (naar Jan Das sr.).
JW. mei '82